Schrijfster en ex-non Karen Armstrong over haar' Geschiedenis van God'; We zijn betekeniszoekende schepsels

Auteur en ex-non Karen Armstrong schreef een godsdiensthistorisch werk dat een bestseller werd, 'Een geschiedenis van God'. Het boek laat zien hoe het jodendom, het christendom en de islam in veel opzichten een gelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Ze wijt het aan haar persoonlijke geschiedenis en het Vaticaan dat ze niet meer rooms-katholiek is en noemt zichzelf nu 'free-lance monotheïst'. Maar, zegt ze: “Als godsdienst niet helpt het heilige in andere mensen te zien en te waarderen, dan heeft ze ook niet gewerkt.” Religieuze ideeën moeten leiden naar mededogen, vindt Armstrong.

Karen Armstrong: Een Geschiedenis van God. Vertaald door Ronald Cohen. Uitgeverij Anthos. 511 blz. Prijs ƒ 59,50.

“Het katholicisme van mijn jeugd was een vrij angstig geloof”, schrijft de Engelse godsdiensthistorica Karen Armstrong in haar vorig jaar verschenen en zojuist vertaalde boek Een Geschiedenis van God. “Toen ik een jaar of acht was moest ik het antwoord op de bekende vraag uit de catechismus: 'Wat is God?' uit het hoofd kennen: 'God is een oneindig volmaakte geest, Schepper, Heer en Bestuurder van hemel en aarde, van wie alle goeds voortkomt'. Het zal niemand verbazen dat het me weinig zei en ik moet zeggen dat het me nog steeds koud laat. Ik heb het altijd een gortdroge, hoogdravende en aanmatigende definitie gevonden en sinds ik aan dit boek ben begonnen, ben ik ook nog tot de overtuiging gekomen dat ze niet klopt.”

Karen Armstrong schetst in Een Geschiedenis van God een erudiet èn toegankelijk beeld van de drie monotheïstische godsdiensten, het jodendomdom, het christendom en de islam. Het boek is in het Engelse taalgebied laaiend enthousiast ontvangen. Uit haar boek blijkt hoeveel de religies met elkaar gemeen hebben, hoezeer hun ontwikkeling parallel heeft gelopen, en hoezeer ze ook steeds met dezelfde moeilijkheden hebben geworsteld: de gevaren van een persoonlijke God, het riskante idee van de uitverkiezing, het onbegrijpelijke lijden, de schepping. Steeds opnieuw hebben de monotheïstische godsdiensten getracht op deze kwesties filosofische en mystieke antwoorden te vinden, want één ding staat voor Karen Armstrong vast: de mens is behalve een Homo sapiens ook een Homo religiosus.

Karen Armstrong werd in de jaren zestig, als 17-jarige, non in een kloosterorde. Zeven jaar later vertrok ze. Haar ervaringen als religieuze heeft ze beschreven in het boek Through the Narrow Gate. Ze studeerde Engelse taal- en letterkunde in Oxford en ze maakt televisieprogramma's over godsdienst. Karen Armstrong woont in Londen. Ze houdt van reizen, muziek, theater, boeken, films, koken en praten. Deze week was ze in Amsterdam.

Hoe kwam u op het idee voor dit boek? Het is een enorm project.

“Wat het eerst in mijn hoofd schoot was de titel. Het kwam me voor dat we de geschiedenis van zoveel aspecten van religie hebben, maar geen geschiedenis van het idee en de ervaring van God, terwijl dat toch het doel van de religieuze zoektocht is. Ook was ik bezig aan een boek en een televisieserie over de kruistochten en de problemen van het huidige Midden-Oosten. Daarin werd uitvoerig ingegaan op de negatieve relaties tussen joden, christenen en moslims door de eeuwen heen. Het leek me aardig en positief om eens te kijken naar wat hen samenbrengt. Want in oppervlakkige aangelegenheden mogen joden, christenen en moslims het dan heftig en vaak gewelddadig oneens zijn, toch verwachtte ik te ontdekken dat ze het over God erg met elkaar eens zouden zijn. En dat bleek inderdaad het geval, meer dan ik had verwacht.”

Het lijkt alsof het schrijven van dit boek voor u een ontdekkingsreis is geweest.

