Baanbrekers van het hoogste recht

ROGER K. NEWMAN: Hugo Black. A biography

742 blz., geïll., Pantheon Books 1994, ƒ 64,90

IRIS FREEMAN: Lord Denning. A life

450 blz., geïll., Arrow Books pb 1994 (1993), ƒ 39,95

Twee singuliere rechters wier wonderlijke eigenzinnigheid voortvloeide uit een grote maatschappelijke betrokkenheid en een even grote hekel aan juridische scherpslijperij: de Britse rechter Lord Denning en zijn Amerikaanse evenknie Justice Hugo Black.

Hugo Black was 85 jaar oud toen hij op 17 september 1971 meer dood dan levend zijn zetel in het Supreme Court van de Verenigde Staten opgaf. Acht dagen later stierf hij. Zijn vroegere baas Earl Warren, die hem overleefde hield het kort: 'A great man has passed away'.

Lord Denning - in de biografie even kort als hinderlijk voortdurend aangeduid als Tom - hield er als Master of the Rolls wat jonger mee op: op 29 september 1982 nam hij, bijna gedwongen, ontslag. Hij was toen 83 en hij zou nog tien jaar leven en - bij tijd en wijle - juridisch Engeland door zijn fameuze en altijd duidelijke uitspraken blijven opschrikken.

Ook in Nederland zijn rechters onafzetbaar, maar op de eerste dag van de maand waarin zij hun zeventigste verjaardag vieren, dienen zij op te stappen. De hierin gelegen tegenstrijdigheid wordt op echt hypocriete wijze ongedaan gemaakt: zij moeten schriftelijk aan haar die men tegenwoordig in televisie-taal de Majesteit noemt, eerbiedig verzoeken hen te ontslaan. Wat er gebeurt als ze dat niet doen, is onbekend, want ze doen het allemaal. Overigens: het is een heilzame regeling.

Hoewel de biografie van Denning wat te veel weg heeft van een moderne hagiografie - een heilige ondanks alle gebreken, zo ongeveer als Ischa Meijer maar dan in het juridische - heeft Iris Freeman ons geen mooie lofprijzing van hem te melden bij zijn begrafenis. Zij meldt eigenlijk amper zijn dood en zijn begrafenis in het geheel niet. Ik heb de idee dat zij met de lapidaire volzin waarmee zij haar boek afsluit: 'Not yet out' ons wil bijbrengen dat Denning ongestorven onder ons voortleeft. Ik schrijf: onder ons, omdat wij, continentalen, en zeker wij, 'Hollanders', die over onze eigen rechters met moeite een kolom gevuld krijgen, op haar bevel om bestwil behoren te beseffen dat aan deze wel bijzonder Brits-nationalistisch ingestelde rechter, desondanks een supra-nationale betekenis toekomt.

Lord Denning komt er voor wie het boek van Freeman uitleest, uit te voorschijn als een nu eens tegen het grandioze aanleunende, maar direct daarna weer bar en boos irritante, ijdele man. Wie van zijn boeken kennis neemt, weet dat dat klopt. Hij was in zijn denkbeelden conservatief tegen het reactionaire aan, maar het vreemde is dat die eigenschap die hem (voor mij) als politicus zou diskwalificeren, hem als rechter niet verhinderde heel pregnante, eigentijdse, nogal vaak tegen de meerderheid ingaande, rechterlijke beslissingen of 'dissenting opinions' te debiteren, zo niet direct van revolutionair dan toch van baanbrekend karakter. Ik moet erover nadenken hoe dat mogelijk is, maar ik geef al vast een schot voor de boeg: van de politicus Fr. Bolkestein moet ik niet veel hebben maar ik vermoed dat hij als rechter oorspronkelijk werk zou leveren, oorspronkelijker dan zijn collega's, al zou ik zijn oorspronkelijkheid ook weer niet graag loslaten op het vreemdelingenrecht.

Black, de radicale voorvechter van de mensenrechten, had met Denning dan ook niet veel meer gemeen dan die wonderlijke eigenzinnigheid die de rechtspraak zou laten derailleren als alle rechters ermee behept waren, maar die zegenrijk is als zij mondjesmaat wordt toebedeeld. Een eigenzinnigheid die bij beiden haar grondslag vond in een grote maatschappelijke betrokkenheid en een even grote hekel aan juridische scherpslijperij.

Daarmee gepaard ging ook weer bij beiden de behoefte om begrepen, verstaan te worden ook buiten de kring van de juristen. Denning won het in dat laatste streven op punten van Black, maar hij had het ook makkelijker: als in wezen conservatief rechter sprak hij voor zijn conservatieve parochie en die nam daarom veel van hem aan, ook als hij, en dat gebeurde nogal eens, hen meenam naar voor hen avontuurlijke gebieden. Ook Black preekte voor een conservatieve samenleving, maar zijn uitgangspunt: ook verdachten, juist verdachten hebben vanuit de leer van de grondrechten recht op extra bescherming van justitie, werd door zijn goegemeente nooit echt aanvaard.

