De Groningse hutten en high tech kantoren van architect Gunnar Daan

Tentoonstelling: Gunnar Daan. T/m 16 april in Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam. Geopend: di t/m za 10-17 uur, zo 11-17 uur. Prijs boek (Uitg. 010) ƒ 59,90

Lange tijd is 'eclecticisme' vooral als scheldwoord gebruikt. Het stond voor het gemakzuchtige grasduinen in de architectuurgeschiedenis, waaraan postmodernisten - nog zo'n scheldwoord in Nederland - zich schuldig maakten. Maar nu wordt het werk van Gunnar Daan (1939), waaraan een kleine tentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut is gewijd, zonder spoor van kwaadaardigheid 'hedendaags eclecticisme' genoemd. “Een benaming die vooral recht doet aan de veelsporigheid van de 'taal' waarin zijn oeuvre is geformuleerd”, schrijft Bernard Colenbrander in het boek over het werk van de Groningse architect. En alsof dit nog niet genoeg is wordt Daan ook nog betiteld als 'hedendaags traditionalist'. Daan is, zo zou het boek kunnen worden samengevat, een 'eclectisch traditionalist', die in het noorden van het land, ver weg van al het randstadkabaal, een oeuvre tot stand bracht.

De tentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut laat zien dat dit nog helemaal niet zo'n gekke benaming is voor Daan. 'Eclectisch' is zijn werk inderdaad: de tekeningen en foto's van zijn gebouwen, bevestigd op een soort lessenaars met onderstellen van afwisselend natuursteen, hout, golfplaat en staal, tonen verscheidenheid. Zijn havenkantoor in Groningen is met zijn ronde vorm, metalen gevelbekleding en zonnekleppen een combinatie van high tech en Amsterdamse school, maar zijn huis Talsma in Groningen lijkt weer op een grote, luxueus uitgevoerde boerenschuur. Een atelierwoning in Langezwaag gaf hij de vorm van een ronde hut en zijn uitbreiding van het Fries Museum is met de grote uitgesneden driehoek in de gevel plechtig en monumentaal. Ook het materiaal waarmee Daan bouwt, loopt uiteen: de ene keer overheerst het hout, de andere keer golfplaat, natuursteen, glas of baksteen.

Aan een wand hangen tekeningen van Daan, die waarschijnlijk duidelijk moeten maken door welke architectuur hij zich laat inspireren: een oude Griekse tempel in Selinunte op Sicilië, de Tempietto van Bramante in Rome en gebouwen van Palladio. Maar Daan vindt niet alleen hoogtepunten uit de architectuurgeschiedenis goed genoeg om te schetsen. De tekening van Roordahuizen laat zien dat hij niet alleen eclecticus en traditionalist is, maar ook regionalist, die met zijn werk aansluit op de plaatselijke, in dit geval Noordnederlandse, architectuur.

Daan is een architect die eerst begon te bouwen, en zich pas later met theorieën ging bezighouden, aldus het artikel in het boek. “Daan ontdekte onbewust, in al zijn gecultiveerde ongeletterdheid, Aldo Rossi, hij gaf, zonder ooit van zijn theorieën kennis te hebben genomen, een bijrol aan Christian Norberg Schulz en ontdekte op het laatst, en nu wèl eens bij het volle bewustzijn, het gedachtengoed van Robert Venturi.” Verder worden nog de namen van Vitruvius, Palladio, Van Eyck, Laugier en Berghoef genoemd: het zijn niet de minste namen waarmee het werk van Daan in verband wordt gebracht. Dat heeft iets ergerlijks. Het is alsof Daans werk gerechtvaardigd moet worden met al die grote namen, alsof het niet op eigen benen kan staan. En misschien is dit ook het geval, zo laat de tentoonstelling zien. Zo zijn onder de doorzichtige tekeningen van het woonhuis Talsma een foto van Palladio's Villa Bentrano gelegd. Wie alleen het wat saaie Groningse huis ziet, zou nooit op het idee zijn gekomen om een verband te leggen met Palladio's ontwerp, maar nu moet de bezoeker gaan denken dat Daan zich kan meten met de beroemde renaissance-architect. Soms komt Daan daarbij inderdaad in de buurt, zoals met zijn Botenhuis De Hunze in Groningen, maar vaak ook niet. Dan zijn zijn gebouwen zo gewoon, keurig en bescheiden, zo 'regionalistisch' kortom, dat ze niet opvallen in de al dan niet Groningse omgeving.