En hier is uw gastheer

DAVID FROST: An Autobiography

542 blz., geïll., HarperCollins 1993, ƒ 67,-

LARRY KING (met Bill Gilbert): How to Talk to Anyone, Anytime, Anywhere. The Secrets of Good Communication

220 blz., Crown Publishers 1994, ƒ 44,-

BILL CARTER: The Late Shift. Letterman, Leno & The Network Battle for the Night

299 blz., geïll., Hyperion 1994, ƒ 54,90

Hij uit snedigheden alsof hij ze ter plekke verzint, is populair bij velen en gehaat bij enkelen en verstaat zich op voet van gelijkheid met de Groten der Aarde. De talkshow-gastheer, een fenomeen dat belangrijker, rijker en drukker is naarmate zijn verspreidingsgebied groter wordt. Bij de talkshow gaat het niet alleen om de informatie - soms een opzienbarende uitspraak, vaak niet meer dan een handvol anekdotes - maar om de delicate melange van journalistiek en entertainment. De talkshow-gastheer luistert, spreekt de grappen en aankondigingen van zijn tekstschrijvers uit en stelt vragen. Maar hebben zij naar wie de in vele landen verspreide - en ook in Nederland te ontvangen - praatprogramma's zijn genoemd, zèlf ook iets te vertellen?

Het antwoord is te vinden in drie onlangs verschenen boeken over het verschijnsel talkshow-gastheer: één behandelt de concurrentie tussen twee hunner, de twee andere zijn geschreven door talkshow-gastheren zelf. Domineeszoon Sir David Frost, de oudst-gediende van het gezelschap, ontwikkelde op Cambridge een voorliefde voor het toneel, de musical en het cabaret. Na zijn eindexamen bracht hij met een aantal studiegenoten sketches en komedies op de bühne en later op de beeldbuis, tot de BBC de groep eind 1962 de kans bood tot het maken van de roemruchte serie That Was The Week That Was (TW3). 'The first anti-personality on tv', zoals Frost door een recensent werd genoemd, was het middelpunt van een satirisch tv-programma, waarin absurde sketches werden afgewisseld met grappen over de kerk, het koningshuis en de politiek.

Mijlpaal

In het eerste deel van An Autobiography, dat hij in zijn inleiding 'tevens een autobiografie van de jaren zestig' noemt, beschrijft Frost de 37 afleveringen van TW3 - na een reeks van rellen door de BBC voortijdig van het scherm gehaald - als een mijlpaal: niet alleen in de Britse tv-geschiedenis (“De kunstmatige barrière tussen nieuws en komedie, journalistiek onderzoek en humor, was geslecht”), maar ook in de maatschappelijke verhoudingen: “We wantrouwden steeds meer de mensen die de macht uitoefenden, de geboren leiders die ouder waren dan wij en het altijd beter wisten.”

Toen Frost vervolgens een - aanzienlijk gematigder - Amerikaanse versie van TW3 maakte, keek hij veel naar het werk van collega's als Jack Paar, diens pas bij de Tonight Show begonnen opvolger Johnny Carson en Merv Griffin. Net als bij Frost vormde entertainment de voedingsbodem van hun talkshows, hij bewonderde hun improvisatietechniek maar wilde zich bij de keuze van zijn gasten niet net als zij beperken tot de obligate agenda van premières en nieuwe boeken. “Bij vraaggesprekken heb ik me altijd breed georiënteerd en het dagelijks nieuws altijd omhelsd in plaats van uitgebannen”, schrijft Frost in From Congregations to Audiences, dat dit najaar als pocket verscheen. Hij bepleitte in die tijd al om de intelligentie van het publiek niet te onderschatten en weersprak het in tv-kringen geldende dogma dat programma's over zaken die er toe doen per definitie lage kijkcijfers halen.

Voor zijn pogramma The Frost Report brengt hij het komisch talent dat later de kern zou vormen van 'Monty Python's Flying Circus' samen met Marty Feldman, Ronnie Barker en Ronnie Corbett. “We hekelden alles dat de Engelsen toen als vanzelfsprekend en aanvaard beschouwden.” Frost stelde daarbij zowel ouderwetse opvattingen als in die jaren welig tierende modieuze denkbeelden aan de kaak: “Als je allerlei geleerden en commentatoren letterlijk nam, dan zou je geloven dat er een nieuw Engeland uit de as verrees.”

