Blauwgrond

In de deftige 'Diamantzaal' van het Hilton-hotel in Amsterdam staat een tengere man van over de vijftig met een tamboerijn in zijn hand door een microfoon te zingen tegen het decor van een zwart doek met gouden puntjes, dat een sterrenhemel moet voorstellen. Het is een Javaans lied, een modern uitvloeisel van krontjong, wat nog het meest doet denken aan 'Huilen is voor jou te laat' van Corry en de Rekels, vroeger al waanzinnig populair onder de Javanen van Suriname. De dansvloer is vol, de mannen met glimmende hemden en pantalons van slappe stoffen hebben hun arm teder om het middel van hun vrouwen geslagen, die er in het zachte licht van de kroonluchters jaren jonger en kinderloos uitzien. Iedereen lijkt onbezorgd en content, maar waarom voel ìk mij dan zo treurig?

Misschien omdat ik nog altijd een verklaring zoek voor nostalgie. Want wat hier gebeurt is daar zo'n complexe uiting van, dat ik er een heel verhaal bij moet vertellen. Een eeuw geleden werden zo'n dertigduizend contractanten uit Java geronseld om in Suriname de Afrikaanse slaven te vervangen. Na vijf jaar zouden ze op kosten van het koloniale gouvernement worden teruggebracht, met genoeg geld op zak om in Java een eigen stuk grond te kopen.

Die verwachting kwam niet uit. Na vijf jaar hadden ze niet genoeg verdiend, waarop ze bijtekenden en daardoor het recht op een vrije terugkeer verspeelden. Zo raakten de Javanen van Suriname verstrikt in het ellendige dilemma van alle migranten: ze zouden hun gezicht verliezen als ze in armoede terugkeerden, maar tegen de tijd dat ze genoeg gespaard hadden, waren ze te lang weggebleven.

Het waren maar eenvoudige boeren die zelfs hun herinneringen niet konden vertrouwen, omdat er nauwelijks geletterden naar Suriname waren meegekomen. Geen dichters en schrijvers die hen konden vertellen over het zware en horige bestaan dat ze onder de vorsten en dorpshoofden hadden geleden; geen priesters die hen uitleg konden geven over het ingewikkelde mengsel van hindoeisme en islam waarin ze geloofden, geen muzikanten die meer konden dan het vaagjes nabootsen van de gamelan-klanken die ze ooit in eigen land hadden gehoord.

De Javanen in Suriname kregen de reputatie gemoedelijk, maar onhandelbaar te zijn en ook nog lakoniek en ietwat indolent. Ze kregen akkertjes die groter waren dan ze in Java ooit zouden kunnen bemachtigen, maar ze bleven er maar net genoeg op produceren als ze zelf nodig hadden. Soms verkochten ze hun grondjes om naar de stad te trekken, waar ze kleine eethuisjes begonnen met twee tafels en een toonbank. In de politiek werden ze geleid door een man die moeiteloos van parlement naar kabinet ging en van daaruit naar de gevangenis, wegens corruptie, en vervolgens weer naar het parlement en het kabinet. Zijn achterban droeg hem op handen, omdat hij ze allemaal een baan had bezorgd bij het ministerie van sociale zaken.

De Javanen werden niet opvallend welvarend of geleerd. Hun stilstand leek moedwillig, als uiting van protest tegen hun gedwongen verblijf in Suriname en als teken van heimwee, dat hen generatie op generatie bleef teisteren. Verder was er niets dat hen dreef, ze waren nergens enthousiast voor te krijgen, behalve misschien voor Corry en de Rekels met het liedje 'Huilen is voor jou te laat ik kom niet meer', waar in dorpjes als Tamanredjo en Blauwgrond tot diep in de nacht in melancholieke dronkenschap op werd gedanst.

Die staat van dronkenschap zullen de aanwezigen in de 'Diamantzaal' van het Hilton-hotel niet gauw bereiken, al was het maar vanwege de prijs van de consumpties. Maar het is sowieso een keurige aangelegenheid ter afsluiting van de ramadan, georganiseerd door de vereniging Bangsa Jawa, wat 'Javanen onder elkaar' betekent.

