Bunkerdrama overleefd

HANS OLINK: Vrouwen van Vught. Een nacht in een concentratiekamp

122 blz., geïll., Bas Lubberhuizen 1995, ƒ 24,50

Tot de ergste oorlogsmisdaden die de Duitse bezetters in ons land op hun geweten hebben hoort wel de nacht die bekend is geworden als 'het bunkerdrama'. Die nacht - van 15 op 16 januari 1944 - sloot de commandant van het Konzentrationslager Herzogenbusch 74 vrouwen op in een cel van twee bij vier meter. De deur ging op slot en voor de vrouwen begon 'de langste nacht van hun leven'. Tien vrouwen stikten. Hun namen staan te lezen op een herinneringsplaquette in het museum dat 'kamp Vught' nu is, en we kunnen uit hun geboortedata afleiden dat ze tussen de 38 en 58 jaar waren, net wat ouder dan de meeste anderen in de cel. De overlevenden, van wie sommigen bewusteloos waren geraakt, zouden dit trauma levenslang herbeleven, in nachtmerries of zomaar opeens overdag. Kleine ruimtes, groepen mensen, een volle tram, of zelfs de terloopse aanraking van de neus - al dat soort dingen kon later aanleiding geven tot paniek.

De Duitse gruweldaad was een vergeldingsactie. Kort tevoren had de communistische gevangene Non Verstegen een verraadster de haren afgeknipt. Ze was daarop gestraft met eenzame opsluiting in de nieuwe 'bunker'. Toen andere gevangenen zich solidair verklaarden en Nons vrijlating eisten werden zij, en Verstegen zelf, afgevoerd en opgesloten. De schuldigen aan het drama waren niet alleen van Duitse afkomst. Veel van het personeel in Vught bestond uit Brabantse katholieke meisjes, vaak met een achtergrond van collaboratie en gescharrel met Duitse soldaten. Onder hen was SS-Aufseherin Suze Arts, een van de twee hoofdpersonen van Olinks kroniek. Arts werd in 1916 geboren in een prominente reactionair-roomse familie; De Quay en Beel kwamen er aan huis. Ze had in de jaren dertig haar opvoeding genoten bij nazistische nonnen op Duitse internaten en was vervolgens in België bij de enge Christus Rex-beweging beland. Terug in Nederland ging ze in De Peel werken als doktersassistente en werd zwanger van haar baas. Toen ze daarop een oude bekende uit haar Duitse jaren tegenkwam, SS-Hauptscharführer Franz Ettlinger, liet ze zich overhalen tot een baantje in Vught en werd opnieuw zwanger, nu van hem.

Volgens sommige getuigen was het Suze Arts, toch al berucht omdat ze eten stal uit de Rode Kruis-pakketten van de gevangenen en altijd alles doorbriefde aan de Duitsers die de celdeur sloten; anderen menen dat ze er naast stond toen de kampcommandant met zijn laarzen de deur dichttrapte. Ze had de vrouwen naar de cel toe gebracht. Toen de gevangenen, niet beseffend welke hel hun wachtte, wat giechelden, had ze hun toegevoegd dat het lachen hun wel zou vergaan. Arts werd in 1947 veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf, na een eis van twintig jaar. De vertegenwoordiger van het O.M. zei erbij zich in dit geval 'met de doodstraf te kunnen verenigen'; Arts kwam, als zovele andere oorlogsmisdadigers betrekkelijk snel vrij: in 1953.

Tineke Wibaut

Tegenover de immoraliteit van Arts staat de dapperheid van Tineke Wibaut, een van de overlevenden van de celmoord. Wibaut, afkomstig uit een liberaal Amsterdams milieu, was net in de twintig toen ze werd gepakt. Ze raakte al op het Montessorilyceum bij het verzet betrokken en maakte deel uit van de radicale groep CS-6, waartoe ook Reina Prinsen Geerligs behoorde, die in Duitsland werd doodgeschoten, en Gideon en Jan Karel Boissevain, twee broers die met hun neef Louis, Leo Frijda, Hans Katan, Pam Pooters en nog dertien anderen in 1943 in Nederland werden gefusilleerd. Tineke Wibaut werd op Dolle Dinsdag in Vught op transport gesteld naar de plaats waar Arts haar training kreeg, Ravensbrück, en van daar uit nog naar diverse andere Duitse kampen. Ze werd 14 april 1945 in Salzwedel bevrijd.

Hans Olink heeft beide vrouwen uitvoerig geïnterviewd en de geschiedenis van het bunkerdrama leesbaar gereconstrueerd: behalve de gebeurtenissen van de avond en nacht zelf, beschrijft hij ook de mislukte poging om de zaak in de doofpot te stoppen, de publikaties in de verzetskranten, de botte manier waarop nabestaanden het overlijden van hun geliefden te horen kregen, het schijnproces van de SS tegen de verantwoordelijke commandant en het (wan)beleid van de naoorlogse Westduitse justitie.

Zijn verhaal bevat interessante details. Rauter, het hoofd van de SS en van de Duitse politie in Nederland, zou woedend zijn geweest over de gang van zaken omdat daarmee zijn streven het bestuur over Nederland soepel te doen verlopen in de wielen werd gereden. Opvallend is bovendien hoe in het toenmalige rapport van de kampartsen de schuld werd geschoven op 'enkele onbeheerste vrouwen in een toestand van opwinding'. Roerend zijn de gevangenisbrieven waarin Wibaut haar moeder laat weten dat het haar goed gaat en met geen woord het bunkerdrama aanroert, een zwijgzaamheid die veel van de opgesloten vrouwen na 1945 continueerden.

Moeite heb ik met de populaire toon van het boekje; de aanspreektitel Tineke valt in druk te familiair uit. Echt veel nieuws geeft Olinks boek bovendien niet. Tineke Wibaut beschreef 'de nacht' eerder, zij het summier, in haar mooie Zo ben je daar. In de goedverzorgde informatiereeks van de 'Stichting Vriendenkring Nationaal Monument Vught' werd er ook al over geschreven. Het verhaal van CS-6 is eveneens tamelijk bekend. Wat wel nieuw is, is de informatie over Suze Arts. Die is belangwekkend, want van de achtergronden van 'foute' vrouwen weten we maar weinig af. Zo dringt zich de vraag op of het taboe op vrouwelijke politieke betrokkenheid zoals dat in haar ouderlijk milieu gebruikelijk was, in Arts' Werdegang niet een grote rol heeft gespeeld.

Wanneer Olink haar omstreeks 1990 spreekt is zij een verongelijkte vrouw zonder berouw, die zich als het slachtoffer ziet: ze 'trok nu eenmaal soms het noodlot aan' en 'was bij het proces de kop van Jut'. Maar een oordeel over zulke uitspraken geeft Olink niet, wat ik al te gemakkelijk vind. Uit het boek wordt niet duidelijk waarom Olink eigenlijk in Arts was geïnteresseerd. Toch niet alleen in de hoop op een fraaie journalistieke apotheose in de vorm van een confrontatie van zijn hoofdfiguren? Die komt er niet, omdat Arts eerst niet wil ('genoeg geboet') en vervolgens overlijdt.