In Vught geboren

Op de hoek van onze straat woonde een familie Bloch. Er waren twee zoons, potige jongens met bruine ogen. Ik moet een jaar of zeven zijn geweest toen mijn buurjongen, die wat ouder was, mij vertelde dat die familie Bloch 'jodenmensen' waren. Hij bedoelde hier niets kwaads mee. Maar het was duidelijk door de manier waarop hij het zei - met een zachtere stem dan normaal - dat het hier iets bijzonders, misschien zelfs iets verbodens betrof.

Ik vertelde het diezelfde avond nog, tijdens het eten, aan mijn ouders: 'Die familie Bloch, dat zijn jodenmensen.' Ik was enigszins trots op mijn kennis van de wereld. Mijn moeder keek me aan, en zei: 'Maar je weet toch dat ik ook joods ben?'

Het merkwaardige is nu dat ik het niet wist. Ik moet het vele malen gehoord hebben, in gesprekken, in grappen. Het was zeker geen geheim. Maar omdat we nooit iets te maken hadden gehad met de religieuze kant van het jodendom, was het nooit tot me doorgedrongen dat er iets bijzonders aan was. Kortom, ik had geen idee wat een 'jodenmens' was.

Veranderde er iets in mij toen ik het wel wist? Ik zou zeggen ja, maar alleen in die mate dat ik vanaf dat moment in de verleiding was gekomen om meer betekenis te hechten aan de joodse achtergrond dan misschien gerechtvaardigd was. Ik bedoel dit: de joodse identiteit kon voortaan als kapstok dienen om allerlei algemeen menselijke gevoelens - eenzaamheid, overgevoeligheid, anders zijn dan anderen - aan op te hangen. Hier komt nog bij de morele superioriteit van het plaatsvervangende slachtofferschap. Bij een bezoek aan het 'herdenkingsmuseum' Auschwitz-Birkenau moest ik even mijn best moest doen om het gevoel te onderdrukken dat ook ik bij de slachtoffers had kunnen horen, en mij daardoor, als het ware, onder de engelen kon scharen. Het is een niet onaangenaam gevoel, en daarom juist zo verleidelijk.

Ik moest aan deze zieleroerselen denken tijdens een gesprek in Amsterdam met Ellen. Ellen is in 1945 in Vught geboren. Zij is zes jaar ouder dan ik. Haar echte vader kende zij niet, want haar ouders waren kort na de oorlog gescheiden. Ellens stiefvader was een medicus in Amsterdam. Er werd bij Ellen thuis nooit over de oorlog gesproken. “Als kind werd je niets verteld. Je vroeg ook niets.” Maar er waren wel dingen die Ellen niet goed begreep. Bijvoorbeeld: “Moeder wilde niet dat joodse kinderen kwamen spelen. Ik had een joods vriendinnetje op school, en als die thuis wilde komen moest ik zeggen dat mijn moeder de was deed, en dat we beter naar haar huis konden gaan.”

Maar Ellen moest wachten tot haar 21ste jaar voordat zij wist dat er iets bijzonders was met mensen die in 1945 in Vught geboren waren. In drie minuten vertelde haar moeder haar het hele verhaal. Ellens vader was NSB-er geweest, evenals haar stiefvader. Haar ouders werden gearresteerd. Haar moeder in 1944, en haar vader enkele maanden later. En daarom is Ellen in het oude concentratiekamp Vught geboren.

Werd Ellen een andere persoon toen zij 'het' wist? Zij veranderde in elk geval wel. Ze raakte hevig geïnteresseerd in de oorlog, las tienmaal het dagboek van Anne Frank, keek naar 'alles met prikkeldraad' op de televisie, en was als de dood dat ze er achter zou komen dat haar vader bloed aan zijn handen zou hebben. Zij werkte op de visumafdeling van een buitenlands consulaat, en hoorde opmerkingen van collega's over visumaanvragers die 'fout' waren geweest. Zij was bang dat op een dag haar eigen vader door die mand zou vallen. Zij durfde met niemand over haar achtergrond te praten: “Niet opvallen, altijd meegaan. Smoesjes, daar zijn we ook goed in, en gek doen, de clown uithangen.”

