Vereniging voor Staathuishoudkunde is 's werelds oudste club van economen

Denken over welvaart. Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 1849-1994. Door J.Mooij. Uitg. Lemma bv, Utrecht. ISBN 90 5189 410 4. 290 blz., ƒ 79,00.

De Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde blijkt ouder te zijn dan bij de viering van het 125-jarig jubileum in 1987 werd gedacht. Mevr. dr. J. Mooij, die het gedenkboek heeft samengesteld, heeft na scrupuleus onderzoek kunnen aantonen dat de vereniging niet in 1862 maar in 1849 is ontstaan. De vereniging, die haar faam dankt aan de preadviezen over actuele economisch-politieke onderwerpen en de discussies die daar jaarlijks over worden gevoerd, is waarschijnlijk de oudste vereniging op staathuishoudkundig gebied ter wereld. Niet voor niets ontving zij in 1986 het predikaat koninklijk.

De in de nazomer van 1849 gehouden bijeenkomst van medewerkers van het door jhr. J. de Bosch Kemper uitgegeven Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje voor 1849 moet als de oorsprong van de vereniging worden gezien. Het informeren over de politieke en economische toestand van het land was de voornaamste drijfveer van de geleerde jonkheer en staatsman om die uitgave samen te stellen. De gebeurtenissen in het revolutiejaar 1848 hebben een belangrijke rol gespeeld bij het ontstaan van het jaarboekje. De tijdgeest was vervuld van de opkomende macht van de publieke opinie, die De Bosch Kemper zag als de 'groote beweegkracht, waardoor de staatkunde wordt bepaald'.

De gebeurtenissen in 1848 werden sterk beheerst door de roep om hervormingen van het bestaande politieke bestel. De Bosch Kemper behoorde met de latere liberale staatsman J.R. Thorbecke tot de voorstanders van vergaande staatshervormingen. De economische situatie in Nederland was rond dat jaar weinig rooskleurig. Een groot deel van het volk leefde op de rand van het bestaansminimum. Er verschenen talloze brochures en studies over het armoedevraagstuk. Het Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje van De Bosch Kemper voorzag in de grote behoefte aan betrouwbare en overzichtelijke informatie over politiek en economie. De naam staatkundig in het jaarboekje had alles te maken met de nieuwe Grondwet. Hierdoor was het kiesrecht belangrijk uitgebreid en stond ons land aan de vooravond van de eerste rechtstreekse verkiezingen. De Bosch Kemper vond het belangrijk dat de nieuwe kiezers op de hoogte waren van de toestand van ons land.

Door de veranderde kijk op de samenleving kwamen de staatswetenschappen in de loop van de negentiende eeuw meer in de belangstelling te staan. Dat had onder meer tot gevolg dat overheid en particulieren initiatieven ontplooiden om gegevens te verzamelen over de staat en de samenleving. De gegevens werden verwerkt tot zogenaamde statistische opgaven en tabellen.

De veranderingen die zich in de loop der jaren voltrokken, weerspiegelden zich in de geschiedenis van de vereniging, die in 1849 werd geboren als 'Kring van medearbeiders aan het Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje', in 1857 een nieuwe naam kreeg en vanaf 1862 officieel de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland ging heten.

Beoefening van de statistiek vormt de kiem van de vereniging. Het belang van deze nieuwe wetenschap werd door J.L. de Bruyn Kops, oprichter van het blad De Economist, thans lijforgaan van de vereniging, als volgt onder woorden gebracht: “ De statistiek geeft de kaart van een volk. Evenals de gewone landkaarten de geografische ligging enz. van den grond aangeven, zoo is een goede statistiek de kaart van het volk: de kaart van den maatschappelijken toestand; - en evenals men door gene kaarten te bestuderen rivieren leert kennen, zoo leert men door de statistiekkaarten, den handel van zijn vaderland, zijn fabriekwezen en scheepvaart, zijn armwezen, zijn onderwijs, zijn misdaden, zijn geldmiddelen, de vermindering zijner schulden, in één woord, de welvaart van zijn vaderland kennen.”

Mevr. Mooij volgt nauwgezet de ontwikkeling van de statistische en economische wetenschap en de weerslag daarvan op de geschiedenis van de vereniging. Drie decennia lang ondernam de vereniging verwoede pogingen om de overheid te bewegen tot een centralisatie van de ambtelijke statistiek. Zij bleef op dat gebied actief tot haar lobbyen eindelijk succes had en de overheid de beoefening van de statistiek definitief ter hand nam.

De bevordering van de statistische kennis was dé bestaansreden voor de vereniging. Een ambitieus project was de publikatie van een omvangrijk statistisch standaardwerk, getiteld de Algemeene Statistiek van Nederland, een onderneming, die ondanks grondige voorbereiding en financiële steun van de overheid, strandde doordat de bronnen van onvoldoende kwaliteit waren en er te weinig mankracht beschikbaar was. Het project zou uitmonden in een reeks van vijf boeken, getiteld Armenzorg in Nederland, een onderwerp dat de vereniging in deze jaren sterk heeft bezig gehouden.

In 1892 verlegde de Vereeniging voor de Statistiek in Nederland haar werkterrein naar de staathuishoudkunde. Als Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek bestudeerde zij actuele maatschappelijke vraagstukken. Zij was allang niet meer een gezelschap van uitsluitend economen, die de klassieken volgden. Grote invloed ging uit van de ideeën van N.G. Pierson, wiens werk sterk geïnspireerd was door de Oostenrijkse school. In de preadviezen van de vereniging zouden later ook de ideeën doorklinken van Keynes.

Mevr. Mooij typeert de vereniging als een heterogeen gezelschap van academici die met elkaar van gedachten wisselen over economische en maatschappelijke vraagstukken. Meer dan een eeuw biedt zij een kader voor de confrontatie van ideeën met een sterke uitstraling naar de publieke opinie en de politieke besluitvorming. Dat zij zich zolang heeft weten te handhaven schrijft de auteur toe aan haar intrinsieke neiging tot verandering. “Door zich steeds aan te passen aan de veranderende omstandigheden heeft de vereniging haar vitaliteit weten te behouden. Door tijdig haar bakens te verzetten kon zij bijna anderhalve eeuw lang blijven fungeren als bindend element tussen economen.”

Mevr. Mooij onderscheidt in het veranderingsproces vier fasen, te weten de aanloopfase, de statistische lobby, het wetenschappelijk forum en de beroepsorganisatie. Binnen de vereniging stond de wetenschappelijke discussie centraal. Zij nam daar als organisatie zelf geen standpunt in. Zij is geen belangengroepering, maar raakt als 'debating-club' door haar wetenschappelijke en gerichte aanpak van actuele economische vraagstukken wel indirect betrokken bij het door de overheid gevoerde beleid. In 1949 werd zij omgedoopt in 'Vereniging voor de Staathuishoudkunde'. Dit is het begin van de vierde fase , waarin zij uitgroeit tot een landelijke beroepsorganiatie voor economen.

Denken over welvaart is een goed gekozen titel voor dit gedenkboek, omdat de vereniging dit denken in haar lange geschiedenis heeft gestimuleerd door haar middelaarsrol in het nationale economendiscours. Aan het slot van haar boek stelt mevr. Mooij vast, dat het levensverhaal van de vereniging de maatschappelijke veranderingen weerspiegelt die zich de laatste 145 jaar in Nederland hebben voltrokken.