Klassentegenstellingen leken halverwege de jaren zestig in Engeland plotseling te vervagen, contateert Frost: “Popsterren uit Liverpool waren te gast op hertogelijke kastelen, de hertog ging uit werken en deftige universiteiten verwelkomden arbeiderszonen.” Vaak ging het dus over macht, klasse en gezag. Hij liet in een 'Drie Klassen Sketch' John Cleese, Ronnie Barker en Ronnie Corbett respectievelijk de hogere klasse, de middenklasse en de lagere klasse uitbeelden. Frost en de zijnen beschouwden het verschijnsel misdaad als het perfecte voorbeeld van klasseonderscheid-in-actie:

“Misdaad werd gepleegd door de lagere klassen en bestraft door de hogere, en alle justitiële instrumenten waren gebaseerd op de noodzaak de lagere klassen hun plaats te leren kennen. (...) De hogere klassen hadden echtscheidingen, de lagere kregen vijf jaar voor bigamie. Als iemand uit een lagere klasse een ander tegen een muur volkomen in elkaar sloeg, was dat geweldpleging. Als iemand uit de hogere klasse dat deed, heette het The Eton Wall Game.” De in de jaren zestig bij vele Britten levende overtuiging dat de Engelse samenleving ingrijpend zou veranderen, vond Frost ook toen al een illusie.

Populair

Toch heeft Frost in zijn eigen sector, de televisie, belangrijke veranderingen van zeer nabij meegemaakt - en voor een deel ook zelf geëntameerd. In plaats van een medium dat dienstbaar was aan politiek, kerkelijk en overheidsgezag, deelde het dodelijke steken uit en riep het de autoriteiten ter verantwoording. Frost ontwikkelde zich tot de tv-gastheer bij uitstek, die gezagsdragers in verwarring bracht: hij was zo scherp en goed gedocumenteerd dat voor de reputatie van de gesprekspartner moest worden gevreesd (hij werd geregeld beschuldigd van 'trial by television'), maar van lieverlede tevens zo populair dat een uitnodiging om in een van zijn vele programma's te verschijnen niet zomaar kon worden afgewezen. Halverwege de jaren zestig staat hij aan de wieg van een tamelijk revolutionaire programmavorm: het betrekken van een geselecteerd publiek bij het vraaggesprek - waardoor steeds een aangescherpte afspiegeling van een maatschappelijk discours ontstond. Zijn programma's en de door hem behandelde onderwerpen worden in het boek minutieus beschreven en becommentarieerd, terwijl zijn persoonlijk leven er bekaaid van af komt. Waarschijnlijk was dat in werkelijkheid ook het geval, want in tijden dat hij zowel in Engeland als de VS een tv-show had, maakte hij als passagier vaak meer vlieguren dan een piloot is toegestaan. Tussen de bedrijven door is hij ook nog een van de oprichters van London Weekend Television. De uitvoerigheid waarmee Frost de vraaggesprekken van dertig jaar geleden citeert, wordt gerechtvaardigd doordat alles tezamen een interessante staalkaart vormt van de toenmalige politieke, sociale en culturele ontwikkelingen: de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 1968 (naar aanleiding waarvan hij alle kandidaten ondervroeg), dekolonisatie, racisme en vreemdelingenhaat, jongerencultuur, drugs en popmuziek, het feminisme, de anticonceptiepil, de ontkerkelijking en de veranderende gezagsverhoudingen.

De pionier van het confronterende vraaggesprek ontlokte vele prominenten opmerkelijke en de volgende dag prompt in de pers geciteerde uitspraken. Israels toenmalige minister van defensie Mosje Dayan bijvoorbeeld, over de opwindendheid van de oorlog van 1967 en de door hem precies geplande veroveringen alvorens de Veiligheidsraad er na zes dagen een - door de Israeli's gecalculeerd - eind aan zou maken. Hij voerde spraakmakende gesprekken met jaren-zestig-iconen als Ralph Nader, Jane Fonda, Mohammed Ali en Enoch Powell, de laatste uitspraken over vreemdelingenbeleid ontlokkend die in Nederland 25 jaar later exact zo zouden worden herhaald. Veelbesproken programma's waren ook die met oud-Hitler-Jugend-leider Baldur von Schirach, die de werkloosheidsbestrijding van het Derde Rijk prees en die met John Lennon en Yoko Ono waarin bio-energetische eigenschappen werden toegeschreven aan het slaan van een spijker in een plank.

