Adriaan Stoop (1856-1935); Licht ethische ondernemer

HENRIËTTE VAN VOORST VADER-DUYCKINCK SANDER: Leven en laten leven. Een biografie van ir. Adriaan Stoop 1856-1935

352 blz., geïll., Schuyt & Co 1994, ƒ 39,50

Zelden zal de vroegere trots van een gebouw zo dramatisch zijn aangetast als die van Stoop's Bad in Overveen, op de grens met Haarlem. Ir. Adriaan Stoop liet de badinrichting in een royaal gebaar van filantropie aan het begin van deze eeuw bouwen. Eerder was hij oliebaron in Nederlands-Indië geweest en had hij in Beieren een kuuroord gesticht. Overtuigd als Stoop was van de heilzame werking van water, baden en zwemmen voor volwassenen en kinderen, moest de inrichting aan strikte eisen van hygiëne voldoen. Want hij wilde niet alleen kinderen uit hogere milieus, die reiner op hun lichaam waren, de toegang tot het bad gunnen, maar ook die uit de armere kringen, waar hooguit eens per week een plons in de zinken teil werd genomen.

Stoop's Bad oogt nu, enkele jaren na sluiting, als een haveloos gebit. De ruiten zijn aan scherven, ornamenten weggebroken, onkruid woekert overal, de bassins zijn groen uitgeslagen van de algen, het beton is gebarsten, de vierkante klok met aan elke zijde een wijzerplaat staat op verschillende tijdstippen stil, de ketels voor de verwarming zijn oud roest. De gemeente Haarlem heeft besloten het bad tot appartementencomplex te verbouwen, met behoud van de voorgevel. Op deze manier blijft de naam van Stoop toch nog verbonden met de nieuwbouw, en gelukkig ook die van architect Eduard Cuypers, de 'onbekende neef' van bouwmeester P.J.H. Cuypers, ontwerper van het Rijksmuseum en het Centraal Station.

De voorgevel heeft een intrigerend aanzien; het is een curieuze, kasteelachtige mengeling van Amsterdamse School, Griekse tempel vanwege de zuilen die geveldriehoeken schragen, en Jugendstil. Het interieur van het bad diende nog tot decor van een Nederlandse speelfilm, Het meisje met het rode haar over de verzetsheldin Hanny Schaft.

Ambitie

In de biografie Leven en laten leven, geschreven door Henriëtte van Voorst Vader-Duyckinck Sander, krijgt Stoop's bad terecht een ruime plaats toegemeten, maar nauwelijks het tragische verval ervan. Zo'n detail is niettemin treffend. Het illustreert wat er ten slotte overblijft van iemands inspanningen, ook al staat het Kennemer Lyceum pal naast het Bad er nog in volle glorie. Mijn-ingenieur Adriaan Stoop was een man gedreven door ambitie, ondernemingslust en in het bezit van een onmiskenbaar talent en doorzettingsvermogen. Hij bewoog zich op sterk uiteenlopende terreinen. Als je zijn leven in een terugblik wilt vangen, is het nauwelijks voorstelbaar dat dit leven door één persoon is geleid.

Stoops werkzaamheden speelden zich af in een bewegingsvolle periode, zowel in industrieel als maatschappelijk-politiek opzicht. In de late negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwam de industrialisatie van Nederland op gang. Indië was nog 'van ons' en het batig saldo dat de kolonie opleverde, betekende een onmisbare financiële injectie voor de vaderlandse economische ontplooiing.