“Ja, dat was het. Ondanks mijn eigen religieuze achtergrond was ik niet voorbereid op sommige dingen die ik vond. Aan het begin van het schrijven zou ik mezelf een atheïst hebben genoemd, maar aan het einde van mijn onderzoek ontdekte ik dat wat ik had verworpen een zeer eigenaardige notie van God was, en dat de monotheïstische visie veel rijker was. Wat ik verwierp was het idee dat we in het Westen van God hebben als een objectief feit, als iets waarvan je het bestaan kunt bewijzen, als iemand die de wereld heeft gemaakt zoals u of ik iets zouden maken en die zaakjes regelde zoals ik hier een gebeurtenis zou organiseren. Dit soort gepersonifieerde, gerationaliseerde God is gangbaar in het westerse christendom. Maar niet in de andere tradities. Die hebben een veel boeddhistischer notie van God of van de uiterste realiteit. Dit alles was een verrassing voor me.”

U heeft er een echt verhaal van gemaakt. Waarom?

“Ik wilde er een verhaal van maken. Veel boeken over God zijn saai. Als kind en zelfs toen ik theologie studeerde, vond ik dat God vervelend werd gemaakt. Hij was altijd het Opperwezen en de Eerste Oorzaak, en verder waren er al die treurige meningsverschillen over of God nu wel of niet bestond maar die in mijn ogen nooit iets leken te bewijzen. Alle traditionele argumenten over het bestaan van God maakten Hem vervelend. Terwijl God niet vervelend kon zijn omdat anders de mensen deze notie lang geleden overboord zouden hebben geworpen. Ja, ik wilde er een verhaal van maken. En het interessante is dat zodra ik mijn materiaal had verzameld en in chronologische volgorde begon te zetten, ik ontdekte dat er inderdaad een verhaal, een ontwikkeling, een doorlopend thema bestond. Dat was voor mij een opwindend moment.”

Hoe verklaart u het succes van uw boek?

“Dat is een grote verrassing. Het was heel moeilijk om er een uitgever voor te vinden. De uitgevers die ik benaderde, zeiden dat het onmogelijk was om in één boek de geschiedenis van God te schrijven, of ze vroegen zich af wie het zouden lezen. Veel lezers hebben mij verteld dat ze het nuttig vonden hun eigen traditie naast die van anderen te zien. Ze merkten dat hun eigen christelijke traditie geen idiosyncratische, eigenaardige provinciale zoektocht is, maar deel uitmaakt van een grote menselijke inspanning die zich al eeuwen afspeelt. Dat geeft hen vertrouwen in hun geloof. Verder zijn veel mensen op zoek naar spiritualiteit die ze in de kerken of de synagogen niet meer krijgen. Mijn lezers ontdekken dat er meer in hun monotheïstische tradities zit dan ze zich in hun kerken hadden gerealiseerd. Ze ontdekken dat eminente monotheïsten eeuwenlang hebben gezegd dat het beter is om te zeggen dat God niet bestaat. Het geeft mensen vertrouwen. Ze hoeven niet meer te geloven in een soort kosmische Big Brother die op hen neerkijkt.”

Uit uw boek blijkt dat alle monotheïstische religies moeite hebben gehad met het idee van een persoonlijke God.

“Het idee van een persoonlijke God is goed omdat het helpt de mens te zien als iets heiligs. Je moet nu eenmaal ergens beginnen, met een theologie die in harmonie is met onze eigen natuur. Maar alle grote tradities zeggen vervolgens dat God het persoonlijke ver te boven gaat. Een van de redenen waarom theologen hebben gezegd aan het persoonlijke voorbij te moeten gaan, is dat het erg gemakkelijk is om van zo'n God een idool te maken. Hij wordt een projectie van al onze angsten, vooroordelen en haat. Dit is gevaarlijk. Dat is waarom boeddhisten onze noties van God blasmefisch noemen. Zo'n God zijn we in Europa afstotelijk gaan vinden. We zitten vast aan een overgepersonifieerde God, als in een groef van een grammofoonplaat.”

Wat is de weg uit de crisis die u beschrijft? Mystiek?

“Daar ben ik niet zeker van. Wat we nodig hebben zijn de mystieke houdingen. De houding van iemand die zegt: ik weet niet wat God is. We hebben nooit het mystieke agnosticisme kunnen absorberen dat, bijvoorbeeld in de veertiende-eeuwse Engelse tekst The Cloud of Unknowing, in antwoord op de vraag wat God is, zegt: Ik weet het niet, ik heb geen flauw idee. Die houding moeten we veel meer ontwikkelen. Maar goede mystiek vereist dingen die moeilijk te bereiken zijn in onze samenleving. Het is een zeer lange en trage zoektocht in samenwerking met een geestelijke leider. Heel lang zijn er geen resultaten. Het vereist absolute stilte. In onze samenleving met lawaai van vroeg tot laat en talkshows en overal muziek zijn we bang van stilte en eenzaamheid. We hebben instant-bevrediging, fast food, en instant-communicatie. Dit is de wereld van de fax en en mobiele telefoon. Het is niet gemakkelijk of zelfs mogelijk om terug te gaan naar een langzamer leven. We hebben spirituele genieën nodig. We hebben wetenschappelijke genieën gehad zoals Einstein en Stephen Hawking maar nu hebben we behoefte aan spirituele genieën. We hebben het gevoel verloren dat spiritualiteit een constant gevecht is. Een creatief gevecht om ons leven zin te geven.”