Geloofsvragen

De bespiegelingen in zijn boek betreffen vooral geloofsvraagstukken (vaak legde hij zijn ondervraagden voor: “Gelooft u dat er een God is, of wéét u dat er een God is?” Voor Frost gold het eerste) en vragen over de betekenis van de jaren zestig. Hij zag aan het eind van dat decennium hoe de romantische, expressieve en emotionele vrijheidsidealen werden verruild voor een restrictieve, rationele en klassieke samenleving: “Aan het eind van de sixties was het front weliswaar iets opgeschoven, maar had het gezag alleen wat slagen verloren, niet de oorlog.” In 1969, als Frost in de VS een jaarcontract afsluit dat hem een basisinkomen verschaft van 350.000 dollar, spreekt hij voor het eerst met prins Charles, die hem vertelt dat hij vroeger achtereenvolgens zeeman, soldaat en jachtopziener wilde worden, “until I realised that I was... rather stuck”. De manier waarop de toen pas 20-jarige prins over het koningschap sprak, beschouwde Frost als een meesterlijk staaltje van British understatement.

Met zijn eenmans-conglomeraat, dat hij in de decennia daarna nog aanzienlijk heeft uitgebreid, toonde Frost aan dat door het presenteren een tv-show met jezelf als voornaamste handelsmerk, veel geld te verdienen valt. Johnny Carson, Frosts grote voorbeeld, heeft dat in de Verenigde Staten bewezen. Deze voormalige goochelaar en gameshow-presentator was vanaf 1962 drie decennia lang zowel gevreesd als gezaghebbend met zijn dagelijkse, 5 tot 7 minuten durende actuele conférence. De presentator beheerste het metier zo goed, dat het leek of alles hem vanzelfsprekend afging: zijn ultieme goocheltruc. In de jaren tachtig bracht de show NBC ruim honderd miljoen dollar op, en de presentator 5 miljoen plus de opbrengst van de eigendomsrechten die hij in 1980 verwierf. Toen in '91 de meeste inkomsten genererende aller talkshow-gastheren aankondigde het volgend seizoen met zijn Tonight Show te stoppen, brak bij de NBC-top paniek uit.

Marketing

Het ging met de Tonight Show, na jaren het populairste programma op dat tijdstip (11.30 uur) te zijn geweest, al niet goed meer. Carsons publiek vergrijsde en zijn show trok langzamerhand het soort mensen dat minder gemakkelijk van merk wisselt en dus voor adverteerders oninteressant is.

Televisie is marketing, zo leert The Late Shift, waarin Bill Carter, mediaverslaggever van de New York Times, gedetailleerd de opvolgingsstrijd beschrijft die na Carsons aankondiging tussen de voormalige stand-up comedians Jay Leno en David Letterman ontstond. Als meest logische opvolger gold aanvankelijk David Letterman, die sinds 1982 NBC's bij jongeren zeer populaire Late Night presenteerde. Maar tot zijn grote teleurstelling ging NBC's voorkeur uit naar Carsons voormalige permanente 'guest host', de eveneens uit het comedy-store-circuit afkomstige Jay Leno - ondanks een door NBC aan Letterman te betalen boete van 1 miljoen dollar als hij zijn droombaan niet zou krijgen.

In The Late Shift worden de machinaties achter de schermen van de networks NBC en CBS beschreven om de grote, publiekstrekkende talkshow-presentator binnen te halen voor het 'time slot' vanaf 11.30, dat na Carsons vertrek gaapt. Het grote probleem daarbij was echter, dat niemand wist wie van de twee straks De Grote Communicator zou zijn. Een poging van CBS om Leno, verwoed verzamelaar van oude motoren, te paaien met een zeldzame Triumph Bonneville motorfiets van 6.000 dollar, mislukte. Na tal van personele, financiële en persoonlijke verwikkelingen besloot NBC definitief in het voordeel van Leno, die zich, om een cruciale vergadering af te luisteren, zelfs in een kast verborg. Letterman liep de baan niet zozeer mis omdat hij minder talent had dan Leno, concludeert Carson, maar omdat hij in de ogen van de NBC-bazen te grillig en te recalcitrant was - juist die eigenschappen die hem bij het latere-avond-publiek zo populair maakten.

Letterman vertrok - na een mislukte poging het begeerde programma van Leno over te nemen - naar CBS en begon een show om 11.30, als directe concurrent van de inmiddels redelijk 'scorende' Leno. De pers had de opvolgingsstrijd op de voet gevolgd en voorspelde een Late-Night-Battle: maar de kijkcijfers van Leno kwamen al snel onder druk te staan, terwijl Letterman de brede kijkersmarkt aan zich bond: 23 miljoen per avond.