Adriaan Stoop groeide op in een betrekkelijk welgesteld, intellectueel milieu in Dordrecht. Tot de directe kennissenkring behoorden verlichte geesten als Conrad Busken Huet. Max Havelaar en de ethische houding die Nederland tegenover de overzeese kolonie zou moeten innemen, kwamen al spoedig binnen zijn gezichtsveld. Waarom Adriaan Stoop uiteindelijk voor de mijnbouw koos, blijft ongewis. De biografe vermoedt dat Jules Vernes Naar het middelpunt der aarde hier een grote rol heeft gespeeld. De jonge Stoop raakte gefascineerd door het boek. Hij voelde zich aangetrokken door de zucht naar kennis van de aardkorst en de technieken om die geheimen te ontraadselen en door het pure verlangen naar avontuur. Nederlands-Indië was voor ondernemende jongemannen als Stoop, die kennis aan ambitie paarden, het geschikte land om de gedroomde carrière te verwezenlijken. Henriëtte van Voorst merkt op dat Stoop niet louter beschouwd kon worden als een ondernemer, belust op geldelijk gewin. In de ingewikkelde hiërarchie van de Indische samenleving maakte Stoop ook gebruik van de methode der ambtenarij om zijn doel, de ontginning van olie op Midden-Java, te verwerkelijken.

Van Voorst schrijft, naar aanleiding van Stoops herhaalde verzoek aan het gouvernement om financiële steun: “(Men) ziet (hier) niet alleen de door honger naar kennis gedreven technicus, die grote toekomst ziet voor een inheemse petroleumindustrie. Ook de ambtenaar die vindt dat de regering daarbij hoe dan ook een rol moet spelen.” Ook is in die smeekbeden de vaderlandslievende burger aan het woord, die de mogelijke winsten allereerst naar de Nederlandse schatkist wil laten vloeien. Subtiel houdt de biografe in het midden of Stoop van mening is dat de inheemse bevolking in financiële voorspoed moet delen. Die kans lijkt mij betrekkelijk klein. Dat heeft weinig met Stoops karakter te maken, als wel met de eertijds vanzelfsprekende Nederlandse aanwezigheid in de kolonie.

Toch moet de nog jonge Stoop - hij was vierentwintig toen hij in Indië arriveerde - langzaam zijn opgeschoven naar de ethische richting. Een aanwijzing daarvoor is zijn vriendschap met C.Th. van Deventer, auteur van het geruchtmakende schotschrift Een Eereschuld (1899). De publikatie was gericht tegen de liberale politici die zich onvoldoende met de sociaal-economische situatie bemoeiden en uitsluitend erop uit waren de Indische begroting sluitend te krijgen.

Tussen 1886 en 1896 werkte Stoop aan de stichting en verdere uitbouw van zijn onderneming, de Dordtsche Petroleum Maatschappij. De bladzijden gewijd aan de oliewinning, de moordende concurrentie tussen de verschillende maatschappijen, waarin behalve Stoops DPM ook de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Exploitatie van Oliebronnen, kortweg de 'Koninklijke', een rol speelde, geven een prachtig inzicht in de manier waarop Indië door Nederlandse ondernemers zowat onder de voet werd gelopen. De oerwouden van Sumatra en Java moesten worden gekapt als men ook maar het geringste vermoeden had van verborgen bronnen. Er kwam een figuurlijke jungle voor in de plaats, die van de concurrentie. Wie kreeg de beste velden in handen, wie kon beschikken over de beste transportmogelijkheden?

Met verve beschrijft de biografe die onwaarschijnlijke ondernemerslust, maar soms verliest ze zich in zakelijke details of weidt ze te zeer uit over persoonlijke conflicten en beslommeringen, waardoor de figuur van Stoop achter een stortvloed aan gegevens verdwijnt. Dan is te zeer te merken dat ze kisten met archieven heeft moeten doorspitten. Maar ook geeft ze bijna en passant een schitterend relaas van opkomst en ondergang van Spijker, de befaamde Nederlandse automobielfabriek. Stoop was een fervent liefhebber van Spijker en hij heeft nog tal van technisch vernuftige voorstellen gedaan om de betrouwbaarheid en snelheid van de wagens te verbeteren. Het exemplaar dat hij zich in 1906 aanschafte kostte destijds zo'n ƒ 10.000.-

