Politie op glad ijs met oppakken op grond van uiterlijk

AMSTERDAM, 6 MAART. De Utrechtse binnenstad is op de laatste winkelmiddag van de krokusvakantie geen plaats voor demonstraties, besloot burgemeester Opstelten. Hij had trouwens geen politie genoeg. Daarom verbood hij zaterdag niet alleen een aangekondigde optocht van CP'86 maar ook eventuele tegendemonstraties van het actiecomité KURF. Om dat verbod te handhaven moest de politie toch in actie komen. Grote vraag: hoe herkent men een potentiële demonstrant?

Artikel 435a van het Wetboek van strafrecht moest uitkomst brengen. Dit zet een straf van maximaal twaalf dagen hechtenis of een boete van vijfduizend gulden op het openlijk dragen van bepaalde “kledingsstukken of opzichtige onderscheidingstekens”. Dit artikel staat in het strafrechtelijk spraakgebruik bekend als het “uniformverbod” en werd in 1933 in de wet opgenomen als reactie op het steeds brutaler optreden van de NSB.

In Utrecht moesten nu stekelkoppen aan de ene zijde en punkhaar of Palestijnse sjaals aan de andere zijde als aanknopingspunt dienen voor de politie. Dit is een gevaarlijk spoor. Het betreffende artikel heeft een hoog toevalsgehalte, blijkt uit het gezaghebbende wetscommentaar van prof.mr. J.Remmelink, die waarschuwt tegen een “schijn van rechtsongelijkheid die de politieke hartstochten veeleer prikkelt”.

Het uiterlijk alleen is ook niet voldoende om mensen op te pakken, het moet gaan om symbolen die in een samenleving vrij algemeen worden begrepen als uitdrukking van “een bepaald staatkundig streven”. Uit de jurisprudentie blijkt dat er niet veel nodig is om te worden veroordeeld: een stukje van een NSB-uniform dat onder een neutrale overjas uitkwam (zwarte hemd, boord, das) was voldoende en zelfs een rode tulp op 1 mei. Maar dat waren wèl de jaren dertig. En het ging in elk geval om geprofileerde bewegingen. In de huidige postmoderne samenleving zijn symbool en betekenis veel losser van elkaar komen te staan - met alle risico's van dien voor de willekeurige voorbijganger.

Het van stal halen van het uniformverbod is duidelijk een noodgreep geweest als gevolg van een andere noodgreep, het algemene demonstratieverbod dat de Utrechtse burgemeester had afgekondigd. “Burgemeesters grijpen snel naar het verbodsmiddel”, signaleerden H.R.B.M. Kummerling en H.N. Oevermans van de Utrechtse Universiteit enkele jaren geleden in een beschouwing over uitingsvrijheid en vijandig publiek. De demonstratievrijheid is hier ook pas in 1988 door de Grondwet erkend en de Nederlandse jurisprudentie over dit onderwerp vertoont volgens de deskundigen “een opmerkelijk wisselend beeld”. Ook niet echt sterk dus.

Het Europese Hof voor de rechten van de mens heeft wel duidelijk stelling genomen. In het geval van demonstratie en tegenbetoging kan de overheid niet volstaan met een neutrale opstelling, zei het Hof in een Oostenrijkse test-case uit 1980. “Positieve maatregelen van de staat” kunnen geboden zijn. Zolang demonstranten zich vreedzaam gedragen moeten zij worden beschermd en niet verboden. De vraag is natuurlijk wel of met name sommige rechts-extremistische leuzen niet zo vijandig zijn tegenover de elementaire beginselen van de rechtstaat dat zij moeilijk op volledige bescherming aanspraak kunnen maken. Deze gedachte is echter door de Nederlandse rechter afgewezen. Het verbieden van een betoging dient te berusten op fysiek gevaar en niet op de inhoud van een bepaald gedachtengoed. Tegen de uitingen zelf kan alleen achteraf, via het strafrecht worden opgetreden.

De Nederlandse regering heeft zich op het standpunt gesteld dat een verbod met het oog op dreigende ongeregeldheden alleen mogelijk is als een “bestuurlijke overmachtssituatie” dreigt. De vraag is alleen wanneer daar sprake van is. Deze vraag is verschillende malen voorgelegd aan de rechter, met als gevolg het wisselende beeld. De kwetsbaarheid van een locatie, zoals een drukke binnenstad, vormt duidelijk een factor.

Moeilijker ligt het met de beschikbare politie-inzet. Dat deze niet voldoende zou zijn om de te verwachten wanordelijkheden te voorkomen was in 1989 een reden voor de voorzitter van de Afdeling rechtsspraak van de Raad van State een demonstratieverbod voor Centrumdemocraten in Rotterdam te billijken. In hetzelfde jaar was dezelfde rechter, ook in een zaak over Centrumdemocraten, maar nu in Leerdam, veel kritischer. Er moet ook rekening worden gehouden met hulp van korpsen uit omliggende plaatsen. Pas als de politie-inzet dan nog onvoldoende kan worden geacht is er reden betogingen te verbieden.

En dat was nog voor het nieuwe politiebestel dat met zijn indeling in regiokorpsen het draagvlak voor politiebijstand volgens het boekje aanmerkelijk heeft vergroot.