De Zenmeesters van de Wieringermeerpolder; Jubileumtentoonstelling van Galerie Art & Project

In de 25 jaar dat hun galerie Art & Project in Amsterdam was gevestigd hebben galeriehouders Adriaan van Ravesteijn en Geert van Beijeren zich meer opgesteld als kunstliefhebbers dan als kunsthandelaren. Ze verkochten in die periode voornamelijk 'moeilijk' werk van kunstenaars als Jan Dibbets, Barry Flanagan, Nicholas Pope en Stanley Brouwn. “Je koopt het niet. Je koopt het niet.

Art & Project. De Amsterdamse Jaren, Stedelijk Museum, Amsterdam, Tot 23 april.

Het kwam voor dat de galerie de expositie op de post deed. Zo vond ik eens de tentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Robert Barry in mijn brievenbus. Deze bestond uit één zin: 'during the exhibition the gallery will be closed.' Het kunstwerk was letterlijk uitgevoerd, de galerie was inderdaad gesloten gedurende de tentoonstelling.

De leukste privé-onderneming op het gebied van de beeldende kunst in Nederland, galerie Art & Project, is sinds de oprichting in 1968 opgevallen door haar onorthodoxe stijl. Onderdeel hiervan is een prettig dédain ten aanzien van kassa-succes. In de beginjaren hield Art & Project zich louter met de expositie van - kunstzinnige - ideeën bezig, wat per definitie geen lucratieve bezigheid is. Het immateriële karakter van de conceptuele kunst waarin Art & Project toen gespecialiseerd was, is bepalend geweest voor haar ontwikkeling.

Dit blijkt ondermeer uit de overzichtstentoonstelling Art & Project. De Amsterdamse Jaren 1968-1989 die te zien is in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het is de eerste keer dat het museum een 'hommage' in de vorm van een expositie aan een galerie brengt. Art & Project, nu gevestigd in Slootdorp in de Wieringermeer, was dan ook een tijdlang de enige plek in Nederland waar kunst van de toenmalige avant-garde ontdekt kon worden. Dat de galerie veel intuïtie voor kwaliteit aan de dag legde bij haar keuze van onbekende kunstenaars, is pas achteraf vast te stellen. De tentoonstelling, die zich in vier museumzalen afspeelt, toont werken van veelal tot coryfeeën uitgegroeide kunstenaars als Jan Dibbets, Tony Cragg, Ger van Elk, Barry Flanagan, Gilbert & George, Sol LeWitt, Richard Long, Juan Muñoz, Nicholas Pope, Salvo, Toon Verhoef, Carel Visser, Leo Vroegindeweij en de haast in het verborgene opererende Ben Akkerman en Stanley Brouwn.

Handtellertje

Dat de galerie-eigenaren Adriaan van Ravesteijn en Geert van Beijeren Bergen en Henegouwen, die de tentoonstelling zelf inrichtten, zich veeleer als kunstliefhebbers dan als kunsthandelaren opstellen, is goed te merken. De stal van de galerie is wars van modieuze eendagsvliegen. Het is alsof je de verzameling van een eigenzinnige particulier bekijkt die door dik en dun op zijn eigen smaak afgaat. Kunst die het grote gebaar of de emotionele schreeuw uitdraagt, heeft de galerie nooit aangesproken. De kunstwerken uit de verschillende periodes die de geschiedenis zijn ingegaan onder noemers als 'concept art', of 'fundamentele schilderkunst' wijzen op een uitgesproken voorkeur voor geserreerde kunst. De vertegenwoordigers van de conceptuele kunst, die rond 1966 de kop opstak, hechtten meer betekenis aan abstracte ideeën dan aan 'materiële visualisatie'. Een humoristisch voorbeeld van deze opvatting is de kunst van de Nederlander Stanley Brouwn. Zonder het te beseffen was ik ooit getuige van de creatie van een conceptueel kunstwerk van Brouwn. Dat was toen ik in gezelschap van de kunstenaar een wandelingetje door Enkhuizen maakte. Brouwn bleek een handtellertje in zijn jaszak te hebben waarmee hij zijn voetstappen telde. Brouwns universele thema was de registratie van het aantal voetstappen dat de mens op aarde zet. Onze wandeling die zich had voortgezet in Medemblik, was tevens een kunstzinnig project. Het kunstwerk dat Brouwn deze dag schiep, bestond uit de vermelding van getallen. Brouwn registreerde zijn eerste stappen in 'de Enk' en 'de Medum' en het totaal van zijn dagstappen, te weten 9125 stuks, neergezet op vrijdag 19 februari 1971. Art & Project toont in het Stedelijk Museum Brouwns 'Potentiële Beginpunten' voor een wandeling die bij de in de Amsterdamse Richard Wagnerstraat gehuisveste galerie begon. De kunstliefhebber kon desgewenst een certificaat van Brouwn kopen, die uit een foto bestond waarop een vierkante meter aan trottoirtegels was te zien. Verder was het de bedoeling dat deze vanaf het potentiële beginpunt op eigen houtje aan een wandeling begon om zich bewust te worden van het fenomeen lopen.