Soms verliest de biografe zich in algemeenheden over Stoops filantropische instelling en krijgen we zinnen te lezen als: “Gezin, kinderen en kindskinderen bleven voor het echtpaar Stoop een allesbepalende rol spelen. Met hen werd meegeleefd in ziekte en gezondheid, lief en leed. (...) Stoop hield zich wat afzijdig, was een monument van onaantastbaarheid en voorwerp van onvoorwaardelijke bewondering. De verbondenheid van de familie met de grootouders spreekt overduidelijk uit de verschillende verzen en toneelstukken ter gelegenheid van jubilea ten beste gegeven.” Voor een biograaf die ook de innerlijke drijfveren van de hoofdpersoon had willen analyseren, liggen in deze korte karakteristiek tal van niet beantwoorde vragen besloten. Waarom hield een man die in technisch opzicht de wereld zo vooruit wilde helpen zich afzijdig? Had dat iets te maken met zijn coulante houding tegenover het opkomende nazi-Duitsland? Stoop maakte geen bezwaar toen het door hem gestichte kuuroord Bad Wiessee in Beieren in 1933 volgens het 'Führerprinzip' werd ingepast in de 'Bund Deutscher Verkehrsverbände und Bäder'. Zelfs verzette hij zich niet tegen het voornemen om zijn naam, samen met die van een evidente aanhanger van de partij, publiekelijk te verbinden aan het kuuroord. De biografe verdoezelt Stoops van onwetendheid getuigende houding niet.

Zoals in elke biografie strijden ook in Leven en laten leven twee tegengestelde krachten. Enerzijds is er de bewondering voor leven en werk van de betrokkene; anderzijds moet de biograaf een wetenschappelijke distantie in acht nemen, soms zelfs de hoofdpersoon niet sparen. Verder moet hij liefst over een evocatieve pen beschikken en de moed hebben details in te wisselen tegen de brede streek. Leven en laten leven getuigt van nauwgezet onderzoek, maar duizelt soms van de getallen, winst- en verliesrekeningen, aandelen en wat niet meer. Het hoofdstuk 'Rentmeester van zijn vermogen', geschreven door de echtgenoot van de biografe, is hier even illustratief als onthullend. De auteur vergelijkt daarin de waarde van het geld toen en nu. Opeens komt Stoop dichterbij, je ziet hem als het ware marchanderen en aankopen doen. De Cadillac die Stoop in 1920 voor ƒ 20.000.- kocht, zou omgerekend in 1995 een waarde vertegenwoordigen van ƒ 165.000.-. Het voertuig is dus met een factor 8,25 duurder geworden. Stoop had in 1904 een abonnement op het Algemeen Handelsblad à ƒ 5,20 per kwartaal. Nu, verzucht de auteur, kost een kwartaalabonnement meer dan 20 maal zo veel “en dan krijgt men er de hele NRC bij cadeau!” Die gegevens halen de beschreven tijd dichterbij.

Zoetelijk

In het laatste hoofdstuk, de karakteristiek, schrijft Henriëtte van Voorst: “Stoop had het grote geluk zijn vrouw, in veel opzichten zijn tegenpool, al heel jong gevonden te hebben. Zij stimuleerde haar man en liet hem alle vrijheid zijn ideeën te ontwikkelen, ving hem op en verzorgde hem tijdens ziekte. Bij Aad wees het intellect de weg, bij haar het gevoel. (...) Samen hebben de Stoopen hun leven vorm gegeven.” Dat is wel erg zoetelijk. Gingen er dan in het karakter van Stoop geen oneffenheden schuil, geen met elkaar botsende gevoelens?

De onvermoeibare werkkracht van Adriaan Stoop heeft Henriëtte van Voorst consciëntieus in kaart gebracht. Ze heeft Stoops levenslijn opnieuw afgewikkeld, jaar na jaar, gebeurtenis na gebeurtenis. Een technicus en grootindustrieel als Stoop is moeilijk te vangen in een gedurfde synthese. Dat in ogenschouw genomen is Leven en laten leven zeker geslaagd. Het geeft een treffend beeld van de manier waarop een Nederlandse ondernemer zich tijdens de Industriële Revolutie heeft laten gelden.

    • Kester Freriks
    • Medewerker van Nrc Handelsblad