Bent u zelf nog gelovig?

“Ik noem mezelf meestal een free-lance monotheïst. Ik ga niet meer naar de kerk. Ik vind het moeilijk door mijn persoonlijke geschiedenis en door het Vaticaan. Het is voor mij niet mogelijk om terug te gaan en weer rooms-katholiek te worden. Maar de studie van andere godsdiensten, de Griekse orthodoxie bijvoorbeeld, waar ik nooit iets van had geweten en die wij in het Wetsen nogal chauvinistisch negeren, en van het jodendom en de islam, heeft mij wel geholpen om in te zien wat mijn eigen traditie op haar best heeft geprobeerd te doen. De studie heeft het gevoel teruggebracht dat spiritualiteit en de monotheïstische zoektocht waardevol is. Ik doceer in Londen aan een rabbijnenschool. Mijn collega's vinden dat ik in mijn spiritualiteit erg joods ben. Ik ga niet een kerk binnen om te bidden maar als ik studeer krijg ik glimpen van transcendentie. Jezelf onderdompelen in een heilige tekst, daarbij heen en weer wiegend, dat is erg joods. Het is trouwens ook een benedictijnse manier in de katholieke kerk. Dus het korte antwoord luidt: ik krijg voeding van andere tradities.”

U schrijft dat in het klooster er meer over Jezus werd gepraat dan u wilde. Is het voor u altijd moeilijk geweest om te geloven in de figuur Jezus Christus?

“U zult zich van het boek herinneren dat veel andere tradities zelf ook een theologie van de menswording hebben ontwikkeld. Juist toen christenen besloten dat Jezus goddelijk was, werd Boeddha door de boeddhisten op tamelijk gelijke wijze beschouwd. De sji'a zag haar imans op soortgelijke wijze zoals de vroege christenen Jezus zagen. In het Westen hebben we de Drieëenheid nooit echt begrepen. De Drieëenheid is een Oosterse doctrine die werd ontwikkeld door de Griekse kerkvaderen. Het is een mystieke, contemplatieve doctrine. De westerse christenen zien Jezus als een soort goddelijke vriend. De Grieks-orthodoxen hebben Jezus altijd gezien op een manier zoals Boeddha werd gezien. Hij was het eerste voorbeeld van Verlichting. Ik was als non meer geïnteresseerd in God en de Drieëenheid dan in Jezus.”

De paus legt in zijn boek sterk de nadruk op de figuur van Jezus Christus. Wat vindt u daar van?

“Dat heb ik nog niet gelezen.”

De figuur van Jezus Christus onderscheidt rooms-katholieken van andere gelovigen, zegt de paus.

“Het spijt me dat ik het oneens ben met de paus, maar dat is niet waar. Het hoofdstuk over het boeddhisme heb ik wel gelezen. Ik vind het een hoogst onverstandig, unfair, eenzijdige en onwetend portret. Mijn zus is al twintig jaar boeddhist. Ik ben er al heel lang in geïnteresseerd en ik zie het als iets waarvan wij monotheïsten heel veel van kunnen leren. Het is niet waar dat het christendom uniek is. Het is moeilijk om in de twintigste eeuw nog te beweren dat het christendom uniek is nu we meer over andere godsdiensten weten dan ooit mogelijk is geweest. Nu we leven in een wereldmaatschappij en we iets leren over de immense spirituele rijkdommen van elke traditie, zou ik zeggen dat het bijna blasfemisch is om te zeggen dat slechts één enkel geloof het handvat tot de waarheid heeft. We weten te veel over andere geloven om zulke arrogante beweringen te doen.”

Wat vindt u van de westerse angst voor het islam-fundamentalisme?