De Engelse kunstenaar Richard Long was ook een wandelaar, maar meer van de romantische soort. Hij registreerde de ongerepte natuur waarin hij gevonden materiaal als stenen of takjes in eenvoudige patronen vastlegde door middel van foto's. Soms zette hij de takjes of de stenen op de vloer van de galerie uit waar ze cirkels of lijnen vormden.

De conceptuele kunst bediende zich veelal van de taal. Lawrence Weiner is een van de weinige kunstenaars die dat nog steeds doet. Zijn kunst bestaat uitsluitend uit 'statements' die vroeger in dunne boekjes waren te vinden en die nu op de wanden van de internationale musea worden weergegeven.

Een mooi poëtisch kunstwerk uit deze roemruchte periode heb ik altijd Dibbets' sculptuur van het territorium van een roodborstje gevonden. De vorm van deze uit simpele, witte paaltjes bestaande sculptuur liet Dibbets bepalen door de vliegroute van het voornoemde, in het Amsterdamse Vondelpark aangetroffen vogeltje. Met zijn uitspraak 'naar beeldende kunst moet je kunnen kijken', distantieerde Jan Dibbets zich overigens al in een vrij vroeg stadium van kunst die zich voor het belangrijkste deel in je hoofd afspeelde.

Motorfiets

Ook toen er al weer volop werd geschilderd, koos Art & Project steeds voor kunstenaars voor wie de idee de vorm van de kunst bepaalt. Dit geldt voor de kunst van Ben Akkerman, Toon Verhoef of Jos Kruit en in hoge mate voor die van Ger van Elk. Art & Project toont in het museum zijn Pulling Babies, uit 1980, en Honda Gothic uit 1986. Ger van Elk refereert in zijn werk zowel aan de kunstgeschiedenis als aan zijn persoonlijke emotionele ervaringen. De inhoud van het werk decreteert steeds de vorm waarin het onderscheid tussen schilder- en beeldhouwkunst is opgeheven. De op een smalle, langwerpige strook canvas weergegeven Pulling Babies die zich uitstrekt van het plafond tot de vloer, wekt de indruk alsof het werk als een stuk elastiek is uitgerekt.

De Honda Gothic, gevormd door een met verf bewerkte foto, heeft daarentegen een traditioneel, staand formaat. Dit kunstwerk is geïnspireerd op een religieuze voorstelling waarin de kunstenaar als de Moeder Gods en als Gods zoon optreedt en waarin de aureolen rond hun respectievelijke hoofden gevormd worden door de wielen van een Honda-motorfiets.

Ben Akkerman, van wie elders in het Stedelijk Museum een groot aantal werken is te zien, formuleerde zijn ideale kunstwerk ooit in de zinsnede: “Het moet niet te nadrukkelijk aanwezig zijn. Je moet het in het voorbijgaan zien alsof je iemand tegenkomt die even zijn hand opsteekt. Een korte groet, een kuchje en het is voorbij.” Hoewel Akkermans hang naar soberheid wel erg ver gaat, stijgt er uit de presentatie van Art & Project een soortgelijke sfeer op.

De schokbestendigheid van het duo Van Ravesteijn & Van Beijeren kwam vooral tot uiting toen de aanvankelijk nauwelijks verkoopbare conceptuele kunst aan het eind van de jaren tachtig ontdekt werd door de Japanse kunstmarkt. De galerie, die de gewoonte heeft om van iedere exposerende kunstenaar een werk aan te kopen en derhalve over de nodige conceptuele kunst beschikte, ging in het geheel niet op de aanvragen in. Hun visie op de hedendaagse 'tulpenhandel' in moderne kunst maakt de beide ondernemers tot de Zenmeesters van de Wieringermeerpolder. De absurditeit van het gegeven zet hen aan tot een voor kunsthandelaren volledig onlogisch gedrag. Op de klant die zich aanmeldt met de duidelijke bedoeling om kunst als beleggingsobject aan te schaffen, wordt het ontmoedigingsbeleid toegepast. 'Denkt u er eerst nog maar eens rustig over na' wordt de klant ten verstaan gegeven terwijl Van Ravesteijn intussen bezweringsrituelen uitvoert waarbij hij in zichzelf de zin herhaalt 'Je koopt het niet. Je koopt het niet' waarbij de nadruk op het woordje 'niet' wordt gelegd. Wonderlijk genoeg heeft deze tegendraadse houding niet tot een faillisement geleid. Van Ravesteijn, die in Delft architectuur studeerde en Van Beijeren, die aanvankelijk als onderwijzer op lagere scholen in Friesland en Noordholland werkte en later als conservator bij het Amsterdamse Stedelijk Museum en het Rotterdamse Museum Boymans, besturen 'een uitstekend lopende galerie met een uitstekende omzet'. Hun kopers zijn vooral musea en bedrijven als de ABN-AMRO. Sinds ze in 1990 naar Slootdorp verhuisden, waar ze over een ruimte beschikken met de omvang van een bescheiden museum, richten ze zich voornamelijk nog op Nederlandse kunst waaronder die van jongere kunstenaars als Hans Broek en Koen Vermeule.