Is alles geoorloofd als God niet bestaat? Aflossing van de wacht

De Verlichting van de afgelopen decennia verruilde een absolute moraal voor de tot dan toe ontkende werkelijkheid. De emancipatie verdreef de seksuele moraal, de democratie kwam tegemoet aan de verdrukte arbeider en de geestelijke gezondheidszorg verzachtte de persoonlijke problematiek. Nu kerk, staat en school geen houvast meer bieden, waar moeten de normen en waarden dan vandaan komen? Als ze niet uit God komen, moet hun plaats van herkomst de mens zijn. Appel aan de verantwoordelijkheid van ouders en hun kinderen. Een essay.

Bij de demonstratiecolleges, die ik als medisch student mocht lopen ('mocht' is het goede woord, weinig in mijn leven is even spannend en interessant geweest), waren ook colleges in de vrouwenziekten. Daar demonstreerde de hoogleraar regelmatig vrouwen met beschadiging van de geslachtsorganen tengevolge van door henzelf of andere leken verrichte abortussen. Naast de gynaecologische lessen die daar uit te trekken waren wees de hoogleraar ook altijd op de vreselijke gevolgen, die het afwijzen van de zwangerschap voor de vrouwen had gehad, en op de overdragelijkheid van het feit, dat abortus nog zoveel werd toegepast, zonder dat de boosdoeners daarvoor hard genoeg werden aangepakt. De vrouw zelf achtte hij voldoende gestraft met haar beschadiging.

Vele jaren later was ik psychiater in het eerste abortusteam van het land, onder leiding van de toen regerende gynaecoloog Kloosterman, Iedere week werden de problemen besproken van de vrouwen, die met verzoek om abortus kwamen. Na geruime tijd, we hebben daar een paar jaar over gedaan, werd het aan alle deelnemers van het team duidelijk, dat de vrouw altijd dwingende redenen had, en dat er eigenlijk nooit lichtvaardig om abortus werd gevraagd. Dat was een hele ontdekking: een door tegenstanders van abortus veel gebruikt argument was, dat vrouwen die zich aborteerden of lieten aborteren, dat deden uit gemakzucht, omdat ze opzagen tegen de gewone verplichtingen van het moederschap. Nu bleek, dat wanneer men de tijd en moeite nam om naar de vrouwen te luisteren, er een andere werkelijkheid zichtbaar werd dan de tegenstanders hadden verondersteld.

Ik ben hier zo uitvoerig over, omdat aan de maatschappelijke omgang met seks en zijn gevolgen zo goed is af te lezen, hoe groot het verschil is tussen aan de ene kant een benadering, die de maatschappij regelt vanuit algemeen geldende morele opvattingen, waar het individu zich aan heeft aan te passen, en aan de andere kant een benadering, waarin de maatschappelijke opvattingen ruimte bieden voor individuele lotgevallen. Nu zijn die lotgevallen een deel van de werkelijkheid, en zijn dat ook altijd geweest. Maar de werkelijkheid laat zich pas kennen, als men er naar kijkt. Zo is de opvatting, dat homoseksualiteit een vorm van seksualiteit is, die gepraktizeerd wordt door heteroseksuelen die iets nieuws zoeken na hun uitspattingen, pas verlaten toen enkele pastores met homoseksuelen gingen praten en merkten, dat zij met mensen te maken hadden, die een andere seksuele gevoeligheid hadden dan de meerderheid. En zo is het met veel opvattingen gegaan, die kenmerkend waren voor de manier waarop de gemeenschap regels gaf voor de plaats, die een individu in de samenleving had in te nemen. De onverbreekbaarheid van het huwelijk, bijvoorbeeld, hield veel mensen bij elkaar, die elkaar en de kinderen het leven tot een hel maakten - wat allemaal begraven bleef onder de hoeksteen van de samenleving. Ik meen, dat veel van de veranderingen, die de laatste dertig jaar - zo jong is het allemaal - onze wereld, Nederland dus, hebben veranderd, zijn te zien als een verandering in één grondgedachte: dat het leven en de leefregels van God komen, en dat de mens daar niet in mag ingrijpen. Dat had vèrstrekkende gevolgen: voor de aanhangers van dat dogma was abortus dus verboden, maar ook buitenechtelijke seks, was het huwelijk onontbindbaar, homoseksualiteit onnatuurlijk, euthanasie verboden, suïcide minstens een zonde, en in veel landen ook verboden, zoals hulp daarbij bij ons, moest de mens, dus ook de arbeider, zijn plaats kennen, en alles was altijd eigen schuld, want God had de mens goed geschapen. En dit was niet alleen maar moraal, het was moraal die ondersteund werd door de wet. Buitenechtelijke seks was dan wel niet verboden, maar het buitenechtelijke kind kwam er wettelijk slecht af, evenals zijn ongehuwde moeder. Scheiden was slechts moeizaam mogelijk, en homoseksuelen kwamen veel makkelijker met de politie in aanraking dan anders geaarden, stakingen waren verboden ingevolge de wet op samenscholing, en een misstap was nooit te begrijpen uit doorgemaakte wantoestanden.

