Evidente onzin voldoende voor strafrechtelijke veroordeling

AMSTERDAM, 24 MAART. Justitie heeft de strafrechtelijke aanpak van discriminerende uitlatingen geïntensiveerd. Een lastig punt daarbij is of dit ook moet slaan op de zogeheten 'Auschwitz-leugen', allerlei betogen waarin de wordt Holocaust ontkend. Deze ontkenning spot met elk historisch besef. Maar is evidente onzin voldoende voor een strafrechtelijke veroordeling? Een categorisch verbod staat op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting.

Toch heeft het Europees parlement eind oktober uitgesproken dat ontkenning van de Holocaust binnen de hele Europese Unie als een echt misdrijf dient te worden beschouwd. Het riep, in een overigens nogal oppervlakkig debat, alle lidstaten op hun wetgeving aan te passen. Vorige week nam België een wet aan die een straf van maximaal een jaar hechtenis of een geldboete zet op het leugenen, vergoelijken of rechtvaardigen van de massamoord op de joden door de nazi's. In ons land ontbreekt een specifieke wetsbepaling. Het Nederlandse Kamerlid Dittrich (D66) vroeg direct na de Europese resolutie zijn partijgenoot en minister van justitie Sorgdrager of zij bereid is met zo'n bepaling te komen. Voor alle zekerheid heeft hij zelf alvast het concept voor een initiatief-wetsvoorstel opgesteld.

Net als minister Sorgdrager geeft Dittrich er echter verreweg de voorkeur aan dat de strafrechter op grond van de bestaande wetgeving een stokje steekt voor ontkenning van de Holocaust. De strafbepalingen over belediging van een bevolkingsgroep wegens ras of geloof en het aanzetten tot haat zouden daarvoor een aanknopingspunt moeten bieden. De vraag is alleen of de enkele ontkenning van de Holocaust als pure meningsuiting een voldoende beledigend karakter heeft om onder deze artikelen van het Wetboek van strafrecht te vallen.

Er heeft zich al een test-case aangediend, de zaak tegen de Belgische uitgever Siegfried Verbeke. Deze heeft onder meer aan 454 scholen in Nederland “revisionistisch” materiaal toegestuurd waarin de vergassing van joden in de Tweede Wereldoorlog wordt afgedaan als een mythe. De rechtbank in Den Haag veroordeelde Verbeke vorige week tot een boete van vijfduizend gulden en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden wegens belediging van de joodse bevolkingsgroep.

Het Centrum Informatie Documentatie Israel (CIDI) verklaarde zich verheugd dat de “enkelvoudige ontkenning van de gaskamer” nu door de rechter verboden is verklaard. Dat gebeurde echter alleen impliciet. De Haagse rechters hebben zich niet met zoveel woorden uitgesproken over de principiële rechtsvraag. Dit had een nogal technische reden. De verdediging heeft kennelijk vooral gehamerd op beweerde procedurele fouten, zoals de onduidelijkheid van de dagvaarding en misbruik van bevoegdheden door justitie. Op deze uitdrukkelijke verweren gaf de rechtbank een uitdrukkelijk antwoord. Verder volgde zij gewoon de tenlastelegging van de officier van justitie.

In het voetspoor van de aanklager bevat het vonnis een bloemlezing van passages uit twee “revisionistische” geschriften, De Rudolf Expertise en het Leuchter Rapport. Maar het blijft onduidelijk of een bewering dat “de massavergassingen in welke gebouwen in Auschwitz dan ook onverenigbaar zijn met natuurkundige wetten” op zichzelf een strafbare belediging oplevert of dat dit toch eigenlijk pas het geval is door de context en bewoordingen van een geschrift als de Rudolf Expertise of de bedoelingen van de verdachte.

Dit soort onderscheidingen aan te brengen lijkt wellicht het zoeken van spijkers op laag water. Maar ze maken toch groot verschil, bijvoorbeeld voor de vraag hoe expliciet de media kunnen berichten over neofascistische groepen. Verder is het de vraag of al dan niet quasi-wetenschappelijke onwaarheden ook in andere gevallen zonder meer verboden kunnen worden. Er zijn allerlei voorbeelden denkbaar over zigeuners, homofielen, bewoners van het voormalige Joegoslavië, fundamentalisten. Waar houdt het op?

Het is dan ook jammer dat de rechtbank in Den Haag geen aanleiding heeft gezien zich ambtshalve nader uit te spreken in de test-case die haar werd voorgelegd. De Hoge Raad heeft eind februari al wel een vingerwijzing gegeven in een enigszins vergelijkbare zaak over een demonstrant in Leeuwarden. Deze was veroordeeld voor belediging van de joodse bevolkingsgroep wegens het dragen van een rode armband met een zwart hakenkruis. Zijn raadsman vocht deze veroordeling onder meer aan met het argument dat daarbij niet een “nadrukkelijk verband was gelegd met joden(vervolging)”, zodat het beledigende karakter ontbrak. De Hoge Raad wees dit bezwaar echter af. De verdachte bedoelde met zijn armband de nationaal-socialistische ideologie uit te dragen die zich bij uitstek kenmerkt door rassenleer en antisemitisme en op grond waarvan in de Tweede Wereldoorlog op grote schaal joden zijn vervolgd en vermoord. Daardoor is dit symbool wel degelijk grievend.

Dit laatste argument werd vorig jaar door het Constitutionele Hof in Duitsland reeds uitgewerkt in zijn beslissing een eind te maken aan alle discussie over de strafbaarheid van de enkele 'Auschswitz-leugen'. Het hof wees op het bijzondere karakter van de persoonlijke verhouding tussen de joden en hun Duitse medeburgers als gevolg van het nazi-onrecht dat hen is aangedaan. Zij kunnen aanspraak maken op een “bijzondere morele verantwoordelijkheid van alle anderen”.

De uitvoerig aangetoonde onwaarheid van de 'Auschwitz-leugen' vormde voor het Constitutionele Hof een argument te meer om de bescherming van de menselijke waardigheid hier voorrang te verlenen boven de vrijheid van meningsuiting. Toch vond het hof ook dat deze vrijheid bij “kwesties die de publieke opinie ten diepste beroeren” aanspraak maakt op speciale bescherming. Alle discussie valt dus kennelijk niet uit te bannen. Daarop zou ook de verwijzing van de Hoge Raad naar de bedoeling van de verdachte in de zaak van het hakenkruis in Leeuwarden kunnen duiden, al is zo'n subjectieve maatstaf in het strafrecht altijd hachelijk.

Dat de strafbaarheid van de enkele ontkenning van de Holocaust minder eenvoudig ligt dan de uitspraak van de rechtbank in Den Haag doet vermoeden, is ook de ervaring van Dittrich. Bij alle sympathie voor zijn wetgevingsinitiatief ontmoette hij bij zijn collega's in de Tweede Kamer ook twijfels. In een interview met het Nieuw Israelietisch Weekblad sprak hij vorige week zelfs de vrees uit dat zijn voorstel wel eens geen meerderheid zou kunnen halen - hetgeen helemaal averechts zou kunnen werken. Deze twijfels bij de (mede)wetgever onderstrepen het belang van een grondige beoordeling door de rechter. Het is nog onduidelijk of er hoger beroep tegen het Haagse vonnis wordt ingesteld, maar anders zou de procureur-generaal bij de Hoge Raad kunnen overwegen deze zaak “in belang der wet” aan dit college voor te leggen.

    • F.Kuitenbrouwer