Hun persoonlijkheden verschillen ook overigens aanmerkelijk, al kan dat meer aan hun beschrijvers dan aan hen zelf hebben gelegen. Elke biograaf, zelfs de meest angstvallige, zo is mijn ervaring, maakt van de beschrevene voor een flink deel een beeld naar zijn of haar gelijkenis. Ik zou eerder Black een 'Lord' noemen dan Denning. Denning heeft iets bekrompens, ook in vol Engels rechters-ornaat, zoals hij zich laat bekijken op de foto na bladzijde 242 samen met zijn meer dan keurig zoontje, dat mij die wonderlijke gedachte in herinnering bracht van de dichter die ons leerde: the son is father of the man. Talloze keren maakte hij duidelijk, aldus zijn biograaf, dat de vrouw als eerste verantwoordelijkheid had de zorg voor man, huis en kinderen. Black was in dat opzicht veel moderner, maar, helaas, leren we van zijn biograaf ook dat hij in veel sterkere mate dan Denning het vanzelfsprekend vond dat nu juist zijn vrouw te allen tijde voor hem en zijn werk klaar stond. Leer versus leven.

Een overeenkomst tussen hen zou je ook kunnen noemen, dat beider toch wel schitterende loopbaan wordt gemarkeerd door een schandaal. Het verschil is echter dat Blacks schandaal aan het begin staat van het hoogtepunt van zijn carrière en daaraan, wonderlijk genoeg, geen enkele afbreuk heeft gedaan, terwijl het schandaal van Denning aan het einde van zijn loopbaan van dat einde tevens de oorzaak was. De ondergang van Denning had te maken met zijn ouderdom. In zijn glorietijd kon hij zeer controversiële uitspraken doen waar toch bijna niemand aanstoot aan nam: “In onze tijd zijn de vakbonden de grootste bedreiging van de samenleving.” Toen hij oud werd bleef hij dat soort uitspraken doen, maar toen op slordige, ongeduldige manier zonder er rekening mee te houden welke uitwerking zijn woorden zouden hebben. In zekere zin was de hoogbejaarde Denning eigenlijk nog eerlijker dan de gevierde Denning.

Wat daarvan zij, zijn noodlot werd een van zijn vele spreekbeurten samen met een van zijn boeken. In die spreekbeurt had hij het over misbruik dat door partijen werd gemaakt van het wraken van jury-leden toen in Bristol twaalf allochtone verdachten ('coloured people') terecht stonden wegens openbare ongeregeldheden. Later bleek dat de rechter op die wrakingen had aangedrongen. En in zijn kort daarop verschenen boek What is next in law werkte hij die gedachte op een rampzalige manier nader uit: het jury-systeem functioneerde goed toen Engeland nog een homogene bevolking had, allemaal toegewijde onderdanen van de rule of law. Maar dat is nu niet meer het geval. Sommigen zijn blank, anderen zwart, gekleurd of bruin. Zij nemen niet aan één en dezelfde gedragscode deel. Sommigen komen uit landen waarin omkoperij en corruptie worden geaccepteerd als een integraal deel van het leven en waar diefstal een deugd is zolang ze maar niet ontdekt wordt, enz.

Het was waarschijnlijk Dennings doem dat hij, en daar werd hij vroeger uitbundig voor geprezen, openlijk en officeel zei wat 'iedereen' op visite-partijtjes, op straat en op de door hem zelf uitgevonden 'Clapham Omnibus' placht te zeggen. De pers begon een aanval op de man, die haar toch al nooit zo welgezind was geweest: investigative journalism, bekend uit de Watergate-affaire in de Verenigde Staten, stuitte in allerlei vormen op zijn geduchte weerstand. Denning had zijn hand overspeeld. Hij was, zo zei men openlijk, een racist. Zijn tweede vrouw Joan mocht met nog zoveel vuur opperen dat niemand zoveel voor de zwarte mensen in Engeland had gedaan als haar man (en dàt kon misschien nog wel waar zijn ook), Lord Denning was een falende rechter die, The Times sprak het onomwonden uit, moest aftreden.

En Denning trad af, zij het niet meteen en dan nog onder de mededeling dat hij het alleen deed wegens zijn inderdaad gevorderde leeftijd. Als het aan zijn vrouw had gelegen was het bereiken van de tachtigjarige leeftijd een mooie aanleiding geweest om af te treden. Hij volgde haar dringende raad niet op. En toen zij lezend in de drukproeven van What is next in law, hem met klem aanraadde de passage over de niet-blanke juryleden te schrappen, was hij weer eigenwijs. Ze vergaf hem grootmoedig bijna alles, maar ging wel voor straf eerder dood dan hij.

Iris Freeman is er niet in geslaagd mij voor Lord Denning, die ik uit zijn boeken kende en knap maar ook vervelend vond, in te nemen, maar ik ben hem als resultaat van een afweging wel veel meer gaan waarderen als een weerbarstige, heldere geest. Hij liep weliswaar soms heel snel met de trend van de tijd mee (eerst verwoed voorstander van de doodstraf, toen het tij keerde gematigd tegenstander, en zo ook wat betreft het vereenvoudigen van echtscheiding), maar bleef weer andere keren vaak met moed en vastberadenheid tegen de stroom van de vaste rechtspraak (de precedenten) en van zijn verzamelde collega's in varen. Makkelijk is dat niet.