Dit systeem kenmerkte zich door een afwijzing van de verantwoordelijkheid voor het lijden, dat er door veroorzaakt werd. Ieder onderdeel van de opsomming: ongewenste zwangerschap, homoseksualiteit, onontbindbaarheid van het huwelijk, verbod op euthanasie, arbeidsomstandigheden - ieder onderdeel bracht slachtoffers voort, in de loop der jaren honderden miljoenen. Maar die werden door de voorstanders van het systeem nooit opgeteld, het bleven enkelingen, die slecht of wilszwak waren, dat wil zeggen, persoonlijk verantwoordelijk.

Zoals de maatschappij onder dit systeem van absoluterende moraal zijn onzichtbare uitgestotenen had, zo had ook ieder die er deugdzaam deel van uitmaakte, naast zijn openbare persoonlijkheid een onzichtbaar deel, dat niet aan het openbare leven deel kon nemen, of zelfs voor de persoon zelf verborgen bleef. In de keurige Victoriaanse wereld waren er alleen maar keurige heren, zodat het een raadsel bleef, wie toch de florerende bordelen bezocht. En zo'n scheiding liep ook door iedere ziel: verboden gedachten en gevoelens werden naar de krochten van het onbewuste, of het afgesplitste verbannen - om daar door Freud ontdekt te worden. De grenswacht, die deze afscheiding patrouilleerde was de schaamte, die zorgde dat wat niet toonbaar was, ook niet zichtbaar kon worden - tenzij gelouterd herbenoemd als schuld, en gebiecht of beleden. Door deze absoluterende regelgeving nam dus het domein van het innerlijk leven, dat niet met een ander gedeeld werd, of althans aan de publieke sfeer werd onttrokken en hoogstens aan een enkele intimus of intima getoond kon worden, beduidend toe. Bij een minder absoluterende moraal neemt dat gebied weer af, wat in het maatschappelijk verkeer te merken is aan een verleggen van de schaamtegrens: dagelijks worden er op de televisie en in andere gebieden van het openbare leven zaken besproken, waar men zich tien jaar geleden voor doodgeschaamd zou hebben.

Een ander deel van de werkelijkheid waar het zelfde mechanisme aan de hand is geweest als in het erotisch-seksuele is dat van de arbeidsverhoudingen. Bestaanszekerheid is een nieuw begrip in de wereldgeschiedenis; ik heb nog nooit gehoord van een maatschappij, waarin geen rechteloze onderklasse aan willekeur en/of honger was uitgeleverd. Om me te beperken tot onze recente geschiedenis: het algemeen kiesrecht is pas in deze eeuw ingevoerd, daarvóór was het kiesrecht alleen voor welgestelde heren, het vrouwenkiesrecht is van na de Eerste Wereldoorlog; arbeiders werden in hun werktijd slechts beperkt door het feit dat ze soms moesten slapen, lonen waren hongerlonen, waarvan nog bijna de helft uit ellende naar de kroeg werd gebracht, kinderarbeid met onbeperkte werkduur sprak vanzelf, werkelozen en zieken kwamen aan de bedelstaf - maar de wereld was door Onze Lieve Heer, of door de economische wetten, nu eenmaal zo ingericht, en wie zich verzette tegen de gevolgen van deze bedéling bewees daarmee al zijn onzedelijkheid, die makkelijk vertaald werd in strafbaarheid. Ook hier werden dus de verschrikkingen uit het maatschappelijk discours verbannen, en wie die erweer in wilde brengen, werd door de politie opgebracht, zoals de eerste socialisten tot aan de eerste wereld oorlog konden merken.

