Geen zorgen! Geen gemier!; Nederlandse liedjes uit oorlogstijd

Wat voor liedjes zong Nederland tijdens en na de Tweede Wereldoorlog? Het amusement maakte er allerminst een gewoonte van om het publiek tot bezinning te brengen of tot tranen toe te bewegen, blijkt uit een tweedelige dubbel-cd 'Nederland bezet & bevrijd'. “Laten we niet mopperen, aan alles komt een end/ zit niet bij de pakken neer, gedraag je als een vent”

Nederland bezet & bevrijd I en II, Disky DCD 5421. Co de Kloet: Trees heeft een Canadees. Uitg. Fontein, 112 blz. Prijs ƒ 19,90.

De populaire vocalist Willy Derby, naar de mode van die tijd een in rokkostuum gehuld artiest met een geknepen stemgeluid en een glimmend brillantine-hoofd, reisde in het voorjaar van 1939 naar de Polydor-studio in Berlijn om nieuw repertoire op de plaat te zetten. Dat was niet ongebruikelijk; aangezien er in Nederland nog nauwelijks goede opnamestudio's bestonden, werden in de jaren dertig veel grammofoonplaten in het buitenland opgenomen (alle grote hits van Louis Davids zijn in Londen gemaakt). Tot de nummers die Derby gedurende dat omineuze voorjaar in het Berlijnse schellak vastlegde, behoorde een lied van de tekstdichter Chef van Dijk en de componist Max Tak. Het vertolkte de gevoelens van die tijd: “Morgen gaat het beter, beter, beter / morgen kijk je iedereen weer glunderlachend aan. / Morgen gaat het beter, beter, beter / morgen zullen zorgen van vandaag niet meer bestaan.”

Ruim een jaar later, in de meidagen van 1940, zong Derby een ander actueel lied: “Koop eens een handje vol bloemen / en leg ze neer op zo'n graf / want daar rust een held / die op het Grebbeveld / zijn leven voor 't vaderland gaf.” De tekst was van Jacques van Tol, de kameleontische amusementsauteur die zijn naam voorgoed besmette door tijdens de bezetting een collaborerend radio-cabaret te leiden. Derby werd gearresteerd en bracht korte tijd door in de Polizei-Gefängnis in Scheveningen. De tekst werd verboden; de muziek niet, want het betrof hier het Duitse lied 'Melodia', beter bekend als 'Hörst du mein heimliches Rufen'. In de zomer van 1943 boekte Derby groot succes met een ander nummer van Van Tol, dat de draak stak met de noodgedwongen aanplant van tabak in de eigen tuin: “'k Heb een tuintje met Havanna / en Virginia-tabak / 'k rook sigaren van de kouwe grond / een Piraatje zo van de tak...”

'Op de Grebbeberg' ontbreekt in de rijke en veelzijdige selectie van liedjes uit mobilisatie en oorlogstijd, die de eminente geluidsrestaurateur Harry Coster heeft vastgelegd op de tweedelige dubbel-cd Nederland bezet & bevrijd. Het zou, in al zijn droefenis, dan ook een Fremdkörper zijn geweest. In de bange dagen, die nu alom worden herdacht, maakte het amusement er allerminst een gewoonte van om het publiek tot bezinning te brengen of tot tranen toe te bewegen. Dat gebeurde in de grauwe buitenwereld al meer dan genoeg. “Geen zorgen! Geen gemier! Bij ons een avond van plezier!” luidde het typerende motto boven een advertentie voor een vrolijk cabaret-programma in het najaar van 1942. De populaire zangers en muzikanten hielden zich bezig met kop-op en houd-er-de- moed-maar-in-repertoire. Voor zover er ongemakken aan de orde kwamen, werden die onschadelijk gemaakt door ze weg te lachen - zoals in datzelfde lied over de moeizame tabakskweek: “Soms wil die vlam niet pakken / al is de oogst ook rijp / dan liggen er rupsen of slakken / te knetteren in m'n pijp.”

Hamsteren

Al tijdens de mobilisatie spande de vermaaksindustrie zich van harte in om de spanningen weg te masseren. “Je weet in deze dagen niet / wat kan gebeuren morgen,” luidt de dreigende - en door de rijmdwang ietwat kreupele - aanhef van 'Holder de bolder (we hebben een koe op zolder)' uit november 1939, maar na die eerste regels volgt al snel een kluchtig relaas, dat de spot drijft met de drang tot hamsteren die veel Nederlanders toen overviel. “We hoeven niet te hamsteren / er is nog reuze veel,” zong het jolige duo Johnny & Jones diezelfde maand. En de humorist Albertus Wijstma, die optrad onder het pseudoniem Bartoes, hief dat najaar het soldatenlied 'Rats, kuch en bonen' aan, met de sussende regels: “De gevaren die w'ontwaren / zullen Nederland wel sparen.”

