De kwalijke verleiding van een buikige achterban

Zal het ooit nog goed komen tussen de politicus en de burger? Of is het maar beter de feiten onder ogen te zien en te besluiten tot het aanvragen van een formele scheiding? Incompatibilité d'humeur, met deze beschaafde formulering zouden de partners afscheid kunnen nemen voordat er nare dingen gebeuren. Want het is de laatste tijd voortdurend ruzie. Vooral de parlementariërs laten geen gelegenheid voorbijgaan hun kiezers de oren te wassen en hen in het openbaar te beledigen. Zeker als het gaat over het vreemdelingenbeleid. De burgers worden daarbij zó gewantrouwd, dat ze door de politiek of als onderbuikers, of als bovenbuikers in de hoek worden gezet. Deugen doen ze in geen geval.

De eerste categorie, die van de onderbuikers, is, naar het zich laat aanzien, de laatste variant van de politieke doelgroep die ooit, begin jaren zeventig, aangeduid werd met 'de mensen in de buurten en de bedrijven'. In de retoriek van die tijd was iedereen die in een buurt woonde (bij voorkeur een die nodig gerenoveerd moest worden) en bij een bedrijf in loondienst was (bij voorkeur in de laagste schaal) helemaal o.k.

Deze eenvoudige burgers waren zonder uitzondering goedwillend, goudeerlijk, en hun problemen waren van alle maatschappelijke problemen de mooiste en het meest de moeite waard. Dat vond toen bijna elke politicus die vooruit wilde. Ja, in die tijd waren de buurten en bedrijven vaak de enige plaatsen waar je nog fatsoenlijke mensen tegen kwam en waar de volksvertegenwoordiger regelmatig te vinden was om inspiratie op te doen. Inspiratie die hij hard nodig had om staande te blijven in de zuigende belangenverstrengeling van de Nederlandse coalitiepolitiek. En het kwam niet in zijn hoofd op zich te schamen voor deze achterban, die, soms grofbesnaard maar met het hart op de tong, in medemenselijkheid met kop en schouders uitstak boven de rest van het kiezersvolk.

Maar in twintig jaar kan er een hoop misgaan. Het beschavingspeil in de buurten moet dramatisch gezakt zijn, want wat de bewoners anno 1995 te melden hebben over hun problemen wordt door hun vroegere vrienden nauwelijks nog serieus genomen. De klaagzangen die daar opklinken worden door hen bestempeld als 'onderbuikgeluiden'. Als onbeschaafd gereutel uit de sociale schaamstreek van Nederland. En dit naargeestige geluid kondigt eerder een zwart herfsttij aan, dan een nieuwe lente.

Is de werkelijkheid veranderd of de politieke definitie ervan? Hoe men daar ook over kan denken, feit is dat de gewone buurtbewoners hun aantrekkingskracht hebben verloren omdat ze in de ogen van hun vertegenwoordigers niet langer worden gedreven door gezamenlijke idealen, maar door platte driften en duistere emoties. Deze gevoelsmensen zijn daarom absoluut niet te vertrouwen en marcheren achter iedere muzikant aan die de trom roert van het onbehagen. De vooruitstrevende politicus gruwt ervan en het enige wat hij kan bedenken is zijn persoonlijke verantwoordelijkheid voor dit volkje af te schuiven en hun problemen tot onderwerp van nationale zorg te maken. Aan de onderbuikers valt toch geen partij-politieke eer meer te behalen.

De bovenbuikers zijn ook niet erg geliefd in Den Haag. Deze categorie bestond vroeger grotendeels uit wat De Zwijgende Meerderheid werd genoemd. Een amorfe massa van tevreden burgers die door hun dood gewicht het schip van staat op koers hielden. Ze vormden jarenlang de statistische zekerheden aan de hand waarvan de volksvertegenwoordigers hun carrières uitstippelden. Deze groep woonde keurig verspreid, en kon binnen de Nederlandse verhoudingen weinig kwaad omdat ze al even keurig verdeeld was over de grote partijen. Althans, dat werd vermoed want je zag ze nooit op een vergadering. Maar elke stembusuitslag toonde aan dat ze er toch waren en dat hun voorkeuren nauwelijks veranderden.

Helaas, ook dat is niet langer zo. De brave meerderheid blijft steeds vaker weg en als ze wel haar stem uitbrengt doet ze dat de laatste tijd steeds op een andere partij, zodat de lading begint te schuiven en de politici aan dek behoorlijk zeeziek worden. Het beeld van de trouwe klant die met zijn pijpje, zijn krant en zijn zekerheden de ruggegraat van de democratie vormde, is veranderd in dat van de hedonistische shopper die, zich haastend van aanbieding naar aanbieding, maar één wet erkent: die van de eigen bovenbuik. Deze burger is geen serieuze gesprekspartner meer maar een onverzadigbare consument die het politieke gedachtengoed gedachteloos wegknabbelt en slechts met sensatie en sentiment het stemlokaal in te krijgen is.

Het is moeilijk te zeggen of de bovenbuiker meer geminacht wordt dan de onderbuiker. Dat varieert wellicht met de ethische achtergrond van de politicus. Feit is dat beide categorieën burgers voor heel wat maagpijn zorgen in Den Haag. Een zeurende, weeïge pijn ergens in het middenrif, een gevoel dat voorkomt uit angst. De angst verleid te worden door dit electoraat, dat gespeend van elk ideaal, elke gedachte en elke redelijkheid, de laagste instincten bij de politicus wakker roept. En die verleiding is te groot voor een goed huwelijk.