De dans rondom de gouden standaard

JOH. DE VRIES: Geschiedenis van De Nederlandsche Bank. Vijfde deel. De Nedrlandsche Bank 1914 tot 1948. Trips tijdvak 1931-1948 onderbroken door de Tweede Wereldoorlog.

564 blz., geïll., De Nederlandsche Bank NV 1994, ƒ 120.-

“Het is maar hoe men de argumenten verdraait”, schreef Trip in 1934 in de kantlijn van een door Holtrop geschreven artikel. Laatstgenoemde besprak daarin of aan devaluatie van de gulden, op dat moment in feite neerkomend op het loslaten van de gouden standaard, morele aspecten waren verbonden. Trip was van 1931 tot 1941 en van 1945 tot 1946 president van De Nederlandsche Bank. Holtrop was dat als zijn directe opvolger in de periode 1946 tot 1967. Het plaatst de opmerking van Trip in een opmerkelijk perspectief. In zijn artikel kwam Holtrop tot de conclusie dat aan de devaluatie nauwelijks morele aspecten waren verbonden. Hij wilde de discussie over al of niet devalueren beperken tot wat hij noemde de strikt zakelijke argumenten. Trip was het (tot op het emotionele) met die conclusie oneens.

Die emoties waren ook voelbaar in de onder zijn verantwoordelijkheid in de jaren dertig verschenen jaarverslagen van De Nederlandsche Bank. Dat is in zoverre verrassend daar Trip een wat afstandelijk karakter had. Ironie en humor waren hem, zegt De Vries, niet vreemd. Het is ook verrassend omdat hij al in 1938, in een gesprek met de Amerikaanse consul-generaal te Amsterdam, aangaf dat Nederland er bij nader inzien verstandiger aan had gedaan de koersdaling van het Engelse pond (in 1931) en van de Amerikaanse dollar (in 1933) te volgen.

De benoeming van Trip tot president van De Nederlandsche Bank was niet onomstreden. Vooral het feit dat hij rooms-katholiek was, pleitte niet in zijn voordeel. Met Trip kreeg De Nederlandsche Bank een president aan het bewind die qua karakter sterk verschilde van zijn voorganger Vissering. Zeker met terugwerkende kracht kende Trip aarzelingen over zijn standpunt over het devaluatievraagstuk. Daarvan was bij Vissering (van 1912 tot 1931 president) geen sprake. Vissering was, om het voorzichtig te zeggen, nogal van zijn gelijk overtuigd.

Het duidelijkst blijkt dat uit zijn reactie op de devaluatie van het Engelse pond in september 1931. Het leverde de Bank een aanzienlijk verlies op (ƒ 30 miljoen), een verlies dat bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nog niet geheel was goedgemaakt. Vissering zag in het geleden verlies op het pondenbezit echter geen aanleiding eigener beweging zijn ontslag in te dienen. Prof. A.M. de Jong, voorganger van De Vries als geschiedschrijver van De Nederlandsche Bank, houdt het erop dat de gezondheid van Vissering hem tot aftreden noopte. De Vries is duidelijker: Vissering werd in 1931 ontslagen.

Onvrede

Trip was een verklaard voorstander van handhaving van de gouden standaard. Die voorkeur ging zover dat hij in 1933 aftrad als curator van het Nederlandsch Economisch Instituut, uit onvrede over het feit dat de Rotterdamse hoogleraar G.M. Verrijn Stuart, tevens directeur-secretaris van dat instituut, zich voorstander van devaluatie betoonde. Ook Holtrop behoorde tot de voorstanders van devaluatie. Niets demonstreert beter, zegt De Vries, de afstand tussen de oude en jonge generatie monetaire denkers. Dat moge waar zijn, maar dat heeft niet zozeer te maken met de verschillen tussen de standpunten van Trip en Holtrop over het devaluatievraagstuk. Beiden hadden een voorkeur voor een stelsel van vaste wisselkoersen. Beiden ook hebben hun beleid mede afgestemd op het realiseren van die doelstelling. Dat Holtrop wel slaagde in zijn streven, en Trip niet, heeft veeleer te maken met de wisselende economische omstandigheden waarin beiden hun beleid moesten voeren.