De avond begon met een Surinaams Ludruk-optreden, wat nooit eerder in Nederland is vertoond. Ludruk is een vorm van volkstoneel, waarin op gamelan-muziek een episch verhaal wordt verteld dat door de spelers ter plaatse op rijm wordt gebracht. In Suriname kon een optreden een nacht lang duren, met talloze nevenverwikkelingen en clowns en grapjassen die de kinderen moesten vermaken, terwijl de volwassenen het verhaal met een half oor volgden, onder het nuttigen van een drankje en een hapje. De in Nederland vertoonde versie is echter tot anderhalf uur teruggebracht en handelde over de dochter van een dorpshoofd die verliefd raakte op een eenvoudige landarbeider, met alle gevolgen van dien.

In Suriname was Ludruk nog enigszins begrijpelijk, omdat daarmee een gemeenschappelijk heimwee werd uitgedrukt. De verhalen kwamen uit het oude Java en draaiden altijd om de eeuwige standsverschillen, die overigens in Suriname waren opgeheven. Maar de monotone gamelan met de trage dans en de sierlijke kostuums gaven het geheel iets hypnotiserends.

Hier in de 'Diamantzaal' echter is de gebeurtenis op z'n zachtst gezegd nogal wonderlijk: op een rose met paars tapijt en onder een gigantische kroonluchter van het Hilton, wordt in Nederland in herinnering gebracht hoe men in Suriname Java in herinnering bracht.

De onbereikbaarheid van Java voor de arme Javanen in Suriname gaf aan het gekoesterde heimwee een bepaalde zuiverheid, die voor de migranten in Nederland niet geldt. Indonesië is voor hen ineens dichterbij gekomen en nergens in het Westen is de Indische cultuur zo aanwezig als hier. Maar in de 'Diamantzaal' zijn geen Javanen uit Indonesie te bekennen en onder de leden van Bangsa Jawa heeft het huidige Java nauwelijks betekenis. Ze zijn allemaal wel eens op bezoek geweest, maar teleurgesteld teruggekeerd. Het Java van nu is anders dan het Java van 1880 en het hervinden van vroegere familieleden bleek ook al geen onverdeeld genoegen: de Indonesiers probeerden geld af te troggelen van de rijk uitziende Surinamers, of ze bleven wantrouwig, uit vrees dat de bezoekers aanspraak kwamen maken op de erfenis.

De klagelijke ondertoon in de 'Diamantzaal' heeft dus minder te maken met datgene wat men verloren heeft en meer met het gevoel van verlies zelf. Het leed is aangenaam geworden, als de pijn tijdens een lichaamsmassage.

Als het Ludruk-optreden is afgelopen en het toneel, dat uit vier latjes, waslijntjes en enkele lakens bestond, in enkele seconden is afgebroken, moet de muziek beginnen van de Javaanse pop-band Ikatan Baru. Maar het opstellen van de instrumenten gaat op de maat van de naklinkende gamelan, wat niemand erg vindt, omdat ergernis in deze deftige omgeving niet past. De jongens van Bangsa Jawa maken er een punt van: andere Surinaamse verenigingen gebruiken kille sportzalen en lege pakhuizen voor hun evenementen, maar zij willen prestige geven aan hun cultuur en een rijkdom uitstralen die in Suriname niet kon worden bereikt. Toch blijven ze eenvoudige plattelandse jongens; hartelijk, warm en gemakkelijk in de omgang. Ze moeten vreselijk giechelen om de Javaanse saoto-soep die de chef van het Hilton speciaal hiervoor heeft bereid: het smaakt naar bouillon met paprika en in Suriname kennen ze geen paprika.

Maar dan barst Ikatan Baru los, en begint de serieuze viering van de nostalgie. Ik ben, geloof ik, de enige die er om zeurt, want de jongens van Bangsa Jawa zijn de dansvloer opgestoven, om zich te laven aan eindeloze variaties op Huilen is voor jou te laat; net als vroeger, in Blauwgrond, in Tamanredjo.