Maar beschrijvend kan men zeggen, dat de genoemde ontwikkeling in beide gebieden in de eerste plaats bestond uit de opheffing van de ontkenning van hun bestaan. Er werd een werkelijkheidsgebied binnen het discours gebracht waaruit het verdreven was, zoals Galileï de mogelijkheid dat de aarde beweegt, onderwerp van gesprek dorst te maken. Opvattingen over seks en gelijkheid zijn veranderd omdat mensen er toe gekomen zijn, niet langer antwoorden op vragen te bedènken, maar zijn gaan kijken hoe het echt zat. Of korter gezegd: het is een onderdeel van de aflossing van de Godsdienst door de Verlichting, en daarmee van de standenmaatschappij door de democratie. Een interessante overgang daartussen is het negentiende-eeuwse liberalisme, dat God's wetten inruilde voor de natuurwetten, en de standen verklaarde uit de net op tijd ontdekte wet van de survival of the fittest. Zoiets zit diep; nog kort geleden, toen er meer dan een half miljoen werkelozen in Nederland waren, heb ik een vooraanstaand zakenman horen zeggen dat iedereen die wèrkelijk wilde best werk kon vinden. En aan de andere kant heeft ook de arbeidersbeweging, en de rest van de wereld, de gevolgen kunnen meemaken van het leven naar absolute wetten voor het menselijk bestel, in dit geval niet die van God maar van Marx.

Zo zien we op drie gebieden de gevolgen van het aflossen van de wacht van de geopenbaarde waarheid door aandacht voor de werkelijkheid: er worden ontkende werkelijkheidsgebieden zichtbaar. In de maatschappelijke sfeer: de arbeider wàs verdrukt. In de tussenmenselijke sfeer: de rond de huwelijksmoraal gebouwde seksuele moraal maakte miljoenen mensen ongelukkig; in de sfeer van de innerlijke beleving: de neurose wás een volksziekte. Wat het eerste betreft: om aan te duiden, hoe de wereld er uitzag toen de standen nog door God gewild waren een citaat (de Rek, J. 1978.): “Bij de rooms-katholieken heersten standsverschil en standsbesef nog sterker. De jeugd gaat naar een A-, B-, of C-school. Al naar de ouders veel, weinig of geen schoolgeld betalen. Wel begint de dag met een gezamenlijke schoolmis maar daar wordt gescheiden tot God gebeden... Ook leert de schooljeugd het goede werk der barmhartigheid al. Tegen Kerstmis worden van de C-school zes der allerarmste proletariërs uitgezocht, schoongeschrobd, naar de A-school geleid en daar onder het zingen van toepasselijke liederen in baaien borstrokken en katoenen lijfjes gekleed. Als de kinderen volkomen in het cadeaugoed gestoken zijn volgt het slotvers en mogen ze de rijke kinderen bedanken”. Het tweede, de huwelijksmoraal, veroordeelde andere vormen van seksualiteit, sloot het gezin af van de buitenwereld en van sociale controle, waardoor mishandeling en incest niet gezien werden, in ieder geval nooit structureel gezien, stelde gedrags- en gevoelsnormen op voor mannen en vrouwen, die geen rekening hielden met de variatie van persoonlijke wensen, en maakte een rationeel beheer van het seksuele leven onmogelijk. En ten derde: bij absolute opvattingen hoort nu eenmaal een standaard-mens. En omdat die standaard-mens de enige was, die mocht bestaan, moest ook innerlijk ontkend worden wat niet bij de standaard paste, waarmee de weg naar de neurose geopend werd.