Zijn salaris liep snel op tot 14 miljoen dollar. David Letterman heeft voor zijn succes wel een prijs moeten betalen: hij verruilde zijn rol van enfant terrible voor die van de gevatste schoonzoon thuis. In allerijl schakelde NBC een media-adviesbureau in om Leno terug in de race te brengen. Jay zou meer substantiële gespreksonderwerpen moeten inbrengen, luidde de raad, meer van zijn persoonlijkheid bloot geven. Het bleef bij goede raad, schrijft Carter, want zijn opdrachtgevers werden ineens geconfronteerd met het onthutsende feit, dat je niet iemand kan vragen de eerste betekenisvolle gesprekken van zijn leven te voeren als hij niet eens een persoonlijkheid heeft.

Met How to Talk to Anyone, Anytime, Anywhere van CNN-gespreksleider Larry King, dat een jaar later verscheen, zou Jay Leno zijn voordeel dus niet hebben kunnen doen. King, thans behalve moderator van een tv-programma ook columnist en auteur van een reeks boeken, debuteerde in 1957 als Larry Zeiger bij een radiostation in Washington. Toch is lezing van het boek voor presentatoren met praatshow-ambities, evenals voor mensen die veel in het openbaar spreken, aan te bevelen. King doet de lezer tips aan de hand om tijdens interviews of spreekbeurten het ijs te breken, zenuwen onder controle te krijgen en van je zwakheden een deugd te maken. Daarnaast weet hij iets van de mystiek die hangt om het geslaagde vraaggesprek te verklaren: wat verschaft een televisiegesprek tussen twee mensen net die chemie, dat het meer wordt dan zouteloos of voorspelbaar.

Voor King moet eerlijkheid het uitgangspunt zijn voor iedere presentator. De enige 'oneerlijkheid' die hij zich in zijn loopbaan permitteerde, was het aannemen van een pseudoniem. Vlak voor zijn eerste uitzending vroeg de programmaleider hoe hij ging heten, want Zeiger vond hij te 'etnisch'. Het werd King omdat op dat moment het oog van de van zijn verbazing bekomen presentator viel op een advertentie van King's Wholesale Liquors. Bij zijn eerste televisieoptreden, drie jaar later, overwon hij zijn verlegenheid door de kijkers te melden dat hij wat nerveus was en voor het eerst op tv. Dat brak het ijs en tegelijkertijd nam hij de kijker voor zich in.

Openheid en interesse zijn voor de talkshow-gastheer van levensbelang. King onderstreept dat zelf in zijn uitzendingen door altijd belangstellend naar zijn gast voorover te buigen. “Laat je gasten over zichzelf vertellen”, raadt King aan. “Mensen praten over niets liever dan over zichzelf.” Kings instructies zijn gelardeerd met anekdotes uit de beroepspraktijk. Zoals de keer dat hij als spreker belandde op een mafiose bijeenkomst en hem aan het eind door zijn gastheer een wederdienst in het vooruitzicht werd gesteld met de vraag: “Got anybody you don't like?”

Vier criteria

King is van de vier hier behandelde beroepspraters met Frost meer journalist dan entertainer, bij Leno en Letterman is het omgekeerde het geval. Toch hebben bij de vier waarschijnlijk tientallen, zo niet honderden dezelfde gasten opgetreden. Talkshows verslijten een ontzaglijke hoeveelheid mensen, en degenen die iets zinnigs te melden hebben en dat bovendien gevat kunnen opdissen, worden het meest gevraagd. De ideale talkshowgast, heeft King ondervonden, voldoet aan vier criteria: een passie voor zijn werk, het vermogen dat werk helder uit te leggen en de kijker ervoor te interesseren, een bepaalde ergernis of strijdlustigheid en een gevoel voor humor met bij voorkeur een zeker zelf-relativeringsvermogen.

Letterman was de afgelopen week te zien als presentator van het jongste Oscar-gala en toonde met een hondjes-act dat ook talkshow-humor vaak zeer natie-gebonden is. Wie wel eens afstemt op NBC Superchannel weet dat Jay Leno zijn voormalige concurrent niet met dwarsigheid poogt te verslaan. King heeft dagelijks een vragenuur op CNN en op zondagmorgen is op BBC 1 David Frost te zien: van die twee kan, zo blijkt uit hun boeken, Frost met de meeste passie en relativeringsvermogen over zijn werk vertellen.