Dat Black zijn schandaal zonder kleerscheuren te boven is gekomen, is heel wonderlijk. Toen hij in 1937 door president Roosevelt in het kader van diens fel omstreden New Deal werd voorgedragen als rechter in het negenkoppige Supreme Court, had hij een tienjarige periode als senator achter de rug.

Hij was toen reeds een van de meest intrigerende figuren uit het publieke leven in Amerika; een intellectuele linkse liberaal uit het zuiden en waarschijnlijk de meest radicale man uit de hele Senaat. Aanvankelijk had hij de voordracht geweigerd om de simpele reden dat hij, zoals hij zonder omwegen zei, de bedoeling had straks president van de Verenigde Staten te worden en zijn tijdgenoten zeggen dat hij dat doel waarschijnlijk bereikt zou hebben als hij niet voor Roosevelts aandrang gezwicht was. Maar toen hij goed en wel was voorgedragen, werd bekend dat hij in 1923 lid was geworden van de Ku Klux Klan, afdeling Birmingham. Het was geen gerucht maar werkelijkheid, al heeft hij het lidmaatschap vrij spoedig opgezegd. En Black die er nooit uit zichzelf mee voor de dag is gekomen, heeft het feit, toen het bekend werd, ook nooit ontkend. Hij heeft, hoe spraakzaam meestal ook, op dit punt vooral gezwegen. De Klan richtte zich met intimidatie, geweld en geheimzinnigheden allereerst tegen de zwarten, maar ook tegen ieder die zich positief met hen inliet. De Klan was vooral ook antisemitisch en antikatholiek: Amerika's geboortemerk was het protestantisme en dat moest zo blijven, als de Nordische stam zijn lotsbestemming wilde blijven vervullen. Alles wat in regelrechte strijd is met de meest fundamentele mensenrechten werd op misdadige wijze door de Ku Klux Klan nagestreefd en vaak verwerkelijkt.

Ik denk niet dat de grote strijder voor de mensenrechten die Black als senator en rechter later werd, enige kans zou hebben gehad om senator en nog minder om rechter van het Supreme Court te worden als hij in deze tijd had geleefd. Al was het maar omdat er vermoedens tegen hem bestonden. Hoe heeft Black in die tijd het wel kunnen redden? Newman licht ons er uitvoerig over in. Een echt mooie rol heeft Black toen niet gespeeld. De affaire kwam voor de commissie van justitie van de Senaat. Evenmin als hij indertijd ontkende lid te zijn geweest, heeft hij het toen ruiterlijk toegegeven. Hij zei alleen dat hij het op dat moment niet was. En dan zijn er in de politiek altijd van dat soort stoere voorstanders-partijgenoten van de beschuldigde als de oudste senator Bortah die verklaarde dat er geen spat bewijs was geleverd dat Black ooit lid van de Klan was geweest.

De commissie zelf kwam ook tot een voor Black positieve beslissing, maar op de wel wat realistischer grond dat Black geen enkel vooroordeel aan de dag legde en dat het maar het beste was 'to forgive and forget'. De voordracht van Roosevelt werd in de Senaat aanvaard met 63 stemmen voor, 16 tegen en 17 onthoudingen. Veel later heeft Black ten behoeve van het nageslacht een verklaring gedicteerd die er op neer kwam dat Roosevelt indertijd heel goed wist dat hij lid van de Ku Klux Klan was geweest, maar daar geen enkel gewicht aan had gehecht omdat sommige van zijn beste vrienden en supporters in Georgia ook lid van de Klan waren.

Newman twijfelt aan de juistheid van deze verklaring en aan de wetenschap van Roosevelt. Ook heeft Black nadat de felste tegenstander van zijn benoeming, Copeland, in 1938 was gestorven, deze ervan beschuldigd zelf lid van de Klan te zijn geweest. Aan de juistheid van die beschuldiging valt volgens Newman eveneens ernstig te twijfelen. Rondom Black bleef op dit punt zure kritiek hangen: in Washington zei men dat hij geen zwarte toga hoefde te kopen, hij kon zijn witte wel zwart laten verven.

Op bladzijde 247 van het lijvige boek van Newman is Black ingehuldigd als rechter van het Supreme Court. Wij leven dan in het jaar 1937. De pagina's 247 tot 632 verhalen ons van een rechterlijke loopbaan van ruim 34 jaar en van vele schitterende rechterlijke beslissingen. Hij was geen heilige, zelfs geen moderne, maar zijn geschiedenis geeft aan onze tijd de les door dat wij de moralistische neiging moeten bedwingen mensen te vroeg af te schrijven, want wie ooit verkeerde wegen bewandelde kan later als Paulus op weg gaan naar Tarsus.