Zoals het boven staat, lijkt het of het onder een absolute moraal één en al ellende was, en dat is natuurlijk niet zo. Ik heb het over een zwakte van zo'n systeem: het heeft geen goede procedure om het lijden van de uitvallers te verzachten, het heeft geen terugkoppeling, want al zou het in de hemel goed komen, hier op aarde was het voor velen een hel. Als antwoord op dat probleem is voor ieder van de drie gebieden waar ik over sprak een antwoord bedacht: voor het maatschappelijk probleem de democratie met algemeen kiesrecht, voor het tussenmenselijk probleem de emancipatie, en voor het persoonlijk probleem de geestelijke gezondheidszorg, in het bijzonder de psychotherapie. De eerste twee zijn genoegzaam bekend, daarom een extra woord over het derde, dat nu eenmaal mijn hobby is: neurose is niet alleen een volksziekte omdat een absoluut systeem geen ruimte heeft voor uitvallers, maar is dat meer in het algemeen omdat iedereen moet inleveren op de weg van gulzig kind naar getemde volwassene. Dat proces voltrekt zich onder de hoede van ouders, ook maar gewone mensen zoals u en ik, evolutionair strekt hun taak zich niet verder uit dan in leven houden, en het gaat dus vaak mis. Wanneer we ons dit probleem in zijn volle omvang zouden realiseren, zou duidelijk worden, dat de aandacht voor geestelijke volksgezondheid even veelomvattend zou moeten zijn als die voor de somatische gezondheid. En daarvan kan gezegd worden, dat die laatste nu alomvattend is. Tot voor kort leek dat even ondenkbaar als nu voor de geestelijke gezondheidszorg. Dat de somatische zorg eerder aan de beurt was komt omdat die meer bij het eerste en tweede niveau hoort: het kunnen functioneren als burger in de maatschappij en tussen de mensen; de geestelijke aandoening was privé-zaak, verborgen, en wordt als laatste zichtbaar gemaakt wanneer de aandacht gericht wordt op de uitvallers, dat wil zeggen de slachtoffers van het systeem. Wanneer het systeem de andere kant op tendeert is de psychotherapie ook weer het eerst aan de beurt om afgeschaft te worden; het geld voor de geestelijke gezondheidszorg wordt dan weer liever besteed aan die patiënten die maatschappelijke problemen veroorzaken.

Door arbeidersbeweging, emancipatiebewegingen en psychotherapie is het absolute, voor iedereen geldende waardensysteem, dat de maatschappelijke verhoudingen, de interpersoonlijke relaties en de innerlijke huishouding volgens de mens overstijgende waarden trachtte te regelen, aan het verdwijnen. Het is ook niet toevallig, dat een Rooms-Katholieke minister het probleem van normen en waarden aan de orde heeft gesteld: als de waarden niet uit God komen, waar zouden ze dan vandaan moeten komen? Of zoals Iwan Karamazow het uitdrukte: als God niet bestaat is alles geoorloofd. Ik denk dat dat alleen maar aanspreekt, omdat we er eeuwen lang vanuit zijn gegaan, dat waarden worden aangetroffen, of minstens vanzelfsprekend zijn. Zoals de preambule van de Amerikaanse constitutie het uitdrukt: We hold these truths to be self-evident. Dat is toch net wat anders dan te zeggen: wij besluiten deze uitgangspunten vast te stellen. Het resultaat moge hetzelfde zijn, de eerste formulering heeft geen verweer tegen iemand die zegt, dat hij die waarheden niet self-evident vindt. In de tweede formulering wordt toegegeven, dat als waarheden niet uit God komen, zij door mensen gekozen worden, en door hen moeten worden overgedragen en zo nodig afgedwongen, zoals dat ook voor wetten geldt.