“In elke religieuze traditie ter wereld bestaat fundamentalisme. Het is vooral sterk in de Verenigde Staten. Fundamentalisme is een antwoord op de westerse ethiek van de moderniteit. Naarmate onze westerse moderniteit zich verspreidt, groeit het fundamentalisme mee, als een religieuze reactie erop en een verwerping ervan. Ik ben bezig aan een boek over de geschiedenis van het fundamentalisme waarin dit aan de orde komt. Het fundamentalisme ontstond in de Verenigde Staten aan het begin van deze eeuw en trof het Midden-Oosten in de jaren zeventig. Het lijkt erop dat in de Verenigde Staten de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie wordt vervangen door een Koude Oorlog tegen de islam. We ontwikkelen allerlei onzorgvuldige ideeën over de islam en dat maakt moslims natuurlijk boos.”

U zei dat het fundamentalisme in de Verenigde Staten is ontstaan?

“Amerikanen gingen zich fundamentalisten noemen, trots als ze waren omdat ze terug gingen naar de fundamenten van het geloof. Fundamentalisme is een reactie op het feit dat in een seculiere maatschappij religie facultatief wordt en terzijde wordt geduwd. Voor sommige mensen is dat onmogelijk. Voor hen heeft het geloof een totale autoriteit. Je ziet dat in Israel. Dat begon als een uitdagend seculiere staat. Het zionisme begon als een verklaard seculiere beweging, als een reactie op religie. In Israel hebben de religieuze partijen, de fundamentalisten, de religie weer terug naar de centrale politiek geduwd. En nu kan geen enkele regering in Israel de religieuze rechten negeren. Hetzelfde doet zich voor in de islamitische wereld. Toen daar moderne staten werden opgezet, zeiden wij imperialisten en kolonialen: jullie moeten religie en politiek in aparte categorieën onderbrengen. Net als wij. Zo wordt hun iets vreemds opgelegd. Het is onvermijdelijk dat er mensen om allerlei redenen tegen gingen vechten.”

U beschrijft in uw boek veel profeten en filosofen. Heeft u een favoriet?

“Ja, de soefi's. Ik heb grote bewondering voor de soefi's op hun hoogtepunt. Mensen als Ibn Arabi en Roemi. Wat ik in hen het meest bewonder is hun positieve waardering voor andere religieuze tradities. Het was voor een soefi in die tijd heel gebruikelijk om in extase uit te schreeuwen dat hij niet langer een moslim, een jood of een christen is omdat hij het goddelijke had gevonden en deze door mensen gemaakte onderscheiden achter zich had gelaten. En dat een man van God zich thuis voelt in een synagoge, een moskee, een tempel of een kerk. Wij kunnen deze religieuze extase niet bereiken, maar deze mystieke houding is voor ons wel een blauwdruk in de 21ste eeuw. In plaats van ons zoals fundamentalisten terug te trekken in een soort confessioneel getto, zouden we onze deuren moeten openen om te kijken wat we van andere tradities kunnen leren. Dat zou elke traditie een grote inspiratie geven.”

En Godsbewijzen? Trekt het bewijs dat God bestaat u helemaal niet aan?

Geschrokken: “O, het Godsbewijs is een red herring. Tijdverspilling. Dat is het trieste van onze westerse traditie. De Godsbewijzen waren nooit bedoeld als wetenschappelijke bewijzen voor het bestaan van God. Hoe zou dat ook kunnen? God is niet een ding, een fenomeen.”

En Thomas van Aquino dan? Zag hij God niet als een Opperwezen?

“Ja, die is vaak verkeerd begrepen. Zelfs hij geloofde dat niet echt, maar ongelukkig genoeg sprak hij vaak alsof hij dat wel geloofde. Hij wekte de indruk dat je Gods bestaan kon bewijzen en dat God een wezen was. Maar elders in zijn Summa Theologiae zegt hij dat onze religieuze ideeën alleen maar onze eigen menselijke ideeën zijn. En dat God die ver te boven gaat. Oorspronkelijk waren godsbewijzen bedoeld als een soort meditatie, een manier om aan God of over de wereld te denken. Spelen met de geest om een mystieke ervaring te krijgen. Niet zoals wij in onze laboratoria iets willen bewijzen. Toen wij in Europa en, later, in de Verenigde Staten, onze revolutionaire wetenschappelijke traditie ontwikkelden, begonnen we ons geloof op dezelfde manier te behandelen. We maakten er een gewoonte van om te zeggen dat God inderdaad iets is dat we kunnen bewijzen. Dat gezegd hebbende, maak je God erg kwetsbaar tegenover mensen, wetenschappers, die langskomen en geen ruimte voor God in hun kosmologie kunnen vinden. Dit stoort moslims in het geheel niet. Zij hebben nooit problemen met de wetenschap gehad omdat zij altijd hebben geweten dat de Koran symbolisch is, een allegorische manier om over God te spreken.”

