Moordpartij Duitsers 'niet willekeurig'

Bij het monument De Woeste Hoeve tussen Apeldoorn en Arnhem is vanmiddag de jaarlijkse herdenkingsdienst gehouden voor de 117 mannen die op 8 maart 1945 ter plekke door de Duitsers werden gefusilleerd. Onderzoeker Henk Berends beschrijft het in zijn boek 'Woeste Hoeve 8 maart 1945'.

ARNHEM, 8 MAART. Een half uur duurde het, één armzalig half uur. Tussen acht uur en half negen fusilleerden de Duitsers op die achtste maart van het laatste oorlogsjaar bij de Woeste Hoeve 117 Nederlanders. De moordpartij was een vergelding voor de aanslag op de hoogste Duitse politie-generaal in Nederland, Hanns Albin Rauter, twee dagen eerder.

Maar de 117 waren geen plunderaars of zwarthandelaren, zoals vaak nog wordt aangenomen. Het waren zogeheten Todeskandidaten, verzetslieden die waren opgepakt en in verschillende gevangenissen vastzaten. Vijftig jaar na dato krijgen ze een gezicht in het boek 'Woeste Hoeve 8 maart 1945' van de Apeldoornse onderzoeker Henk Berends. Het eerste exemplaar van het boek is vanmiddag aan de Gelderse commissaris van de koningin, J. Terlouw, overhandigd.

Berends zet het misverstand recht dat de gefusilleerden plunderaars of zelfs willekeurige slachtoffers zouden zijn, die op straat waren opgepikt. Alle slachtoffers, zo maakt hij in zijn boek duidelijk, waren afkomstig uit SD-gevangenissen. Niet alleen de 117 die bij Woeste Hoeve werden omgebracht, ook de 143 Nederlanders die elders door de Duitsers werden vermoord.

De aanslag op Rauter was trouwens ook een misverstand. Leden van het Apeldoornse verzet wilden bij restaurant Woeste Hoeve, langs de weg tussen Apeldoorn en Arnhem, de Wehrmacht een vrachtauto afhandig maken. Met die vrachtauto zouden ze 3.000 kilo varkensvlees oppikken bij een slachterij in Ede. Zes mannen, gekleed in Duitse uniformen, legden zich op de avond van 6 maart in een hinderlaag. Maar in plaats van een vrachtauto troffen ze tegen een uur of elf de BMW van Rauter. De zes schoten hun stenguns leeg op de auto. In korte tijd werden 234 kogels op de wagen afgevuurd. De chauffeur van Rauter en een medepassagier, Oberleutnant Exner, waren op slag dood. Rauter overleefde de aanslag, ondanks een dubbel longschot, een kaakschot en een kogel door zijn dijbeen.

Rauters taak werd overgenomen door SS-Brigadeführer Schöngarth uit Zwolle. Hij was ook verantwoordelijk voor het uitvoeren van de direct afgekondigde vergeldingsmaatregelen. Uit gevangenissen in Assen, Zwolle, Almelo, Doetinchem, Colmschate en uit de Koning Willem III-kazerne in Apeldoorn werden Todeskandidaten in de vroege ochtend van 8 maart naar Woeste Hoeve overgebracht.

Een getuige in Zwolle beschreef hoe dat toeging: 'Op een nacht hield een zware vrachtwagen voor het Huis van Bewaring stil. Overal in het gebouw sloegen deuren en ook de onze ging open en een mof riep: 'Stutvoet, snel aankleden!' Even later werd Huysman gehaald: 'snel aankleden, niets meenemen'. Langzamerhand ontdekten wij, wat dat betekende: 'niets meenemen!' (...) De volgende dag hoorden wij van de aanslag op Rauter en wij begonnen het te begrijpen. (...) Zij allen gingen als mannen. Een laatste handdruk en 'zorg voor mijn kinderen'. Moge het Nederlandse volk van deze ereplicht doordrongen zijn...'

Het boek van Berends beschrijft 116 van de slachtoffers die bij Woeste Hoeve zijn gevallen. Zoals Herman Gerrit Jan Huysman, houthandelaar en eigenaar van een zagerij nabij Zwolle. Huysman was - zoals velen van de genoemde slachtoffers - christelijk en werd op 20 februari 1945 gearresteerd. In zijn huis zaten vele onderduikers. Op 5 mei 1945 werd hij herbegraven in Zwolle. Eén van de 117 slachtoffers is overigens nog altijd niet geïdentificeerd.

Rauter overleefde de oorlog en werd op 25 maart 1949 door een Nederlands vuurpeloton in de Scheveningse duinen geëxecuteerd. Zijn opvolger Schöngarth werd opgehangen na een proces in Westfalen. Van de groep die de aanslag op de nazi pleegde, overleefden twee de oorlog niet. Twee van de leden wonen nog altijd in Gelderland, maar willen niet meer over de aanslag praten.