Nu zijn er een aantal waarden en normen, die in onze samenleving algemeen gedeeld worden, omdat ze het uitgangspunt van ons bestel, de democratie zijn. Veel van die waarden vinden hun oorsprong in het Christendom, maar het lijkt me buiten kijf, dat we in hun verwezenlijking verder gekomen zijn dan toen de godgegeven absolute waarden onze gemeenschap beheersten.

Nederland zit beter in elkaar wat gerechtigheid en billijkheid betreft dan ooit het geval is geweest; wie spreekt over verval van normen en waarden ziet dat over het hoofd. Ik deel de bezorgdheid over het verval dus nog niet. Maar ik zie een ander probleem: niet het probleem van verval, alsof het vroeger beter was, maar van instandhouding van het hoge peil.

Bij een absolute moraal hoort indoctrinatie. De zuilen hadden dat prachtig voor elkaar. Vanaf het moment dat een kind kon praten leerde het, dat het deel uitmaakte van een geloofsgemeenschap, en thuis, op school, in de kerk en in de jeugdvereniging leerde het hoe het met normen en waarden was gesteld. Zo kreeg het kind, en de uit hem gegroeide burger een katholiek of gereformeerd of sociaal-democratisch geweten. De zuilen hadden een geacheveerd transmissieapparaat voor hun waarden. Alle 'gelovige' systemen hebben trouwens altijd geweten, en intens in praktijk gebracht, dat het verwerven van normen en waarden niet de uitkomst is van rationeel overleg tussen volwassenen, maar van beïnvloeding op primitief gevoelsmatig niveau, door volwassenen van kinderen, of van volwassenen door een charismatische leider.

Dat heeft onze geseculariseerde, gedemocratiseerde en gepluraliseerde maatschappij niet: we hebben geen instrumenten waarmee we de burger, kind of volwassene, doordringen van zijn bevoorrechte positie (hoe veel beter die ook nog dient te worden) en hem bewust maken van zijn verantwoordelijkheid voor het voortbestaan daarvan. Vandaar dat de klacht, dat iedereen maar doet alsof het vanzelfsprekend is dat hij of zij overal recht op heeft, gegrond is. Men heeft nooit geleerd, hoe bevoorrecht we zijn, dat wil zeggen, hoe veel meer vrijheid, gelijkheid en welstand er is dan ooit te voren, en hoe 'n kwetsbaar bezit deze verworvenheden zijn. En als die onwetendheid een probleem is, is de volgende vraag, wat daar aan te doen is.

In onze tijd wordt de discussie over normen en waarden gevoerd rond het thema van de autonomie. Dat is geen toeval: wat wij tegenwoordig autonoom noemen was voorheen satanisch: de mens, of liever De Mens, die zelf bepaalt wat goed en kwaad is. Nu kun je met autonomie twee kanten uit: de eerste is die van onze mini-fundamentalisten waarbij autonoom betekent, dat ieder individu eigen belang nastreeft, slechts beperkt door uiterlijke begrenzingen als straf. Autonoom betekent dan zo veel als gewetenloos, en voor mensen, die met een heteronoom geweten zijn groot gebracht is die vorm van autonomie uiteraard van de duivel. Voor de voorstanders van autonomie betekent autonoom zijn, dat een redelijk mens een redelijke en verantwoorde beslissing neemt, rekening houdend met zo veel mogelijk betrokken belangen. De eerste vorm weerspiegelt de pessimistische kijk op de zondige mens van het Christendom, de tweede de optimistische kijk van de verstandige mens van de Verlichting, en de goede mens van het Socialisme. Deze twee opvattingen geven ook aanleiding tot de meningsverschillen in de discussie over individualisering. De eerste vindt individualisering, dat is autonomie, de weg naar onze ondergang, want als de mens zich van God los maakt verdwijnt de grondslag van normen en waarden, de tweede noemt individualisering de bevrijding van De Mens uit de boeien van de heteronomie.

