Angst

Wie is er bang voor de criminele allochtoon? E.J. Bomhoff stelde het deze week aan de orde, onder de titel 'Angst voor het etiket racist'. Volgens hem mag men niet bang zijn om een verband te leggen tussen allochtonen en criminaliteit. De statistieken wijzen immers uit dat: 60 procent van de Marokkaanse jongeren in Enschede in een jaar in aanraking kwam met de politie vanwege zware of lichte criminaliteit. Driekwart van de zeventienjarige Marokkaanse jongens in Den Haag contact had met de politie. 50 procent van de bendeleden in de Amsterdamse Bijlmer van Surinaamse afkomst was en 20 procent van Antilliaanse. Zwarten in Amerika gemiddeld acht keer zo vaak misdrijven plegen als blanken.

Bomhoff had die lijst makkelijk kunnen uitbreiden met vroegtijdige schoolverlaters, tienermoeders, alleenstaande moeders en gemiddelde intelligentie-quotiënten - van boze briefschrijvers krijg ik regelmatig kranteknipsels met dit soort onaangename feiten, uit alle dag- week- en maandbladen, waarvoor mijn dank. En ik geef het volmondig toe: de statistieken wijzen uit dat allochtonen sociaal minder gepast gedrag vertonen dan autochtonen.

Het is zelfs algemener, zoals Bomhoff suggereert met de toevoeging van het misdaadcijfer van Amerika: omdat je zwarte Amerikanen moeilijk 'allochtonen' kunt noemen, moeten we concluderen dat kleurlingen kennelijk asocialer zijn dan blanken. Dat is helaas een feit, het blijkt keer op keer uit de cijfers. De cijfers hebben trouwens ook aangetoond dat Amerikaanse Koreanen, Indiërs en Chinezen (maar dan die van het vaste land in de eerste generatie, en niet die uit Singapore of Hong Kong of van de oude spoorlijn-generatie) weer minder crimineel zijn dan de zwarten, de hispanics, de Vietnamezen en de blanken. En in Nederland toonden de cijfers vier jaar geleden aan dat vooral Oost-Europese, en met name Poolse asielzoekers zich met criminele activiteiten bezighielden. Maar sinds Nederland ze niet meer toelaat hebben we er geen last meer van, en bovendien kon je niet voor racist worden uitgemaakt als je Oost-Europeanen boeven noemde; hoewel ik een keer fikse ruzie kreeg met een Surinaamse arts toen hij een discriminerende uitspraak in die richting deed, maar nu maak ik het geloof ik erg ingewikkeld.

Laten we terugkeren naar dat onomstotelijk feit: allochtonen zijn gemiddeld crimineler. De vraag is wat je met zo'n feit moet. De aanleiding voor Bomhoffs verhaal is de dreiging van het Haagse Openbare Ministerie, door Bomhoff aangeduid als 'de anti-discriminatie-officieren van justitie', om Jan Rijpstra van de VVD te vervolgen voor het door hem gelegde verband tussen immigratie en criminaliteit: 'Door de immigratie te beperken kan de integratie worden bevorderd en de criminaliteit krachtig worden bestreden.' De VVD schrok zelf zo van deze opstelling dat men het scenario van de drukfout bedacht: criminaliteit had discriminatie moeten zijn. Iedereen lag in een deuk, maar zand erover, vond ook het Openbaar Ministerie en terecht: Rijpstra was al genoeg gestraft.

Dan komt Bomhoff met zijn ontdekking van een taboe: iedereen weet dat allochtonen gemiddeld crimineler zijn dan autochtonen (maar Turkse jongeren weer minder dan Marokkaanse en Iraanse minder dan Duitse enzovoort), en toch durft niemand het hardop te zeggen, uit angst voor racist te worden uitgemaakt.

Bomhoffs ontdekking komt tamelijk laat, want het taboe is in Nederland al lang opgeheven, dankzij Bolkestein en het Minderhedendebat van 1989. Gelukkig mag je in Nederland al meer dan zes jaar rustig zeggen dat allochtonen vaker crimineel zijn dan anderen. Wat je nog niet mag zeggen is dat allochtonen een grotere natuurlijke aanleg hebben voor de misdaad. Daar hebben we nog geen cijfers voor.

