Elégie van De Leeuw beweent oorlogsleed

Concert: Nederlands Kamerkoor o.l.v. Uwe Gronostay. Werken van Escher, Poulenc, De Leeuw en Jolivet. Gehoord: 18/3 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 20/3 Grote Kerk Wageningen, 21/3 Taffehzaal Leiden, 22/3 Onze Lieve Vrouwekerk Zwolle, 24/3 Concertzaal Middelburg, 25/3 Beurs van Berlage Amsterdam, 26/3 Antoniuskerk Breda, 28/3 Concertgebouw Haarlem. Uitzending: 24/3 Radio 4 20.02 uur.

In Ton de Leeuws recentste werk Elégie pour les villes détruites, een indrukwekkende compositie voor zestienstemming gemengd koor dat zaterdag in het Amsterdamse Concertgebouw zijn eerste uitvoering beleefde, klinken precies in het midden van de partituur op zijn minst drie bijbelteksten door elkaar heen. Om te beginnen een fragment uit Jeremia over gevangengenomen kinderen, voorts het De profundis clamavi uit Psalm 129 (Uit de diepten heb ik U geroepen) en uit Jesaja: Lève-toi, Jérusalem, fais éclater ta splendeur (Sta op Jeruzalem, toon je schitterende pracht).

Dat Jeruzalem draagt de compositie in lange notenwaarden, waarboven de overige teksten in veelal nerveuze toonherhalingen zich extatisch ontplooien. Maar er is meer. Zoals een weeklagend 'ai' en, eveneens een beetje verstopt, enkele stedennamen. Eerst scandeert de bas 'Nagasaki', dan de sopraan 'Rotterdam'. Als verre mitrailleurschoten priemen als het ware in de onderbuik van de zang verder nog de namen van Baghdad, Beiroeth, Berlijn, Hiroshima, Kaboel, Kigali, Le Havre, Sarajevo en Warschau.

Elégie pour les villes détruites is een klacht over de massale bewapening in onze eeuw, zoals die wel moest leiden tot verwoesting van vele steden, waarvan het eind nog lang niet in zicht is, want de componist had Grozny aan zijn verzameling kunnen toevoegen, - per nieuwe uitvoering een uitbreiding?

Die namen staan popart-achtig en binnen het kader van dit dubbeltalig en vijfdelig opgezet hedendaags groots motet. Opvallend zijn nog enkele maniëristische effecten, die evenzeer de 'gewone' schoonheid op een expressionistische wijze 'bespeuren'. Daar is de combinatie van een flakkerende toon en zangtoon met lucht, die in het tweede deel zeker bijdraagt de onheilsgevoelens te versterken, maar tegen het slot van het derde deel - na een geleidelijke overgang van zingen in fluisteren - te prominent aanwezig is waardoor het flakkeren overslaat in gakkeren. Ook een opmerkelijk portamento over een groot interval als de none (op mon Dieu) wijst erop, dat De Leeuw geen genoegen wilde nemen met een louter estetisch koorstuk.

Van een onversneden schoonheid is het vierde deel: 'Ecoutez tous, o peuples, et voyez ma douleur' (Luistert gij allen, o volkeren, en ziet mijn ellende) gezet in bloedmooie quasi-clusters, immaterieel zacht verglijdend in een smeltend legato. Pure magie ontstaat, wanneer uit deze mysterieuze klankwand solostemmen zich losmaken in een Miserere in steeds langere frasen: niet van deze wereld en dergelijke hemelskleuren heb ik het overige deel van het Frans geöriënteerde programma toch eigenlijk niet gehoord.

Rudolf Eschers Ciel, air et vents heeft wel iets opmerkelijks te bieden: een subtiele imitatie van koerende tortelduiven - over popart gesproken! Poulencs Sept chansons is muziek van louter zilverachtig wollen vlokjes appellerend aan het kind in ons, terwijl Jolivets Epithalame - al jaren een glansstuk in het repertoire van het Nederlands Kamerkoor - over volwassen erotiek handelt en dat van een nogal nadrukkelijk soort.

Schitterend hoe Uwe Gronostay en de zijnen al deze werken een eigen identiteit verlenen, zodat begrippen als naïeve beminnelijkheid (Poulenc) of schrijnende lyriek (De Leeuw) ook werkelijk iets betekenen. Verbaasd heb ik me alleen over het aangeven van de toon door de dirigent, niet alleen vooraf aan een compositie, maar een enkele keer zelfs binnen in het stuk. Is het niet eleganter om de koorleden te voorzien van stemvorken?