Van het eerste standpunt heb ik trachten aan te tonen, dat het geen antwoord heeft op het lijden van de uitvallers. Als we dat niet meer willen, doen we beter, onze problemen op te lossen door bestudering van de werkelijkheid, dan door die werkelijkheid onzichtbaar te maken door a priori geldende ideologieën. (Men zal hier tegenwerpen, dat ieder standpunt uitgaat van a priori ideologieën. Dat moge waar zijn, maar het maakt verschil of je daar op bedacht en voor beducht bent, en het oor leent aan je slachtoffers.) En wat de tweede opvatting van autonomie betreft, daarvoor geldt eigenlijk hetzelfde. De Autonome Mens is evenzeer een ideologie als de Zondige Mens, of de Goede Mens, en de samenleving inrichten volgens zo'n ideologie verzuimt dat wat ik kenmerkend vind (of minstens: graag zou willen dat kenmerkend was) voor de nieuwe tijd: pas een standpunt innemen na de werkelijkheid geanalyseerd te hebben, en te onderzoeken of de gevolgen van dat standpunt in overeenstemming zijn met de bedoelingen. Wanneer men dat doet, zal blijken dat autonomie beperkt dient te worden door de beperktheid van de mens. En die beperkingen dienen dan onder woorden gebracht te worden, om mede te dienen voor het vaststellen van de over te dragen normen en waarden.

Ons land kent een groot aantal nationale en internationale wetten, waaronder de grondwet en de Rechten van de Mens, en aan die wetten en afspraken liggen een aantal waarden en normen ten grondslag. Nu is het de bedoeling van wetten, dat de burger zich daar aan houdt, omdat hij dat wil - en pas in de tweede plaats omdat hij bang is voor straf bij overtreding. Maar in onze zogeheten pluriforme maatschappij is mèt de zuilen weggevallen een manier om kinderen te leren wat de spelregels zijn van de gemeenschap waar zij deel van zullen uitmaken. Ik zeg met opzet spelregels: die zijn door mensen bedacht, kunnen door mensen gewijzigd worden, maar je kunt niet meespelen als je de regels niet kent en eerbiedigt, of niet van het spel houdt. En omdat het allemaal mensenwerk is, zullen de mensen, dat wil ten slotte zeggen de volksvertegenwoordiging, het zich tot een taak moeten stellen, te komen tot een explicitering van de normen en waarden, die door alle partijen kunnen worden onderschreven, en een manier van transmissie, van opvoeding dus, te bedenken, waardoor die gemeenschappelijke normen en waarden in het geweten van de burgers zo verankerd worden dat zij onze self-evident truths worden. Daarbij komen de drie niveaus die ik noemde weer aan de orde: burgers, waaronder kinderen, moeten leren, hoe zeldzaam kostbaar, èn kwetsbaar, ons bestel is, en dat ze daar mede verantwoordelijk voor zijn, ze moeten leren, dat maatschappelijke omgang met andere mensen spelregels heeft, die ze in hun eigen en andermans belang moeten respecteren, en ze moeten leren omgaan met hun gevoelens en die van anderen. Met al die dingen kan op de kleuterschool worden begonnen, en dat levert meer profijt op dan de zijrivieren van de Donau.

Wat wij in Nederland meemaken aan welvaart, vrijheid, en minimalisering van lijden is uniek in de geschiedenis, hoe onvolmaakt het moge zijn - ik herhaal, hoe onvolmaakt het moge zijn. Ons bestel is echter ook uniek in zoverre het geen techniek heeft om de deelnemers, de burgers, kinderen en volwassenen, de waarden en normen waarop het systeem is gebouwd, als hun vanzelfsprekendheden aan te leren. Het bedenken en ten uitvoer brengen van zo'n techniek lijkt me een dringende overheidstaak. Als God niet bestaat - of wanneer zij die geloven dat hij wel bestaat niet langer in staat zijn Zijn wil dwingend op te leggen - moeten we in godsnaam zelf maar uitmaken wat geoorloofd is.