Wat opvalt in Bomhoffs artikel is zijn omzichtigheid. Misschien is het beleefdheid, of bescheidenheid, ik weet het niet. Laten we het houden op schroomvalligheid. Want hij had makkelijk de statistische feiten kunnen opsommen en zijn mening kunnen staven. Dat doet hij niet. Hij geeft enkel de mening weer van 'verstandige opinieleiders', 'gezaghebbende stemmen', 'erkende deskundigen' en 'gerespecteerde sociale wetenschappers'. Dat zijn, zo blijkt uit Bomhoffs artikel, vooral drs. D. Pinto, directeur van het Inter Cultureel Instituut in Groningen, en prof. dr. H. Entzinger, hoogleraar multi-etnische studies in Utrecht. Pinto hield een lezing en Entzinger schreef een rapport, en beiden stelden min of meer vast dat er nu maar eens hardop gezegd moet worden wat iedereen uit de statistieken al weet. Allochtonen worden te vaak ontzien. Ze worden gespaard. Ze worden, hoe heette dat vroeger, ja, doodgeknuffeld.

Ik zeg vroeger, en dat bedoel ik heel precies: zeven jaar geleden, in juni 1988 om precies te zijn (mijn mapje kranteknipsels van boze briefschrijvers is erg betrouwbaar). Toen publiceerde de Volkskrant namelijk het geruchtmakende ingezonden stuk van de nog niet zo erkende deskundige David Pinto, waarin hij beweerde dat allochtonen werden doodgeknuffeld omdat men bang was voor 'racist' te worden uitgemaakt.

Pinto, en in zeker zin ook Entzinger, hebben het sindsdien wel duizend keer herhaald en naar mijn weten heeft nog niemand ze ooit tegengesproken. De statistische feiten staan nu eenmaal aan hun kant.

Mijn probleem is alleen waarom Pinto en Entzinger door Bomhoff zo overdreven nadrukkelijk moeten worden aangeduid als 'gezaghebbende stemmen' en 'erkende deskundigen'. Door wie zijn ze erkend? Waarin zijn ze deskundig? Zijn ze deskundiger dan, pak weg, Max Pam of Theo van Gogh? Zijn ze deskundiger dan prof. dr. F. Bovenkerk of dr. J. Rath? Zijn ze deskundiger dan J. Rijpstra of mijn schoonmoeder?

Misschien wil Bomhoff alleen maar zeggen dat hij de feiten niet zelf heeft verzameld, maar slechts herhaalt wat anderen hebben waargenomen en weer anderen hebben geïnterpreteerd. Vanwaar die omslachtigheid? Dat Bomhoff misschien zelf ook de angst koestert om voor 'racist' te worden uitgemaakt kan ik niet geloven. Maar waarom heeft hij die erkende deskundigen nodig? De statistische feiten zijn algemeen bekend, ze behoren tot de common sense, ze zijn van iedereen en ze worden heus niet onweerlegbaarder door ze toe te schrijven aan lieden als Pinto.

Juist het klimmen op de smalle schouders van iemand als Pinto is riskant, getuige zijn deskundigheid in de handleidingen van zijn adviesbureau: hemelbestormende wijsheden zijn daarin vervat, bijvoorbeeld dat men een document niet aan een moslim moet aanreiken met de (onreine) linkerhand; of dat men niet moet trappen in de 'ikke niet begrijp' truc van de Marokkaanse vrouw als blijkt dat ze haar rioolbelasting niet heeft voldaan, omdat mensen uit die culturen het niet leuk vinden om geld te betalen wanneer men er niet direct iets concreets voor terugkrijgt. Of dat men Surinamers niet serieus moet nemen als ze klagen over racisme, omdat dat tot hun 'reactiepatroon' hoort.

In feite is Bomhoff zelf veel deskundiger dan Pinto en Entzinger tezamen. Terwijl Entzinger lange inburgeringstrajecten verzint en Pinto geen lucratievere oplossing weet dan het inroepen van de hulp van het adviesbureau waar hij directeur van is, vraagt Bomhoff zich simpelweg af waarom er haast geen allochtone taxichauffeurs zijn en waarom allochtonen geen eigen bedrijfje mogen beginnen. Dat zijn gouden vragen, die niet, zoals Bomhoff voorstelt, door jonge Marokkanen moeten worden gesteld aan de heren bij VNO en NCW die de arbeidsmarkt hebben dichtgetimmerd, maar door verstandige volksvertegenwoordigers als Jan Rijpstra en Bolkestein, die stemmen winnen met de allochtonen-angst, of door erkende deskundigen, die maar rijk worden van de angst voor allochtonen-angst, of door gezaghebbende opinieleiders, die het zo druk hebben met de angst voor de angst voor de allochtonen-angst.