Aan de grens

Een stukje van onze staat is afgestorven, niet volgens het recept van Marx, meer zoals oude soldaten verdwijnen: they never die, they just fade away, ze vernevelen. Het stukje dat ik bedoel - meer een manier van doen - is de grenscontrole. Daardoor laten de staten de vreemdeling hun tanden zien. Het is een dierlijk gedoe, vermomd tot een complex van bureaucratische handelingen, de klap waarmee het stempel in je paspoort terecht komt is een waarschuwende blaf ten afscheid.

Met het verdrag van Schengen hebben we een aantal Europese volken definitief als familie omhelsd. Een revolutionaire stap kan ik er niet meer in zien; het is een formele bevestiging. Op een vliegveld willen de staatsbewakers nog weleens weten of je je paspoort bij je hebt maar je hoeft er over het algemeen alleen mee te wuiven. In treinen zie je ze een enkele keer door de corridor lopen. Het zekere teken van de volbrachte verandering is dat je je bij zo'n confrontatie zelfs niet meer een vleugje schuldig voelt. In het voorbije tijdvak was je eigen wetenschap dat je niets had gedaan geen garantie dat de douane of de marechaussee je toch nog zou ontmaskeren. Dat kan niet meer. De wet is verdwenen en daarmee de schuld.

Het is ongemerkt gegaan. Schengen is de voltooiing, en daarom is dit de gelegenheid, één alinea stil te staan bij hoe het is geweest. Roosendaal, 1945. Alle reizigers uitstappen. In de bureaucratische gewoonten smeulde de bezetting voort. Bedenk ook - wie het zich wil voorstellen - dat niemand toen een mooie koffer of nieuwe kleren had en dat de oude een beetje slobberig om de schouders hingen en zware vouwen hadden, als een oud gezicht. De officiële foto van het kabinet Schermerhorn-Drees geeft een goed beeld. Die mannen op een rij, met oude koffertjes, bijelkaar gehouden met touw, op het perron in Roosendaal, langzaam naar binnen schuifelend. Daar moesten ze alles uitpakken, en hadden ze geen smokkelwaar dan volgde - beng! - het stempel van het Koninkrijk en ze mochten weer de trein in. Grapjes werden niet geduld. Ik zei tegen de douaneman: “In dit koffertje zit mijn goud.” Het was een belediging van een ambtenaar in functie. “Zozo meneer, zit daar uw goud in. En in die andere koffer zit dus geen goud. Pakt u dan maar eens alles uit. Uw trein gaat weg maar wij hebben de tijd. Doet u maar rustig aan.” Voor straf moest ik een beurt voorbij laten gaan. Zo ging dat toen.

Langzamerhand is dit ritueel vervaagd, verdwenen en al jaren had je kunnen denken dat Schengen met volle kracht werd toegepast. Hoewel niet voor iedereen. Van Theodor Holman, wiens ouders op de Molukken zijn geboren, heb ik geleerd dat als je haast hebt, het verstandig is om in een rij met zoveel mogelijk onversneden blanken te gaan staan. Dat kan bij de aankomst van een paar 747's wel een kwartier schelen.

Echte ouderwets-degelijke controles zijn er, voorzover we het over het Westen hebben, alleen nog aan de grens van de Verenigde Staten. Omdat we het vanzelfsprekend vinden dat we bij aankomst van de Amerikaanse passagiers worden gescheiden, omdat wij vreemdelingen naar aparte loketten moeten (zoals de niet-Schengen mensen nu bij ons), omdat we daar niet beter weten, schikken we ons gelaten in de multi-S-vormige rij en laten ons verleden controleren op eventuele zwarte bladzijden in het dikke boek waarin de hele wereldbevolking staat opgeschreven; het boek waarover alleen iedere Amerikaanse grensbewaker beschikt. Nu is het een computer, maar nog jaren nadat ieder huishouden een PC'tje had, hanteerden de bewakers daar het dikke boek. Omdat het zo'n onontkoombare kwelling is, wordt er wel terloops over gepraat maar zelden geschreven, als over de motregen.

Ik schrijf dit stukje niet om tegen dat ritueel te vechten. Ritueel is een ander woord voor bierkaai. Ik stel alleen de vraag die ook bij rituelen opkomt: wat zijn ze precies aan het doen. Voor wie het niet weet: je moet een kaart invullen, die op ongeveer tweederde van de bovenkant is geperforeerd. Nadat de beambte je een paar vragen heeft gesteld, en je hebt die op goed geluk, en tot je verbazing goed beantwoord, deelt de ambtenaar de kaart in tweeën, knijpt met een nietjestang het kleinste stuk in je paspoort en houdt het grootste zelf. Wat gaan ze met dat grootste stuk doen?

Op een winternacht, tien jaar geleden denk ik, zat ik in de trein. Het was op de grens tussen twee volksdemocratieën. Op een parallelspoor stond een goederentrein. Op iedere wagon was in een lijstje achter kippengaas een document geprikt. Een administrateur was bezig in een blocnoot alles in drievoud van dat document over te schrijven, onder het licht van een zaklantaren die door zijn assistent werd vastgehouden terwijl de derde, gewapend met een kalasjnikov de omgeving in de gaten hield. Wat gaat er met die kopieën gebeuren, vroeg ik me toen af. Straks gaan ze naar hun kale kantoortje waar een potkacheltje brandt, de hele winter op niets anders dan formulieren, honderdduizenden formulieren.

Wat gebeurt er met dat éénderde van de kaart dat bij het vertrek weer wordt 'ingenomen', niet door een ambtenaar maar door iemand van de balie waar wordt ingecheckt? Maakt die er een stapeltje van dat weer wordt ingeleverd bij de Verenigde Staten? Wordt dan door een ambtenaar het elastiekje er afgehaald en zijn ergens lokalen vol ambtenaren bezig, uw éénderde bij uw tweederde te passen? En als ze na bijvoorbeeld een jaar uw éénderde nog niet hebben gevonden terwijl het geheel maar drie maanden geldig was, wat dan? Dan komt u in de computer, en als u zich weer meldt zegt de ambtenaar: Vorige keer hebt u niet ingeleverd. En wat dan? Dat weet niemand.

Met Schengen worden niet alleen een paar grenzen geopend; er wordt een wereld gesloten. Mappen, ordners, kasten, een oeuvre zo groot als de literatuur van alle Schengenlanden bijelkaar wordt het niets in gekieperd. Een gebeurtenis als apotheose van een ontzagwekkende vergeefsheid. Of zie ik dat te dramatisch?