Kroniek

Koningin Beatrix was in Jeruzalem zeker niet te benijden. Ze kon zich in haar toespraak tot de Knesset niet ongestraft beperken tot de plichtplegingen over de vriendschapsbetrekkingen tussen Nederland en Israel, in de wetenschap dat de 'donkere schaduwen' over de geschiedenis van het Nederlandse jodendom bij haar bezoek ter sprake zouden komen. Zou ze de ondergang van honderdtienduizend Nederlandse joden tijdens de Duitse bezetting in haar toespraak hebben verdoezeld, dan zou ze een deel van haar gehoor hebben gekwetst. Zou ze de Nederlandse jodenhulp hebben overbelicht, dan zou ze bij een ander deel weer kritiek hebben uitgelokt. En zou ze het onderwerp diplomatiek hebben omzeild, dan zouden nog meer toehoorders op hun ziel zijn getrapt.

Beatrix deed geen van drieën, maar legde de accenten realiteitshalve waar ze moesten liggen. Ze herinnerde aan (het relatief grote succes van) de onderduik en aan de inzet van vele Nederlanders die daarvoor hun huis en hun leven in de waagschaal stelden, maar verzweeg de passiviteit die een groot deel van de Nederlandse bevolking tegenover de deportatie van de Nederlandse joden heeft aangenomen niet.

De koningin was niet te benijden omdat ze zichzelf de taak had opgelegd uit te leggen wat zonder gevaar voor vertekening nauwelijks uit te leggen is. Ik hoop dat ze Abel Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging mee op reis heeft genomen. Dat is in kort bestek veruit de meest toegankelijke bron over het gedrag van de Nederlandse bevolking tegenover de jodenvervolging. Er is ook nog een andere actuele reden om dit onovertroffen boek van de onovertroffen verteller en geschiedschrijver Abel Herzberg onder de aandacht te brengen: Querido heeft het gelukkig in een prachtige band opnieuw uitgegeven (ƒ 62,50).

Abel Herzbergs Kroniek is een van de belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur van de jodenvervolging. Er is na Tolstoj waarschijnlijk geen schrijver die zoveel kennis van de menselijke ziel en zoveel begrip voor het menselijk tekort toont als Abel Herzberg. Desondanks bleef hij zich altijd verbazen over het goede dat het kwaad nog zo vaak in de schaduw stelt. Naast alle kwaad (dat de joden voor de oorlog en tijdens de bezetting van niet-joden ondervonden), zo schreef hij mild, bestond er ook (over en weer) een eindeloze toewijding, veel geduld, begrip, veel opoffering, zelfs genegenheid en gebondenheid, veel eerbied en vriendschap. “Maar dat alles loopt natuurlijk niet in het oog, het blijft stil en onbekend. Het geldt ook niet als symptomatisch maar veeleer als verwonderlijk. Telkens weer als men ontdekt, dat er - welbeschouwd - een groot aantal respectabele mensen in de wereld bestaat, is men verrast.”

Herzberg was meer geneigd tot constateren dan tot oordelen. Hij schreef met mededogen over onderduikers die in hun wanhoop of radeloosheid onbegrijpelijke dingen deden en soms deportatie verkozen boven de ingesnoerde vrijheid van de onderduik. Zolang ze door vrijwillige melding in Westerbork nog vrijuit gingen (wat een tijd lang mogelijk was), kostte het hem geen moeite voor die stap begrip te hebben, maar ook als ze daarmee een redelijke veiligheid opgaven, veroordeelde hij dat niet.

Om dit 'vreemde verschijnsel' duidelijk te maken vroeg Abel Herzberg aandacht voor wat hij noemde de plastiek. “Daar had men bijvoorbeeld een man en een vrouw, die dag in dag uit samenzaten in een kelderruimte tegenover elkaar, ieder aan een kant van een tafel. Ze hebben niets te doen. En als dat niets af is, dan volgt er weer niets, en morgen is er ook niets. En voor overmorgen en volgende week en volgende maand bevat het programma altijd maar niets. Ze hebben een dochtertje dat elders ondergedoken is, en ze horen op zekere dag, dat het kind verraden is en doorgestuurd naar Polen. Daar zitten ze tegenover elkaar. Ze zitten en ze zijn bezig met niets. De man zegt tegen de vrouw: 'Waarom zeg je niets?' En de vrouw antwoordt: 'Zeg jij dan wat'. Na een kwartier zegt hij: 'Maar zeg dan toch iets'. En zij zegt: 'Wat zal ik zeggen?' Dat is de conversatie. En het kind is weg. Westerbork en Polen zijn dan waarlijk nog het ergste niet.”

Met terughoudende nieuwsgierigheid beschreef Abel Herzberg - met de eigen ervaringen van Bergen-Belsen achter de rug - de spanning waarin onderduikers en onderduikverschaffers elkaar te veel werden en elkaar het leven soms tot een hel maakten. In oudere literatuur is nogal eens een verband gezocht tussen deze schaduwen van de onderduik en de heropleving van het antisemitisme, dat in 1945 en '46 ook even in Nederland virulent aan de oppervlakte kwam. Herzberg wees dat overtuigend van de hand. Er kon na de bevrijding, ook in Nederland, genoeg antisemitisme worden gesignaleerd, maar dat vond zijn oorzaak naar zijn mening noch in de omstandigheden van de onderduik noch in de aanwezigheid van de Duitsers. Het was er eenvoudig altijd geweest en het zou ook nooit helemaal verdwijnen.

Abel Herzberg had genoeg fiducie in de Nederlandse democratie om niet te erg over het antisemitisme in te zitten. Voorzover het om een rationele beoordeling ging, was in Nederland alles in orde. Maar over het hart van de Nederlander was hij minder zeker, want hij kende zichzelf. “Er staat wel geschreven in het Oude Testament en in navolging daarvan in het Nieuwe: 'Heb uw naaste lief als uzelve'. Dat is een stelregel, die wel door velen als richtsnoer wordt erkend. Maar wat begin ik als ik het land heb aan mijzelf? Wee dan mijn naaste! De vraag is niet zo vreemd als zij op het eerste gezicht lijkt. Al onze agressie jegens anderen vindt tenslotte haar oorzaak in de onvrede van ons eigen hart.”