De grote winst van Koks kleine stappen in Europa

Nederland moet in zijn Europese politiek niet 'aanschurken' tegen de Frans-Duitse as, waarschuwde VVD-leider Bolkestein onlangs. Dat is volgens Ben Knapen een prikkelend, maar vreemd pleidooi. Veel speelruimte heeft Nederland niet, de belangen liggen dichtbij huis en het duo Kok-Van Mierlo blijkt dat te beseffen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de herwaardering van bilaterale diplomatie.

De meest verrassende kant van Wim Kok als premier is waarschijnlijk zijn buitenlands beleid. De vroegere Nijenrode-student, vakbondsleider en minister van financiën heeft zich nooit ontpopt als een liefhebber van het gezelschapsspel dat de kleine buitenlands-politieke elite in Den Haag en omgeving bezighoudt. Hij frequenteerde Clingendael niet, onthield zich van theoretische bespiegelingen over grenzen en mogelijkheden van buitenlandse politiek. Maar intussen creëert hij als minister-president kleine, nieuwe feiten. Bovenal zet hij - in kennelijke harmonie met minister Van Mierlo - de toon.

Het gaat om kleinigheden, maar dat is in de internationale betrekkingen meestal het geval, zolang men althans geen oorlog voert. Zo gold zijn eerste buitenlandse bezoek België, met een doorloper naar Luxemburg. Hij bezocht de Franse president en de Duitse bondskanselier en vervolgens de Vlaamse en Waalse deelregering. De Schelde-kwestie werd uit de wereld geholpen en er is uitzicht op een aanvaardbaar tracé voor de hoge-snelheidstrein. Waarschijnlijk nog vóór de zomer is er een onderonsje in het Catshuis met de Belgische en Luxemburgse premier - gewoon om wat standpunten aan de vooravond van de grote EU-conferentie (Maastricht II) te toetsen.

Nederlandse belangen liggen dichtbij huis en Kok houdt zich daaraan. Een groot en meeslepend concept is dat niet, maar na alle verwarring over supranationale versus intergouvernementele standpunten, Atlantici versus Europeanen, en wat dies meer zij, is dit type kleine stappen grote winst. Want alleen zo houdt Den Haag de vinger aan de pols en voorkomt het verblindende verliefdheid op eigen modellen.

Natuurlijk liggen aan dit gedragspatroon een aantal veronderstellingen ten grondslag. In elk geval zijn door de schade en schande van misgelopen EU-bureaus en EU-functies en het falende Nederlandse Euro-voorstel (Zwarte Maandag) een paar lessen geleerd. De eerste les is dat Nederland zich niet kan opwerpen als belangenbehartiger van de kleine EU-landen. Zo'n kleine-landen-vereniging bestaat niet en een voorzitter daarvan wordt dus ook niet gezocht. Anders kon men aan de vooravond van de Intergouvernementele Conferentie beter een Scandilux-achtige conferentie in Den Haag bijeenroepen, aangevuld met Oostenrijk, Portugal en Griekenland. Dat gebeurt niet en het zou ook potsierlijk zijn.

De tweede conclusie is dat Nederland zich via Kok en Van Mierlo neerlegt bij de werkelijkheid in de Europese Unie, volgens welke de rollen van Duitsland en Frankrijk bepalend zijn voor het verloop der dingen.

De derde conclusie zou kunnen zijn dat consultaties met België en Luxemburg - hoe moeizaam ook - de invloed op Frankrijk en Duitsland kunnen vergroten. Nederland alleen redt dat niet, want de status van middelgroot oprichtingsland van de Europese Unie is er een, die allang niet meer het gewicht van weleer in de schaal legt.

Een vierde conclusie is dat er eindelijk weer wat oog is voor het door Nederland zo lang verwaarloosde bilateralisme. Goede verstandhouding met andere lidstaten, persoonlijke contacten en een gevoel voor give-and-take zijn essentieel aan de Europese onderhandelingstafel, waar de federale bovenbouw deels ontbreekt en lange tijd zal blijven ontbreken.

Spectaculair zijn de kleine stapjes van het Nederlandse kabinet op zichzelf misschien niet, maar alles bij elkaar telt het op tot zoiets als een heroriëntatie.

Voor zover de zogenoemde herijking niet ordinair om een miljard meer of minder voor Economische Zaken, Ontwikkelingssamenwerking dan wel Defensie gaat, loopt die herijking dus achter de heroriëntatie aan. In grote lijnen gaat dat in de Nederlandse politiek ook zonder slag of stoot. Zo groot is de speelruimte van Nederland nu eenmaal niet en politici schikken zich naar de veranderde werkelijkheid.