In Amerika trouwde Ellen met een joodse man. (Zijn moeder bleek een nicht te zijn van Anne Frank.) Dit huwelijk was geen succes, en Ellen keerde terug naar Amsterdam. Ellen had het moeilijk met zichzelf en ging in therapie. Dit zal iets met haar verleden te maken hebben gehad, maar hoeveel? Ellen zelf is niet geneigd alles toe te schrijven aan haar positie als kind van een NSB-er. Zij is ook niet op school gepest. Ze heeft nooit last ondervonden bij het solliciteren. Maar het was nog wel zo dat 'je hoort dat mensen je niet mogen, omdat je het kind bent van... Maar je wilt ook niet constant liegen.'

Nu bestaat er voor mensen als Ellen sinds 1981 een organisatie, Werkgroep Herkenning. Daar kunnen kinderen van 'foute' ouders bij elkaar komen op 'ontmoetingsdagen' om met 'lotgenoten' te praten over hun problemen. Schuldgevoelens worden geuit, loyaliteitsconflicten doorgepraat, en vragen behandeld zoals: 'Hoe vertel in mijn kinderen dat ik een NSB-kind ben?' Het klinkt allemaal erg Hollands: een soort mengsel van Alcoholics Anonymous en het COC. Ellen vond het 'de eerste keer ook eng, een soort ondergrondse.' Ze was bang dat ze misschien een bekende zou tegenkomen, waarvan ze 'het' nog niet wist. En inderdaad, ze kwam een bekende tegen, een meisje met wie ze op school gezeten had, die wel was gepest.

Het is gemakkelijk - en ook verleidelijk - om zich vrolijk te maken over dergelijke verenigingen, waar mensen samen komen uithuilen. Het is ook alsof elke gemeenschap van de bonte deken van gekwetste minderheden zoiets nodig heeft: kinderen van joodse slachtoffers, kinderen van ouders in Japanse kampen, Stichting Japanse Ereschulden, een club voor vrouwen van Japanse soldaten, een vereniging voor kinderen van voormalige verzetsstrijders, kinderen van Duitsers, en spoedig misschien ook nog kinderen van kinderen van Duitsers, en zo nog veel meer. Het is natuurlijk niet uniek, maar toch wel erg Nederlands: deze hang naar gewetensgemeenschappen. Het is alsof mensen sectarische verenigingen nodig hebben om elkaars lange tenen te koesteren.

Ook aan het jargon zit een belachelijke kant. Zo begint een hoofdstukje in de brochure van de Stichting Werkgroep Herkenning met de zin: 'Missen van een stuk (basis-)veiligheid en geborgenheid.' En toch heb ik van al de gekwetste minderheden voor de kinderen van NSB-ers de meeste sympathie. Want zij hebben een probleem waar zij inderdaad niet openlijk over kunnen praten. Kinderen van joodse slachtoffers kunnen eindeloos praten en boeken schrijven. Kinderen van ouders in Jappenkampen kunnen hun verhaal eveneens kwijt, ook al zal er minder naar worden geluisterd, wat al weer een reden wordt om medelijden met zichzelf te hebben.

Natuurlijk is er bij NSB-kinderen weleens sprake van overgevoeligheid. Zo waren sommige leden van de Werkgroep Herkenning gekwetst door een affiche in bibliotheken, die mensen aanspoorde oorlogsboeken te lezen, met de slogan (in gotische letters): 'Was opa fout?' Nou ja... Maar als ik aan de andere kant lees hoe De Telegraaf - uitgerekend De Telegraaf - reageerde op het nieuws dat de Werkgroep Herkenning een regeringssubsidie van 125.000 gulden zou krijgen, kan ik die gevoeligheid begrijpen. Dit stond boven het artikel: 'Nazaten oorlogsslachtoffers woedend over subsidie - Alleen uitkering voor kinderen van NSBers'. Dit was in de eerste plaats onjuist: het ging niet om uitkeringen maar om een subsidie om een kantoor in te richten. Bovendien denk ik in dit land bij het woordje 'woedend' al snel aan andere woorden, zoals: bekrompen, bigot, stupide.

Mijn sympathie voor Ellen werd ook aangewakkerd door dingen die ik herkende: de oorlogsboeken in haar kast, haar wrange humor, haar neiging om de clown uit te hangen, haar berusting in de oneindige domheid van onze medemensen. Wat ik herkende was, kortom, dit: eigenlijk is iedereen die wordt behandeld alsof hij schuldig geboren is een jood.

    • Ian Buruma