Een huiselijke Mohammed

WIM RAVEN: Leidraad voor het leven. De tradities van de profeet Mohammed

256 blz., Bulaaq/Kritak 1995, ƒ 39,90

Kan godsdienst ook aardig, vertederend, menselijk zijn? Niet op het eerste gezicht, zou je zeggen. De drie monotheïstische godsdiensten - judaïsme, christendom en islam - waren daar waarschijnlijk ook niet in de eerste plaats voor bedoeld. Het leek er vooral om te gaan de mensen een gedrag en moraal bij te brengen die ze van nature niet hadden meegekregen. Leuke, verleidelijke dingen werden verboden en lastige dingen verplicht gesteld. Om hen van het belang van de nieuwe voorschriften te doordringen werden de gelovigen gelokt en gedreigd met hemel en hel en geïmponeerd met rituelen, priesters en grote gebouwen. Die drie godsdiensten ontlopen elkaar in dit opzicht niet veel. De verschillen zitten hem ook niet zozeer in de moralistische lading van de respectieve openbaringen, maar meer in de uitwerking van de praktische details. In het jodendom waren het generaties van rabbijnen die Gods bedoelingen nader uitwerkten. In de vijf boeken van Mozes, de thora, spoorden ze 613 ge- en verboden op. Die catalogiseerden ze, voorzagen ze van commentaar en brachten ze onder in een systeem van wetboeken, de talmud, waarin het leven wordt geregeld van de wieg tot het graf.

Het christendom pakte het anders aan. Al vroeg zag het zichzelf vooral als brenger van een heilsboodschap en maakte het onderscheid tussen wat wereldlijk was en wat sacraal. Indachtig een uitspraak die aan Christus werd toegeschreven - de keizer diende te krijgen wat des keizers was en God wat tot het domein van de godsdienst behoorde - liet het christendom het domein van de wetgeving voor wat het was en trok zich terug in de meer esotherische sfeer van wijsbegeerte en theologie.

Koran

De islam volgde meer het spoor van het jodendom. De profeet Mohammed was zowel de 'laatste der profeten', die Gods woord in een laatste en niet-gecorrumpeerde versie had overgebracht en vastgelegd in de Koran, als veldheer en staatsman. Er was geen sprake van een scheiding van kerk en staat. Integendeel, de islam was geloof en staat in één.

In de tijd van de profeet (570-632) was dat niet zo'n probleem. Mohammed zelf was leider, rechter en voorbeeld. Zijn territorium en het aantal gelovigen waren te overzien. Onder Mohammeds opvolgers, de kaliefen, namen de omvang van het rijk en van het aantal gelovigen echter explosief toe en daarmee de behoefte aan uniformiteit van de rechtspraktijk. De primaire bron daarvoor was uiteraard de Koran. Maar omdat dit boek slechts op een beperkt aantal plaatsen juridische details of praktische aanwijzingen geeft, groeide de behoefte aan een nadere uitleg.

Die werd uiteindelijk gevonden in de overlevering van uitspraken en daden van het grote voorbeeld, Mohammed zelf. Rond 720, een kleine honderd jaar na het overlijden van de profeet, begon de literatuur van deze hadith (overlevering, traditie) te groeien. Uiteindelijk zouden er honderdduizenden bekend worden. Met de Koran samen werden zij de belangrijkste bron waarop de vier rechtsscholen die de islam kent, zich baseert. Godsdienstwetenschappers zijn het erover eens dat, waar de hadith vaak moest dienen om zekere rechtspraktijken te legitimeren, heel veel overgeleverde tradities waarschijnlijk authenticiteit missen, en achteraf zijn bedacht en geconstrueerd. De islamitische rechtsgeleerden waren zich van dit risico eveneens bewust en legden daarom criteria aan om de echtheid vast te stellen. Een daarvan was dat herkomst van de overlevering te traceren moest zijn. Een hadith bestaat daarom uit twee delen. Eerst komt een inleiding waarin de herkomst wordt herleid (Hassan vertelt dat hij van Abdallah heeft gehoord, die het weer van Mustafa heeft, die het heeft van die en die metgezel van de profeet), daarna volgt pas de eigenlijke tekst.

Uiteindelijk ontstonden bloemlezingen waarin het kaf zoveel mogelijk was gescheiden van het koren en waarin de tradities naar onderwerp waren gerangschikt. Twee toonaangevende bloemlezingen in de islamitische literatuur zijn die van Bukhari (Abu Abdallah Muhammad ibn Ismail Bukhari, 810-870) en Muslim (Abu al Hussein Muslim ibn al-Hajjaj, die leefde van 817 of 821 tot 875).

Juweeltjes

Wim Raven, islamoloog aan de VU, gebruikte de verzamelingen van Bukhari en Muslim als 'grondstof' voor een eigen bloemlezing onder de titel Leidraad voor het leven.

Van de ruim 6.000 tradities die Bukhari en Muslim bevatten, vertaalde hij er 823, gegroepeerd rondom belangrijke thema's, zoals geloof, reinheid, gebed, dood en begrafenis, aalmoezen, de bedevaart naar Mekka, de vasten, de jihad, huwelijk en geslachtsverkeer, economie, erfrecht, straffen, eten en drinken, zeden en gewoonten, geneeskunst, droomuitleg en 'laatste dingen'.

Het resultaat, de eerste bloemlezing van in het Nederlands vertaalde tradities van Mohammed, mag er zijn. De vertaling leest vlot. Raven bewees wat dit betreft zijn kunnen trouwens al eerder met een vertaling van het eveneens vooral op de hadith gebaseerde Leven van Mohammed van Ibn Ishaq (Meulenhoff, 1980).

Veel tradities zijn juweeltjes door de wijze waarop zij in weinig woorden situaties schetsen, soms aangevuld met een grap. Verrassend voor de niet-ingewijden, is het vaak uiterst huiselijke karakter. Het gaat niet om boodschappen met een hoofdletter, maar om antwoorden op concrete situaties. De profeet is geen geschoolde zielzorger, maar primus inter pares van een kleine gemeenschap gelijkgestemden. Hij reageert op vragen over wat voor soort contact een man met zijn vrouw mag hebben als ze menstrueert, over hoe vaak je je handen moet wassen en wanneer. Er wordt over hem verteld hoeveel keer hij placht te buigen tijdens het gebed of wat hij deed toen een baby op zijn schoot had geplast. Er worden hem fraaie citaten in de mond gelegd. Zoals de volgende: “Niemand die het gewicht van een mosterdzaadje geloof in zijn hart heeft zal naar de hel gaan. Niemand die het gewicht van een mosterdzaadje hovaardij in zijn hart heeft zal naar het paradijs gaan.”

Leidraad voor het leven biedt een doorkijkje naar onvermoed menselijke kanten van de officiële islam. Het doet ook niet meer dan dat. Het gaat uiteindelijk om een bloemlezing van niet meer dan enkele honderden tradities uit een totaal van vele duizenden, zoals Raven ook in zijn heldere inleiding vermeldt. Leuk om te lezen, interessant als tijdsbeeld, vertederend zelfs. Hoe deze bouwstenen later zijn ingepast in een streng juridisch bouwsel, dat is weer een heel ander verhaal.