'Fietser blijft toch een anarchist'

ROTTERDAM, 30 MAART. Iedereen is vóór, maar veel haast wordt er niet mee gemaakt. Zestien jaar geleden bepaalde de Tweede Kamer al dat fietsers van rechts voorrang moeten krijgen, vijf jaar geleden onderschreef voormalig minister Maij-Weggen van verkeer en waterstaat dit streven. Sindsdien beraadslagen rijk, provincies en gemeenten over een geschikte datum van invoering.

Dinsdag nam de Tweede Kamer een motie aan van GroenLinks, waarin minister Jorritsma van verkeer en waterstaat wordt verzocht nu eindelijk eens met het tijdstip te komen waarop de uitzonderingregel voor langzaam verkeer uit het verkeersregelement wordt geschrapt. Of de minister aan dat verzoek gehoor geeft, is nog onzeker. Want bij het departement gaat men uit van de gedachte dat Nederland eerst honderd procent fietsveilig moet zijn voordat de uitzonderingsregel wordt geschrapt. Dat kost veel tijd en vooral veel geld. Bovendien vreest het ministerie dat automobilisten, als het zover komt, de nieuwe regel aan hun laars lappen.

De uitzonderingsregel voor langzaam verkeer is uniek binnen Europa. Alleen op woonerven heeft de fietser sinds 1976 gelijke rechten. Tegenstanders mogen er graag op wijzen dat de uitzonderingsregel in 1941 is ingevoerd door de Duitse bezetter, opdat (Duitse) auto's en legervoertuigen geen last zouden ondervinden van (Nederlandse) fietsers. Over de vraag waarom de regel na de oorlog is gehandhaafd, scheiden de geesten. “De wederopbouw was de tijd van de vooruitgang, van vrij baan voor de auto. Die zwermen fietsers waren maar hinderlijk”, speculeert O. van Boggelen van de Fietsersbond ENFB. S. Schepel, projectleider verkeersveiligheid bij Verkeer en Waterstaat, ziet het anders. “Juist omdat Nederlanders zich zo massaal per fiets verplaatsten, was de wetgever voorzichtig. Vanwege zijn kwetsbare positie is de fietser ondergeschikt gemaakt aan het snelverkeer. Dat houdt hem alert.”

Minister Tuijnman van verkeer en waterstaat schoof het schrappen van de uitzonderingsregel in 1980 op de lange baan: eerst moest er gedegen onderzoek komen naar de gevolgen voor de verkeersveiligheid. Vijf jaar later sprak de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) de vrees uit dat de nieuwe verkeersregels met name in de overgangsperiode - als ingesleten gewoonten moeten veranderen - tot verhoogde sterfte onder fietsers zouden leiden. De SWOV voorspelde met name extra schade op kruispunten waar met hoge snelheden wordt gereden, de intensiteit van het autoverkeer hoog is en hoofd- en zijweg 'informeel' geordend zijn. (dat wil zeggen: waar één weg gevoelsmatig voorrangsweg is, zonder dat dit met borden of haaietanden is aangegeven).

In een vervolgonderzoek uit 1988 adviseerde het SWOV de uitzonderingsregel pas te schrappen als alle belangrijke kruispunten binnen de bebouwde kom van een voorrangsregeling zijn voorzien. Woonstraten moesten tot 30-kilometergebied zijn gemaakt en er moest een veilige infrastructuur van fietspaden en -stroken komen. In 1990 beloofde minister Maij-Weggen de uitzonderingsregel te schrappen wanneer het Nederlandse wegennet 'duurzaam veilig' was.

Daar is voorlopig nog geen zicht op. “Binnenkort gaat een experiment van start om een klein gebied in westelijk Zeeuws-Vlaanderen duurzaam veilig te maken”, zegt S. Schepel van Verkeer en Waterstaat. “Dat vergt al een investering van 100 miljoen gulden over vijf jaar.” Een belangrijk obstakel voor verandering is de verdeling van het wegenbeheer over rijk, provincies en gemeenten, erkent hij. “Neem Rotterdam. Daar maakt de gemeente van doorgaande wegen bij voorkeur geen voorrangswegen, omdat de automobilisten die dan als racebaan beschouwen. Wanneer we nu vanuit Den Haag zeggen: we willen op alle kruispunten een voorrangsregeling en in alle woonwijken 30-kilometer-gebieden, en wel op deze termijn, dan heeft Rotterdam het volste recht het handje bij het departement op te houden. Dan zeggen wij: heel sympathiek, die gelijkberechting van fietsers, maar het is geen doel op zich.”

De Raad voor Verkeersveiligheid, al jaren een ferm voorstander van een snelle invoering van voorrang voor fietsers, keert die redenering om. De ondergeschiktheid van fietsers aan het snelverkeer luidt een neergaande spiraal in, zo schreef de raad begin dit jaar in een 'Top Tien van Aanbevelingen'. Door aan te geven op welk tijdstip de uitzonderingsregel verdwijnt, worden de gemeenten gedwongen Nederland snel fietsveilig te maken. O. van Boggelen van de Fietsersbond ENFB zou de uitzonderingsregel het liefst meteen schrappen. De risico's acht hij gering. Automobilisten zijn al gewend om te reageren op snelverkeer van rechts, bij fietsers is de reactietijd alleen maar groter. En dat een fietser formeel voorrang heeft, betekent nog niet dat hij zich blind voor elke aanstormende vrachtwagen van links stort.

Bovendien zal gelijkberechtiging de fietsers ook stimuleren zich aan de verkeersregels te houden, want daartoe is deze weggebruiker tot dusver niet al te zeer geneigd. Van Boggelen: “Van een volwaardige verkeersdeelnemer mag je verwachten dat hij zich aan de regels houdt, in zijn huidige underdog-positie heeft de fietser daar weinig reden toe.” Schepel heeft daar een hard hoofd in. “Elke weggebruiker legt de verkeersregels het liefst in eigen voordeel uit. Dat de fietser zich bij uitstek anarchistisch gedraagt, zal niet veranderen als je hem gelijke rechten geeft ten opzichte van de automobilist.”