Ontrouw en verbeelding

Op het eerste gezicht zal haast iedereen het idee aanvaarden dat er iets voorkomt als overspel in de verbeelding. Bij nader toezien blijkt het een hele kunst om het verschijnsel te begrenzen en te definiëren, en er de verschillende soorten van te onderscheiden.

In de meest strenge opvatting is het op zijn eenvoudigst. Daarin kan geen overspel bestaan zonder lijfelijke bevrediging, en die moet de denkbeeldige overspelige dan zoeken bij de eigen partner, met gedachten intussen vervuld van een begeerde derde. In sommige sportieve relaties kan dit spel naar verluidt ook tweezijdig gespeeld worden: “Als jij zegt aan wie jij denkt zal ik vertellen aan wie ik denk.”

Lang niet zo overzichtelijk is denkbeeldig overspel in de ruimere opvatting. Die eist geen bevrediging. Er hoeft in het begin niet eens een aanwijsbaar doelwit te zijn; zin hebben in iemand anders is genoeg.

In een volgende fase wordt de stemming verpersoonlijkt, soms heel opvallend, soms bijna onmerkbaar. Er zijn flagrante gevallen bekend van mensen die elkaar ontdekten op een partijtje waar iedereen aan het algemene gesprek deelnam behalve zij tweeën. Zij negeerden al die anderen en keken elkaar in de ogen van negen tot half drie. Toen gingen zij elk naar hun eigen adres, want een gezamenlijk adres kwam nog net niet in aanmerking. Wat zich de volgende dagen in hun verbeelding afspeelde leek sprekend op overspel, al hebben zij elkaar in de werkelijkheid misschien nooit meer gesproken, wegens praktische bezwaren.

Aan het tegenovergestelde eind van de scala van mogelijkheden staat de vluchtige begroeting met even oogcontact van de fietser die omkijkt om te weten hoe een van achteren veelbelovende gestalte er van voren uitziet. Het kan nog minder: in de zomer op de tram, een blote hals, of een oor met krullen erlangs, en dan zonder omkijken; niet meer dan een vermoeden. Of van verder af: uit een bovenraam een figuur 's avonds waargenomen in het licht van een straatlantaren, met een innemende manier van lopen en een aantrekkelijke buiging van het hoofd.

In al zulke gevallen gaan de gedachten van de waarnemer uit naar intimiteiten die gewoonlijk niet gedetailleerd worden. Het waar, het hoe en het wanneer blijven onbepaald; we weten allemaal waar het om gaat.

Wel moet in aanmerking genomen worden dat het niet alleen gaat om de wilde of koesterende omhelzing. Geen overspel zonder het bewustzijn van bedrog; en ook daar bestaan verschillende soorten van. Het kan zijn dat het vooral de vaste partner is die bedrogen wordt. Het kan ook dat de hele gezellige samenleving eraan moet geloven, met zijn geregelde maaltijden en gezamenlijke verjaardagen.

Behalve dat het zich allemaal in de verbeelding afspeelt. Niemand heeft er last van. Nee, dat is onjuist. Ze hebben er wel degelijk last van. “Hoor je nog wel eens wat ik zeg?” Helaas, al zijn wij uiterlijk bijeen, innerlijk zijn wij buiten gehoorafstand van elkaar; ergens anders, waar wij nog niet uitgepraat zijn.

Zo kunnen verhoudingen ontwricht raken zonder dat er iets lijfelijks gebeurt. Niet dat alle denkbeeldig overspel schadelijk is. In verstandige hoeveelheden is het zelfs onmisbaar, om eenkennigheid te voorkomen. De heilzame uitwerking hangt af van de dosering. Die is soms moeilijk te beheersen; doserende handen schieten uit voor je het weet.

Alles goed? vragen oude bekenden aan de telefoon. Zij verwachten te veel. Natuurlijk zit niet alles goed. Houden jullie stand? zou beter passen. En jawel, sommigen van ons houden stand. Het is nodig om te beseffen dat mensen onmogelijk zo openhartig kunnen zijn als zij voorwenden. Bij tijden wordt dat onuitstaanbaar; toch heeft het iets grappigs.

Als wij oud en onverschillig zijn zullen wij overal vriendelijk om grijnzen. Zo tolerant zijn wij dan geworden, wat niet wil zeggen uitgedoofd. Nog steeds zal, tussen de duizenden starre onbekenden in het straatbeeld, een krul achter in een nek, of een manier van lopen onder een straatlantaren, aan streling en plezier doen denken.

Het vooruitzicht van overspel werkt altijd opwekkend, al blijft het bij een glimp.