Evenmin geldt dat zij een verschillende visie hadden op de plaats die De Nederlandsche Bank in de Nederlandse samenleving diende in te nemen. Na de Tweede Wereldoorlog, in 1947, waren Trip en Holtrop betrokken bij de voorbereiding van de Bankwet 1948 en de Naastingswet 1948. De Vries memoreert een dialoog tussen Trip, inmiddels commissaris bij De Nederlandsche Bank (hij zou in maart 1947 overlijden), en Holtrop, dan al president van De Nederlandsche Bank. Trip is tegenstander, Holtrop voorstander van naasting van de aandelen van De Nederlandsche Bank. Dat heeft niets te maken met uiteenlopende visies op de meest wenselijke positie van de Bank. Trip is bezorgd dat de voorgestelde wettelijke regeling de Bank slechts tot uitvoerder van de door de regering gevoerde monetaire politiek zal maken. Hij achtte dat een hoogst ongewenste situatie. Het was juist om redenen van onafhankelijkheid dat Trip in de jaren dertig voorstander was van handhaving van de gouden standaard. Die standaard garandeerde een ruime mate van beleidsvrijheid voor de Bank. Na 1936, het jaar waarin Nederland de gouden standaard verliet, was het met die vrijheid gedaan. Trip heeft dat altijd, uit overwegingen van algemeen belang, betreurd. Naar zijn vaste overtuiging was dat algemeen belang gediend met een zo onafhankelijk mogelijke positie van de centrale bank. Daarin verschilde hij niet van mening met Holtrop.

Lieftinck

Dat Trip weinig vertrouwen had in de voorgestelde wettelijke regeling van de positie van De Nederlandsche Bank vloeide mede voort uit een conflict dat zich in 1945 voordeed tussen Lieftinck, op dat moment minister van financiën, en Trip, terug in zijn functie als president van de Bank. Lieftinck - hij behoorde tot de voorstanders van ordening - bezat duidelijk gevormde denkbeelden over de verhouding van de regering tot de centrale bank. Hij moet van het standpunt van Trip op de hoogte zijn geweest. Het was een Lieftinck onwelgevallig standpunt. Bij De Vries valt tussen de regels door te lezen dat Lieftinck een conflict met Trip zocht om hem tot aftreden te dwingen. Dat lukte, want op 19 juli 1945 diende Trip zijn ontslag in. Uiteindelijk zou hij tot 1 mei 1946 in functie blijven.

De Vries bezit de voor een historicus noodzakelijke eigenschappen. Hij kan schrijven (hij schrijft zelfs uitgesproken helder), hij maakt ontwikkelingen op lange termijn zichtbaar en hij oordeelt met afstandelijkheid. Vooral gezien dat laatste is het opmerkelijk dat hij in zijn beschrijving van het conflict tussen Lieftinck en Trip fel uithaalt naar Lieftinck. De ambtstermijn van Trip zou in oktober 1945 verstrijken. In augustus van dat jaar maakte Trip duidelijk niet voor een herbenoeming in aanmerking te willen komen. Daaraan lagen zakelijke en persoonlijke redenen (hij was bijna 69 jaar) ten grondslag. Alleen wanneer het belang van de Bank en het landsbelang - in die volgorde, zegt De Vries - dat noodzakelijk maakten was hij bereid van zijn voornemen tot aftreden terug te komen. Gezien de problemen waarmee de Nederlandse economie worstelde kon Lieftinck moeilijk anders dan Trip verzoeken langer in dienst te blijven. De manier waarop dat verzoek werd geformuleerd getuigt, om het netjes te zeggen, van weinig waardering voor de kwaliteiten van Trip. De Vries spreekt zelfs van een larmoyant betoog. Het moet Trip diep gegriefd hebben.

Uit een oogpunt van monetaire politiek is de geschiedenis van De Nederlandsche Bank tijdens de oorlogsjaren een weinig interessante periode. Dat Nederland na 1945 besloot De Nederlandsche Bank te nationaliseren was de uitkomst van een discussie die al in 1937, met de instelling van een Staatscommissie, was begonnen. De nationalisatie heeft de zozeer door Trip gewenste beleidsvrijheid niet in de weg gestaan. Integendeel, die vrijheid werd geïnstitutionaliseerd. De geïnteresseerde buitenstaander blijft met één vraag zitten: past een dergelijke onafhankelijke positie van de centrale bank in een democratie die zich volwassen noemt?