U sprak over de soefi's. Kunnen we hun methode zomaar naar onze twintigste eeuw overplanten?

“Nee. Mensen doen het wel. In Duitsland hebben veel mensen die helemaal geen moslim zijn zich tot het soefisme en wat daarmee samenhangt gewend. En soefi-praktijken en meditatieve technieken kunnen zeker helpen bij het vinden van de juiste mystieke houding. Maar we moeten niet denken dat we allemaal als Ibn Arabi zullen worden. Het is ook niet onze traditie. Het heeft iets exotisch.”

Geen mystiek dus, het klinkt hopeloos.

“Nee! We moeten strijden. Wat ik bedoel, is dat we moeten strijden om een spiritualiteit te vinden die past bij onze omstandigheden. Niet naar een vreemd land gaan of driehonderd jaar teruggaan naar een spiritualiteit die geworteld was in een totaal andere cultuur. De strijd zal moeilijk zijn. Net zoals het schrijven van een groots muziekstuk moeilijk is. We zijn het niet meer gewend om over religie als een strijd te zien. We denken dat religie alleen maar antwoorden en een kant-en-klare oplossingen moet geven.”

U schrijft dat een religie moet 'werken'. Hoe bedoelt u dat?

“Een religieus idee of een spiritualiteit moet mensen het gevoel geven dat het leven uiteindelijk betekenis en waarde heeft. Het is als een goed schilderij of een prachtig muziekstuk dat ons doet denken: alles zal goed komen, als deze schoonheid in deze wereld is heeft het leven betekenis. Religieuze ideeën moeten zo'n overtuiging geven. Als dat niet gebeurt, sterven ze. Bovendien moeten religieuze ideeën leiden naar het mededogen. Dat is de zuurproef voor elke spiritualiteit, daar zijn alle religies het over eens. Als godsdienst niet leidt tot mededogen, werkt ze niet. En als godsdienst niet helpt het heilige in andere mensen te zien en te waarderen, dan heeft ze ook niet gewerkt. Waarom zijn de kerken leeg? Omdat de meeste gangbare ideeën over God en de door de kerk gepropageerde spiritualiteit de mensen niet het gevoel geven dat het leven betekenis heeft. De mensen vinden ze ergelijk, vervelend of ongeloofwaardig. Dus wenden ze zich tot iets anders. Tot kunst bijvoorbeeld. George Steiner zegt dat kunst voor veel mensen weleens het enige beschikbare middel tot transcendentie zou kunnen zijn. Of ze wenden zich tot het boeddhisme. New Age filosofie. Psychoanalyse. We zijn betekeniszoekende schepsels. We doen altijd iets om een geloof te scheppen.”

Laatste vraag. Is uw conclusie na dit boek niet geweest dat het monotheïsme toch wel een erg merkwaardig geloof is? Denkt u dat de monotheïstische traditie kan worden voortgezet?

“We moeten blijven veranderen. Het idee van monotheïsme is steeds opnieuw veranderd, vaak heel dramatisch. We hebben het constant aangepast aan onze behoeften. Denkt u eens aan het buitengewone idee dat in de eerste eeuw werd ontwikkeld door een groep joden die beweerden dat een man die was gekruisigd in een obscure uithoek van het Romeinse Rijk goddelijk was, een idee dat zelfs voor joden niet volkomen godslasterlijk was. Niemand zou hebben verwacht dat dit idee ook maar een kans zou hebben om een grote wereldreligie te worden. Toch werd het dat. Religieuze ideeën beginnen, denk ik, meestal chocquerend. In het begin van hun ontwikkeling werden joden, moslims en christenen heel vaak atheïsten genoemd. Niet omdat ze niet in God geloofden, maar omdat hun ideeën over het goddelijke zo chocquerend waren dat ze godslasterlijk en onreligieus leken. Ik denk dat veel atheïsme van nu een soortgelijke overgangsfase zou kunnen zijn naar iets nieuws. Veel van onze ideeën over God zijn zo idolaat en ontoereikend dat we ze smakeloos zijn gaan vinden. We stoten ze omver. Misschien hebben we een tijd van stilte nodig, weg van God, om onze denkbeelden te zuiveren en zo een nieuw spiritueel geloof te creëren voor de 21ste eeuw. Atheïsme kan een positieve overgangsfase zijn. Een gepassioneerd, betrokken atheïsme kan volgens mij veel religieuzer zijn dan een vermoeid, lusteloos, lui, conventioneel geloof.”

    • Arjen Schreuder