Het is, voor wie hun geschiedenis kent, buitengewoon wrang die artiesten hier, op de eerste van de vier cd's, zo broederlijk bij elkaar te zien staan. Johnny & Jones waren joods en werden in 1943 naar Westerbork getransporteerd, waar ze hun bijeengedreven publiek nog vertederden met: “Ik zing mijn Westerbork Serenade / langs het spoorwegbaantje / schijnt het zilv'ren maantje / op de heide”. Ze krepeerden in maart 1945 in Bergen-Belsen. De tweederangskomiek Bartoes belandde intussen in het vijandelijk kamp, bracht antigeallieerde en antisemitische teksten ten gehore en werd na de oorlog levenslang uit zijn vak gestoten.

Tussen die twee extremen hield het amusementsgenre zichzelf en zijn naar ontspanning hunkerende publiek tijdens de bezettingsjaren staande met liedjes waarin het optimisme overwon. “'k Heb me weten aan te passen bij de nieuwe tijd,” zong Ramblers-vocalist Wim Poppink in 1941, in een nummer over de woningnood. “Ik lees dan hoe het goede steeds / het kwade overwint,” luidde in dat jaar de bemoedigende conclusie van het lied 'Mijn sprookjesboek', op de plaat gezet door het veertienjarige jongenssopraantje Willy Alberti. “Laten we niet mopperen, aan alles komt een end / zit niet bij de pakken neer, gedraag je als een vent / want 't komt wel weer in orde / doe als ik en trek je nergens iets van aan,” was het credo van Jan de Vries, de refreinzanger bij het orkest van Dick Willebrandts, in 1943 - zonder verder te verduidelijken wat er op dat moment niet in orde was. “Ik zie de zon / al schijnt ze niet,” kwinkeleerde de geliefde Eddy Christiani in 1944.

Maar even kenmerkend als al dat goedgemutste vertier was het getoonzette verlangen naar rust, vredigheid, romantiek en een wereld die weer overzichtelijk zou zijn. Zoals in het liedje, dat Marcel Thielemans in 1943 zong: “Een heel klein huisje met een tuintje / en een bloempje voor het raam / een aardig meisje in de kamer / en dat meisje draagt jouw naam...” Het grote aantal sterrenhemels en lieflijk schijnende maantjes is geen toeval; ze werden bezongen in een periode dat de Sperrzeit het onmogelijk maakte 's avonds onbekommerd buiten te zijn. En het is evenmin een wonder dat er toen ook veel werd gemijmerd over exotische oorden als Capri en Madeira - onbereikbare oorden voor wie in een bezet land leeft. Daarbij groeide het commerciële Hawaian-repertoire uit tot een ware rage; niet alleen vanwege de warmte van de bezongen lokaties, maar minstens zo zeer omdat de in hun jazz-improvisaties beknotte muzikanten op die elektrische gitaren en die tinkelende vibrafoons kans zagen heel wat steelse swing te berde te brengen.

Knechtschap

Oorlogsliedjes die verwezen naar een betere tijd, zoals 'Eens zal de Betuwe in bloei weer staan' en 'Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan', bleven ook in de blije bevrijdingsmaanden nog ruimschoots actueel. Ze staan dan ook in het boekje 'Trees heeft een Canadees', waarin Co de Kloet de teksten heeft gebundeld van 'de bekendste liedjes rondom de bevrijding'. Het lied dat de titel opleverde, is daarvan het meest roemruchte, want het verwees op luchtige wijze naar de warme contacten tussen Nederlandse meisjes en Canadese bevrijders. Andere nummers in dit aardige overzicht van de toenmalige tijdgeest gaan over het bedelen om sigaretten ('A Cigaret For Pappa'), het leren van de Engelse taal, de dansfeesten en vanzelfsprekend de vreugde over de herwonnen vrijheid. Maar of hier werkelijk sprake is van 'de bekendste liedjes' lijkt mij de vraag. Ik kan me niet voorstellen dat de treurige tekst 'Jodenbreestraat' in de zomer van 1945 luidkeels is meegezongen, net zo min als het statige lied 'Vrij' van Adriaan Morriën: “Wij kunnen eindelijk weer leven / van knechtschap en van schande vrij. / Een land ontwaakte in de regen. / Een volk stond op van slavernij.” Nee, de nummers uit de bevrijding waren Amerikaanse nummers. De hoogtijdagen van het Nederlandse amusementslied waren voorbij. De grootste hits uit die tijd heetten 'Don't Fence Me In' en 'Give Me Five Minutes More'.

De liedjes uit mobilisatie, bezetting en bevrijding hebben veel te vertellen, ook - en misschien juist - door wat ze weglieten. Wie succes wilde oogsten, maakte zich meester van de gevoelens van zijn publiek en zette die om in de tijdelijke troost van de gezamenlijk gedeelde ervaring. Zou dat nu nog zo zijn? Ik weet het niet. Zullen de populaire liedjes van tegenwoordig óók, als ze over vijftig jaar worden beluisterd, iets duidelijk maken over deze tijd? Hoewel het lastig is dat op dit moment, zonder afstand, vast te stellen, kan ik me niet voorstellen dat Gordon of Marco Borsato of zelfs de zingende Paul de Leeuw, al is het maar tussen de regels door, iets melden over de jaren negentig. Maar wie weet wat er in 2045 in hun teksten te lezen zal zijn.