De boer zoekt nieuwe wegen

RUDOLF VAN BROEKHUIZEN en HENK RENTING (red.): Pioniers op het platteland. Boeren en tuinders op zoek naar nieuwe overlevingsmogelijkheden

156 blz., CLO Pers 1994, ƒ 29,50

Nederlandse boeren en tuinders hebben het niet gemakkelijk: de landbouwsubsidies worden lager, buitenlandse markten vallen weg, de prijzen dalen terwijl de kosten stijgen en bij het grote publiek heeft de bedrijfstak een slecht imago. Om dat op te krikken moeten boeren meer aandacht gaan besteden aan milieu, natuur en landschap, aan het welzijn van hun dieren en aan de kwaliteit van hun produkten.

Het besef dat het roer om moet, begint bij boeren, landbouworganisaties en overheid door te dringen. De uitgelekte Prioriteitennota van landbouwminister Van Aartsen getuigt daarvan. Hij kiest voor inventieve, vernieuwende ondernemers die zich zonder (veel) marktbescherming staande kunnen houden. Wie niet kan of wil vernieuwen zal afvallen en gebruik moeten maken van wat Van Aartsen 'het vigerende sociale beleid' noemt.

Wat Van Aartsen precies onder vernieuwende ondernemers verstaat is echter niet duidelijk. Zijn ministerie had daarbij altijd grote, gespecialiseerde bedrijven voor ogen die gebruik maken van de modernste technologieën. Alleen zij zouden goedkoop kunnen produceren en de vereiste milieu-investeringen kunnen opbrengen. Recent onderzoek van Wageningse landbouwsociologen heeft echter laten zien dat boeren en tuinders ook op andere manieren een levensvatbaar bedrijf kunnen opbouwen. In de moderne landbouw was de boer een steeds kleiner schakeltje geworden in een lange produktieketen. Hij kocht veel grondstoffen in, van (kracht)voer tot sperma, en zette die om in halffabrikaten die de agro-industrie verwerkt tot eindprodukten. Het Nederlandse agro-complex was daarin zeer succesvol: er kwamen in recordtempo enorme hoeveelheden voedsel beschikbaar tegen lage prijzen; Nederland werd na de Verenigde Staten 's werelds grootste voedselexporteur. Maar nu dreigt de landbouw aan zijn eigen succes ten onder te gaan wegens de overschotten, de uit de hand gelopen landbouwsubsidies, de aantasting van milieu, natuur en landschap, en de dumping van landbouwprodukten op de wereldmarkt waar de boeren in de Derde Wereld de dupe van worden.

Uit het Wageningse onderzoek blijkt dat veel agrariërs manieren van boeren (bedrijfsstijlen) ontwikkeld hebben zònder deze nadelen. Ze doen bijvoorbeeld weer meer zelf, kopen minder in of besteden minder uit. Zo halen ze uit een geringer produktievolume een hoger inkomen. Ze ontwikkelen neventakken zoals natuur- en landschapsbeheer en agrotoerisme. Of ze richten zich op kwaliteitsprodukten als biologische groenten en kwaliteitsvlees of streekgebonden specialiteiten als de Veenweidekaas, die vorig jaar door zelfkazende Zuidhollandse boeren werd gelanceerd en de grutto als beeldmerk heeft. Daarbij wordt jaloers gekeken naar kwalitatief hoogwaardige streekgebonden Franse en Italiaanse wijnen, kazen en vleeswaren, die nationaal en internationaal een sterke marktpositie hebben.

Nieuwe wegen

Veel Nederlandse boeren zijn nieuwe wegen ingeslagen. In Pioniers op het platteland staan twaalf initiatieven geportretteerd. Negen daarvan komen uit Nederland, drie uit het buitenland. De voorbeelden komen uit verschillende sectoren en regio's. Zo zijn telers van fabrieksaardappelen in de Groningse veenkoloniën begonnen met een eigen boerenlaboratorium om het gebruik van grondontsmetters terug te dringen. Door geen drie maar twintig bodemmonsters per hectare te nemen kunnen ze de aaltjes die de aardappelmoeheid veroorzaken veel gerichter bestrijden.

In Zeeland zijn dertig boeren, verenigd in de Zeeuwse Vlegel, zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen hoogwaardige baktarwe gaan verbouwen. Molenaars vermalen de tarwe tot Vlegelmeel, warme bakkers bakken er Vlegelbrood van. Zo proberen de boeren de tarweteelt die anders ten dode is opgeschreven, lonend te maken. Westlandse glastuinders hebben laten zien dat het ministerie van landbouw ten onrechte de zogenoemde substraatteelt (steenwol) verplicht wil stellen, omdat alleen met zo'n gesloten systeem de tuinbouw aan de milieu-eisen zou kunnen voldoen. Ze bleven groenten telen in de grond, voldeden aan de milieu-eisen en wonnen er zelfs een milieuprijs mee. In elk journalistiek beschreven voorbeeld gaat het om eigenzinnige boeren die tegen algemene trends en opvattingen ingingen, maar toch een voet aan de grond hebben gekregen en een manier van boeren met toekomstperspectief hebben gevonden. In geen van de voorbeelden is sprake van louter goede bedoelingen, alle initiatieven hebben hun waarde enigszins bewezen. De voorbeelden kunnen een opsteker zijn voor veel boeren.

Een nadeel van het boek is dat het alleen succesverhalen bevat. Mislukte initiatieven ontbreken. Ook op de vragen of deze initiatieven op de lange termijn stand houden en of het voordeel dat deze pioniers hebben blijft bestaan als veel meer boeren hun voorbeeld zouden volgen, wordt niet ingegaan. Voor één streekeigen produkt als de Veenweidekaas kunnen misschien genoeg klanten gevonden worden in binnen- en buitenland, maar wat als vijftien streken een eigen kaas gaan ontwikkelen? Houdt de Veenweidekaas dan stand en kunnen de andere kwaliteitskazen daarnaast een positie op de markt verwerven? De consument is immers grillig. Koos van Zomeren noemde hem onlangs in zijn column in deze krant een merkwaardig tweeslachtig wezen. Als mens wil hij dat er netjes voor landschap en dieren wordt gezorgd, maar als consument kijkt hij in de eerste plaats naar zijn portemonnee.