De enige die hierop een uitzondering maakt is VVD-leider Bolkestein (NRC Handelsblad, 25 februari). Op één punt heeft hij groot gelijk: hij attendeert op de grote netto bijdrage die Nederland levert aan de Europese Unie. Een netto bijdrage van 25 miljard gulden de komende vijf jaar is inderdaad veel geld - genoeg voor een paar ondergrondse Betuwelijnen bijvoorbeeld.

De angstvalligheid van Buitenlandse Zaken om zo'n thema aan de orde te stellen, duidt dan ook eerder op een ouderwetse federale harmonie-reflex dan op een goed gevoel voor de verhoudingen. Een land dat zoveel extra betaalt, mag vragen waar het geld blijft, c.q. proberen de kosten te drukken. Alle andere lidstaten zouden precies zo handelen c.q. hebben dat in het verleden gedemonstreerd. Op zichzelf is daaraan niets anti-Europees, ook al kan het dat in enkele gevallen wel worden. Belastingbetalers moeten weten waar hun geld blijft en wat ermee wordt gedaan. Daar komt bij - en Nederlanders verdringen dat feit graag - dat Nederland al enige tijd niet meer tot de rijke kopgroep van de Europese Unie behoort, maar een middenmoter is geworden. Dan mag een kritische vraag naar de netto-netto-positie van Nederland gerust worden gesteld.

Voor de rest heeft Bolkestein een even prikkelende als vreemde kijk op de dingen. Zo kritiseert hij het, wat hij noemt, “aanschurken van Nederland bij een Frans-Duitse as”. Het woord 'aanschurken' verraadt wrevel. Aanschurken is namelijk nooit goed. Anderzijds valt moeilijk te loochenen dat elke beweging in de Europese Unie slechts mogelijk is wanneer Duitsland en Frankrijk het eens zijn. Duitsland telt omdat het een overheersende economische macht in de Unie is (een bruto binnenlands produkt zo groot als dat van Frankrijk en Groot-Brittannië samen) en Frankrijk telt, omdat het ondanks alles de politieke legitimatie van handelen verschaft.

De samenwerking tussen Frankrijk en Duitsland is niet vanzelfsprekend. Het CDU-document voor een kern-Europa van vorig jaar september laat haarfijn de onenigheid zien: Duitsland stelt zich de Europese integratie als een vergroot federaal stelsel à la Duitsland voor. Frankrijk accepteert geen ondermijning van de nation politique. Toch komt er volgend jaar een of ander compromis voor uitbreiding en verdieping, dat wederom tussen Bonn en Parijs zal worden gemaakt. Wie daarop invloed wil uitoefenen, zal de geschikte partners moeten zoeken. Zo'n partner is Londen helaas nooit geworden. Consultatie in de Benelux is derhalve helemaal zo gek nog niet, hoe bescheiden de verwachtingen ook mogen zijn.

Bolkestein daarentegen verlangt een grotere aandacht voor de banden met het Verenigd Koninkrijk. Daarvoor kan men in psychologische zin slechts sympathie opbrengen, maar het is politiek en economisch een beetje wereldvreemd. In politiek opzicht speelt Groot-Brittannië nu al vele jaren een negatieve dan wel remmende rol in de Europese Unie. Nog even afgezien van de wellicht tijdelijke machteloosheid en anti-Europese verwarring in het Britse regeringskamp valt van Londen voor Nederland weinig te verwachten. De trieste realiteit is dat Groot-Brittannië nu al decennia lang mokkend, met vertraging en tegen hoge kosten uiteindelijk het Europese vasteland volgt. Bij gebrek aan een serieus alternatief en aan macht om buiten de Europese Unie te functioneren.

De keuze voor Groot-Brittannië komt voort uit het idee dat de Europese Unie niet méér hoeft te zijn dan een vrijhandelszone. Binnen die zone komen naties op voor hun nationaal belang. Dit is een aangename, overzichtelijk-liberale kijk op de wereld, maar in werkelijkheid is vrijhandel geen uitkomst van constructief laisser-faire. Vrijhandel moet elke dag opnieuw door instellingen, bureaucratieën en regeringen worden gemaakt, het is een artefact.

De duizenden regels in Brussel voor de harmonisatie van produkten - het suikergehalte van bier, de telefoonstekker, het soja-eiwit in worst - komen voort uit de behoefte aan vrijhandel. De fusiecodes, de kartelwetgeving, de aanbestedingsprocedures, de subsidiecontroles, de diplomavergelijking - het zijn evenzovele projecten die de politieke generalist doen geeuwen, maar die voor het functioneren van een vrije markt voor mensen, goederen en diensten essentieel zijn. Dat gaat moeizaam, vooral omdat allerlei nationale culturen met elkaar in botsing komen - het corporatief ingestelde Duitsland, het etatistische Frankrijk, het cliëntelistische Italië, het weinig gereguleerde Engeland, enzovoorts, enzovoorts. Men kan zelfs de vraag stellen of dit type harmonisatie aantrekkelijk is en misschien moet het antwoord dan wel ontkennend zijn. Alleen is die vraag niet zo relevant meer want een vrije markt en een behoorlijke schaalgrootte maken zulke afstemmingen voortdurend noodzakelijk. De soevereiniteit van Unielanden met een behoorlijk niveau van vrije markt is dan ook beperkter dan het vocabulaire van Bolkestein suggereert.

