Wat elders kan, kan hier ook

Selectie aan de poort zou de universiteit weer begerenswaardig maken. Dat verbetert niet alleen de stemming op de collegebanken, maar ook de mentaliteit op de middelbare school.

Vele jaren was selectie een heilig huisje waar door de Nederlandse politiek angstvallig omheen gelopen werd. Nauwelijks heeft een minister de moed om dat toch in discussie te brengen of een koor stijgt op om dit voornemen zo snel mogelijk onder de tafel te werken.

Een prealabele vraag: is het hele leven en de hele maatschappij niet vervuld van selectie... ook al zijn de instrumenten daarvoor vaak van zeer beperkte kwaliteit? Wat maakt de toegang tot de universiteit zo bijzonder dat daar een uitzondering gemaakt moet worden?

Terwille van de overzichtelijkheid wil ik mijn reactie op professor Drenth opbouwen aan de hand van een vijftal stellingen.

1 Selectie-aan-de-poort is in buitenlandse universiteiten, zoals in de VS, Japan en België, de gewoonste zaak van de wereld. Drenth gaat voorbij aan het feit dat men in vele landen wèl kans ziet te selecteren. In de VS gebeurt dat op de volgende wijze. Er zijn twee landelijke tests: de 'Scholastic Aptitude / Assessment Test (SAT)' en de 'American College Test (ACT)'. De kandidaat moet een 'college essay' schrijven en er wordt de kandidaat een interview afgenomen door de universiteit. Met het essay kan de potentiële student laten zien waarom hij geïnteresseerd is in de betreffende faculteit van die universiteit, en waarom die universiteit in hem geïnteresseerd zou moeten zijn. In het interview wordt dan wel duidelijk hoe doorleefd en robuust die opvattingen zijn.

Als zo'n selectie elders wèl kan, waarom dan niet hier? Waarom denkt Nederland het altijd beter te weten dan andere landen? Zouden we niet bereid moeten zijn om selectiesystemen in andere landen serieus te bestuderen om daar lering uit te trekken?

2 Selectie-aan-de-poort was, gezien de kwaliteit en de inhoud van de vakkenpakketten van de 'klassieke' vormen van gymnasium en HBS, eertijds minder opportuun. Met de huidige leerplan-invulling en studie-attitude in het VWO is dat helaas veranderd. Ik doel hier op zowel de inhoud als de omvang van de leerprogramma's in het voortgezet onderwijs, alsmede op de heersende studie-mentaliteit onder de leerlingen: 'een-zesje-is-goed-genoeg'.

3 Selectie-aan-de-poort zou de verdeling van de kandidaten naar bekwaamheid en motivatie over universitair- en hoger beroepsonderwijs (in de techniek: 'technische universiteit' en 'technische hogeschool') kunnen verbeteren.

Drenth gaat nauwelijks in op het feit dat we in de technische opleidingen naast de universiteit een HBO-systeem hebben. Daarbij mag, in verband met de beperkte klasgrootte, het HBO wèl selecteren, maar de universiteit niet! Als een samenspel van HBO en universiteit bij de selectie in de visie van Drenth niet voldoet als educationeel vangnet, wat moet het dan wèl zijn? En mogen we, naast de wensen van de kandidaten, ook enigszins rekening houden met de behoeften van de samenleving, zoals reeds lang het geval is bij de medische opleiding?

Trouwens, ten aanzien van die medische opleiding wordt het ontbreken van zo'n vangnet geaccepteerd, zelfs nu, en zelfs met het gemis van een vorm van selectie waarin ook motivatie een rol speelt.

In de studentengemeenschappen, HBO en universiteiten, blijkt thans een zeer ruime meerderheid in te stemmen met de stelling dat er “best een strengere selectie aan de poort (mag) komen om te zorgen dat bij elke studie alleen de echt geschikte en gemotiveerde studenten worden toegelaten” (citaat uit vele universiteitsbladen.)

