Verband tussen roken, drinken en kanker is niet meer alleen statistisch

In de jaren zestig drong het besef door dat roken en alcoholdrinken de kans op kanker verhogen. In een stroom epidemiologische onderzoeken is in de decennia daarna aangetoond dat rokers een tienmaal grotere kans op longkanker en strottehoofdkanker lopen en zelfs een 27 maal grotere kans op mond- en keelkanker. Die laatste twee kankers zijn overigens tamelijk zeldzaam. Sinds er tumorsuppressorgenen en oncogenen zijn ontdekt, nu ruim tien jaar geleden, is de mogelijkheid ontstaan om de moleculaire gebeurtenissen, van circulerende tabaksrook in keel en longen, via schade aan DNA tot het ontstaan van de eerste kankercellen, te volgen. Daarmee komt het moleculaire bewijs dat roken kanker veroorzaakt dichterbij.

Het tumorsuppressorgen p53 is waarschijnlijk het best onderzochte bij kanker betrokken gen. In ongeveer de helft van alle kankercellen is het p53 gemuteerd. Het enzym dat op basis van de erfelijke informatie op het p53-gen wordt gemaakt werkt dan niet goed meer of ontbreekt zelfs. Het gevolg is dat cellen gaan delen zonder dat reparatie-enzymen de tijd krijgen om beschadigd DNA in de delende cellen te repararen. Cellen met veel beschadigd DNA ontwikkelen zich makkelijk tot kankercellen.

In een onderzoek uitgevoerd aan de Johns Hopkins University School of Medicine in Baltimore waren 129 mensen met hoofd- en nekkanker betrokken. De rokers onder hen hadden bijna tweemaal zo vaak mutaties in hun p53-gen. Mensen die zowel rookten als dronken hadden zelfs bij een lichte consumptie van alcohol en tabak ruim driemaal zo vaak p53-genmutaties in hun tumorcellen. Van de patiënten die rookten noch dronken had 17% p53-mutaties in hun tumoren. Drinkers die niet rookten waren er nauwelijks in het onderzoek, zodat hierover geen gegevens beschikbaar kwamen (The New England Journal of Medicine, 16 maart).

De onderzoekers van Johns Hopkins waren niet de eersten die meer p53-mutaties bij rokers met kanker vonden. Maar ze waren wel de eersten die meer deden dan alleen maar kijken of het p53-gen of het produkt ervan in de kankercellen aanwezig is. Dat kan vrij eenvoudig met een immunochemische diagnostische reactie. De Hopkins-onderzoekers bepaalden echter welke DNA-schade er in de p53-genen in de tumoren van de kankerpatiënten was aangericht. Bijna 30% van de schade die ze zo vonden zou met een immunologische test niet zijn opgespoord. Bovendien kan met de volgordebepalingen worden bekeken of de schade verband houdt met roken of alcohol.

De schade aan het p53-gen door carcinogene stoffen is tamelijk karakteristiek. Carcinogene stoffen tasten het DNA van het p53-gen anders aan dan bijvoorbeeld UV-licht of radioactieve straling dat doen. De tijd nadert dat op grond van de schade aan het DNA in kankercellen de oorzaak van de kanker kan worden aangewezen.

Het verschil tussen mutaties met een interne, door cellulaire processen veroorzaakte en mutaties door roken is echter beperkt. In de niet-rokende en niet-drinkende patiënten werden uitsluitend mutaties gevonden die ook het gevolg kunnen zijn van celreguleringsprocessen. Onder de rokers en drinkers was de schade diverser. Een deel van de schade kan door celprocessen ontstaan, maar een deel is karakteristiek voor de inwerking die benzopyreen en aromatische aminen in tabaksrook op DNA hebben.

Alcohol lijkt zelf geen mutagene werking te hebben. De hypothese is dat het het beschermende slijmvlies in mond en keel beschadigt en daardoor de carcinogene stoffen uit tabak beter hun werk laat doen.