Iets vergelijkbaars doet zich voor met Bolkestein en de Europese monetaire unie, de EMU. Bolkestein is daar eigenlijk op tegen, maar omdat dat wat al te boud is, redt hij zich eruit met de constatering dat een monetaire unie er niet zal komen. Misschien heeft hij het gelijk aan zijn zijde, maar als zo'n Europese munt er nu eens wèl komt - zoals een paar verdwaalde Europeanen (Kohl, Chirac, Balladur, Schäuble) nog altijd beweren - kan de Nederlandse kiezer die tegen de EMU is dan met zijn stem bij Bolkestein terecht of niet?

Bolkestein heeft curieus genoeg weer geen moeite met bestendiging van de huidige situatie, waarin Nederland tot de D-mark-zone behoort. Dat betekent echter een nogal eenzijdig opgeven van de nationale soevereiniteit. Dat gaat bijvoorbeeld als volgt: Duitse vakbonden eisen en krijgen loonsverhogingen die royaal boven de inflatie plus produktiviteitsstijging uitgaan (op dit moment overigens niet denkbeeldig), Nederland doet braaf aan loonmatiging. Dan zal de Duitse Bundesbank toch haar rentetarieven verhogen. De Nederlandsche Bank heeft daarop geen invloed en zo betaalt de Nederlandse burger dus mee. (In zoverre is het misschien inderdaad niet zo gek wanneer de oud-vakbondsman Kok eens “aanschurkt” bij zijn Duitse oud-collega's - maar dat bedoelt Bolkestein waarschijnlijk ook weer niet.)

Op zichzelf is daarmee te leven, maar dan moet het héle verhaal worden verteld, inclusief de groeiende afhankelijkheid die het schept jegens Duitse binnenlandse politiek en inclusief de verdere afstand die het schept jegens Brits beleid.

Nu blijft het een feit dat Nederland in een D-markzone op papier altijd nog zou kunnen afwijken van de Duitse valutakoers. In maart 1983 heeft Nederland dat voor het laatst gedaan en het heeft daarvoor vervolgens betaald met een jaren durende hogere rente - simpelweg om het vertrouwen van de markt terug te verdienen. Dat heeft miljarden guldens gekost, sommige bankiers schatten het bedrag boven de tien miljard. Dat is dus de prijs voor een druppeltje monetaire soevereiniteit en daarom is het goed zich in deze hele discussie eens af te vragen hoeveel soevereiniteit een land als Nederland nou eigenlijk heeft. Of liever, wat men ervoor over heeft.

Ten slotte nog iets: monetaire onafhankelijkheid ondermijnt een vrije markt, ja, komt er op den duur mee in botsing. De waardevermindering van de Franse franc en meer nog van de peseta en de lire betekenen in de dagelijkse praktijk natuurlijk ook een ordinaire vorm van concurrentievervalsing.

Dit alles betekent niet dat een Europese munt niet ook een prijs heeft. Dat heeft de euromunt zeker, want het vergt een discipline van nationale overheden die in tijden van sociale onrust straks nog maar zal moeten blijken. Hoeveel kan een Franse minister van verkeer zich straks aan EMU-discipline gelegen laten liggen, wanneer bijvoorbeeld vervoersbonden het land plat leggen en onrust moet worden afgekocht?

In zoverre biedt de D-mark-zone vooralsnog meer zekerheid, al staat het haaks op een integratie via het gezamenlijk inleveren van stukjes soevereiniteit, haaks dus ook op een publieke legitimatie ervan. Vandaar dat Duitsland en Frankrijk op het ogenblik gewoon verder werken aan de monetaire unie.

Resteert de spraakverwarring over het nationaal belang. Waarom zou een land als Nederland dat bijvoorbeeld in een kern-Europa niet kunnen behartigen? Op kleine schaal valt zelfs in Nederland wekelijks te bezichtigen hoe een stad, streek of provincie zijn belang behartigt. Dat is een kwestie van inzet, argumentatie en contacten.

Premier Kok lijkt daarmee bezig. Terwijl Bolkestein filosofeert en debatteert, stuurt Kok een bepaalde kant op. Deze feitelijke heroriëntatie maakt van de exercitie genaamd 'herijking' hetzij een academisch nummer hetzij een departementale strijd om middelen. Het eerste is onschuldig en het laatste in elk geval vertrouwd en overzichtelijk.