4 Selectie-aan-de-poort hoeft geen onoverkomelijke belemmering te zijn voor 'laatbloeiers' - via het HBO of de Open Universiteit blijft een weg open. Bij selectie is grote zorgvuldigheid geboden. Maar alle inspanningen ten spijt - fouten maken is onvermijdelijk. Zorgvuldigheid is geboden, maar niet krampachtigheid. Indien, door de slechte initiële indicaties, een potentiële student wordt afgewezen, dan zal hij, indien uit het goede hout gesneden, de energie en werklust opbrengen om langs andere wegen (via HBO of Open Universiteit) zijn doel te bereiken. Ten aanzien van karakterontwikkeling is daar niets op tegen.

5 Selectie-aan-de-poort van de Nederlandse universiteiten zou de 'begerenswaardigheid' van de toelating tot een academische studie weer vergroten en het competitie-element stimuleren. Daarmee kan de studeerhouding op de middelbare school positief worden beïnvloed en worden de universiteiten weer bevolkt met studenten die van meet af aan intensief en efficiënt werken aan hun professionele en persoonlijkheidsvorming.

Naar mijn inzicht is in de afgelopen decennia het wetenschappelijk onderwijs 'te goedkoop' gemaakt. Daarmee bedoel ik: zonder wezenlijke waarde in de beleving van de student. Enkele voorbeelden ter adstructie. Het vele jaren toekennen van een studietoelage zonder dat hieraan de voorwaarde van een forse prestatie gekoppeld was (thans wordt dat met de tempobeurs wat bijgesteld). Het toelaten van 'rijp' en 'groen' tot de universiteit zonder enig 'intake-gesprek'. Het tolereren van een studie-inzet door vele studenten (zeker niet alle, maar wel vele!) van 1200 à 1300 uur per jaar, terwijl 1760 uur als norm geldt; ten opzichte van een 'normale' werkweek is die norm zeker niet te hoog. Het verschaffen van de OV-jaarkaart tegen bescheiden verrekening, en het spel dat vervolgens daarmee wordt gespeeld.

Het lijkt me een soort natuurwet: alles wat je gratis krijgt - of dat nu studiemogelijkheden, studietoelagen of OV-jaarkaarten zijn - wordt niet echt gewaardeerd. Die gratis dingen hebben het karakter van de lucht: ze worden als vanzelfsprekend ervaren en geven geen aanleiding tot enige vorm van appreciatie. In de VS, waar vele instituten 'duur' en moeilijk toegankelijk zijn, zal de student alles op alles zetten om deze investering in geld en in moeite tot haar recht te laten komen.

Waarom moet er geselecteerd worden? De antwoorden hierop zijn divers. Om jonge lieden die qua intelligentie, motivatie en doorzettingsvermogen niet op de universiteit thuis horen, tegen te houden. (Wellicht dat ze tijdens een HBO-opleiding alsnog de geschiktheid ontwikkelen.) Om het 'afvalpercentage' en de studieduurproblemen op de universiteiten te drukken. Om psychologische schade (falen) voor het individu te beperken. Om de financiële consequenties voor de gemeenschap te beheersen. Dat selectie ook het universitair onderwijs ten goede komt is duidelijk - reeds in het eerste jaar zijn er studenten die kwalitatief en qua motivatie beter zijn. Daardoor heeft de universiteit minder last van de 'wet van Posthumus' waarbij het onderwijsniveau zich onweerstaanbaar aanpast bij het gemiddelde van de studenten. Docenten worden minder lastig gevallen met 'probleemgevallen' en er is een geringere uitval tijdens de propaedeuse.

Wellicht komen we binnenkort tot de conclusie, dat we bereid moeten zijn te leren van de ervaringen in andere landen; dat we om te beginnen toch maar de cijfers van het centraal-landelijk VWO-examen als minst-slechte, objectieve maat voor selectie moeten gebruiken; dat een essay en persoonlijk gesprek bij de toelating ook in Nederland heel functioneel zouden zijn; en dat deze selectieprocedure een stimulerende invloed zal hebben op de VWO-leerlingen, waardoor de VWO-eindexamencijfers in de toekomst een betere afspiegeling zullen vormen van de intrinsieke kwaliteiten van de potentiële studenten.

We kunnen niet wachten tot onze selectie-instrumenten ideaal en onfeilbaar zijn. Ook hier geldt een pragmatisch adagium: 'Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan.' Elders werkt het ook zo.