Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Bouw

Achter de gevels van Amsterdam

R. MEISCHKE, H.J. ZANTKUIJL, W. RAUE, P.T.E.E. ROSENBERG: Huizen in Nederland. Amsterdam. Architectonische verkenningen aan de hand van het bezit van de Vereniging Hendrick de Keyser

376 blz., geïll., Waanders 1995, ƒ 62,50

Aan de kop van de Zeedijk schommelt zachtjes in de wind het uithangbord van 'rariteitencafé Int Aepjen'. Tien jaar geleden was dit nog de absolute no-go area van Amsterdam, waar verslaafden ongestoord hun dagmenu van heroïne, pillen, alcohol en vanillevla naar binnen sloegen en waar een zinnig mens met een wijde boog omheen liep. De laatste jaren, na intensief vegen door de politie, is een van de oudste delen van de stad gelukkig weer publiek domein geworden. Al is het nu vooral buitenlands publiek: Int Aepjen is als café toegevoegd aan het Barbizon Palace hotel.

Het zestiende-eeuwse pand op Zeedijk nummer 1 is een van de pronkstukken van de Vereniging Hendrick de Keyser. De houten gevel is in leeftijd enig in zijn soort in Amsterdam. Op de eerste stadskaart die we kennen, die van Cornelis Anthonisz uit 1544, kunnen we het 'Aepgen' nog terugvinden. In al zijn bescheidenheid heeft het huis zo'n vijf eeuwen stadsgeschiedenis getrotseerd. En dat is precies de bedoeling van de vereniging: behoud van architectonisch of historisch waardevolle oude huizen, van binnen en van buiten.

In 1918 kocht wijnkoopman Jacobus Boelen het voormalige Wijnkopersgildehuis in de Koestraat, niet ver van de Zeedijk, en vervolgens het huis ernaast, waardoor het gesplitste pand weer één geheel vormde. Hij liet het pand opknappen, zodat de gezamenlijke gevel in volle glorie werd hersteld en verhuurde het vervolgens weer door. Daarmee begon hij een traditie die de Vereniging Hendrick de Keyser, die hij dat jaar oprichtte, tot de dag van vandaag zou huldigen. Het huizenbezit is inmiddels uitgegroeid tot 313 panden in heel Nederland, van Schoorl tot Maastricht en van Usquert tot Vlissingen. In Amsterdam heeft de vereniging inmiddels 82 huizen.

Jubileum

Met de reeks Huizen in Nederland viert Hendrick de Keyser uitgebreid haar 75-jarig jubileum. In 1993 verscheen deel één, over de huizen van de vereniging in Noord-Holland en Friesland. Het recent gepresenteerde tweede deel toont de Amsterdamse collectie. Er zullen de komende jaren nog twee delen verschijnen, waarmee de vereniging verantwoording aflegt over haar bezit.

Bij de aanbieding van het eerste exemplaar ruimde een van de auteurs, drs. P.T.E.E. Rosenberg, een misverstand uit de weg: dat de vereniging louter patriciërshuizen aan de Heren- en Keizersgracht zou bezitten. Het eerste exemplaar mag dan zijn aangeboden in het monumentale Huize van Brienen aan de Herengracht, de huizencollectie van Hendrick de Keyser is juist in Amsterdam zeer verscheiden van aard. De eerste huizen die de vereniging kocht, in de periode 1918-1930, waren vrijwel zonder uitzondering goedkope huurhuizen in de hoofdstad. Huizen die het meest gevaar liepen door speculanten te worden opgeruimd, in stukken gehakt of onherkenbaar veranderd. Dat waren vooral huizen aan de Oude Zijde van de middeleeuwse stad en in de Jordaan. De panden aan de echt sjieke grachten werden toen meestal nog bewoond door rijke families met oog en geld voor traditie.

Met de redding van panden voor de sloop was de vereniging er echter nog niet, bleek na 1928. Toen werden de gemeentelijke woningnormen aangescherpt en zag het bestuur tot zijn verbijstering dat ongeveer eenderde van zijn huizen door Bouw- en Woningtoezicht 'onbewoonbaar verklaard' werd. Met behulp van architecten is in het decennium erna een begin gemaakt met het opnieuw bewoonbaar maken van de huizen.

De helft van het kloeke boekwerk bestaat uit een minutieuze beschrijving van 74 Amsterdamse huizen en hun (restauratie)geschiedenis. Het is een parade van vaak verborgen schatten. Behalve tijdens die ene monumentendag in het jaar, valt van de huizen in de stad maar de helft te bewonderen: de gevels. Daar zitten heel opvallende bij, maar ook achter karige gevels gaan soms de mooiste interieurs schuil. Amsterdam is een door en door burgerlijke stad en de huizen weerspiegelen de mentaliteit van haar bewoners. Geert Mak karakteriseert de stadscultuur in zijn Kleine geschiedenis van Amsterdam trefzeker als 'giro-rijkdom': hij is er wel, maar je ziet 'm niet. Deel twee van Huizen in Nederland is vooral een feest van binnenkamers, achtertuinen en kelderwoningen.

Met duidelijk plezier beschrijven de samenstellers van het boek de financiële soberheid van de vereniging. Rosenberg wees op 'de scherpe neus voor koopjes' van het bestuur. Zelden topstukken, altijd de 'meesterwerken van het tweede garnituur'. Ook lezen we hoe bij morele dilemma's de boekhouding de doorslag gaf. Enge Kerksteeg 2, een steeg in het hart van de rosse buurt, bleek in 1930 door de vereniging verhuurd aan een souteneur, J. Missana. Een zekere gêne gevoelde het toenmalig bestuur wel bij de bestemming van deze woning, maar zo merkte een der leden in een brief op: “Worde niet vergeten, dat de heer Missana een behoorlijke huur betaalt (...) en nooit om reparaties vraagt.” Waarmee het pleit beslecht was.

De aanschaf van het Huis Bartolotti, in een kleine bocht van de Herengracht gelegd, is een van de uitzonderingen op de zuinige regel. Met zijn twee knikken oogt het huis als een triptiek en de gevel - waarschijnlijk ontworpen door Hendrick de Keyser - is een opstapeling van pilasters, verrijkt met overdadig beeldhouwwerk. Dit huis werd in 1924 voor het 'astronomische bedrag' van 75.000 gulden aangekocht, “in de vurige wens een schepping te bezitten van de naamgever van de vereniging”.

Aan de stedelijke 'beeltsnyder ende steenhouwer' De Keyser (1565-1621) besteden de auteurs niet bijzonder veel aandacht. De schepper van de Westerkerk kreeg een bescheiden hoofdstuk in de andere helft van het boek: de geschiedenis van bouwen en bouwvak in Amsterdam tot 1850. Hij passeert de revue, zoals stadstimmerman Frans Martsz voor hem, en architect Philips Vingboons na hem.

Ruggegraat

In de eerste eeuwen van de stadsontwikkeling zijn het de timmerlieden die de 'ruggegraat van het bouwen' zijn, zoals de auteurs het noemen. Logisch, want de huizen werd lange tijd opgetrokken om dragende houtskeletten. Zie 'Het Aepgen' op de Zeedijk, voor het eerst vermeld in een belastingkohier van 1543. Maar ook als de houtconstructie zo vanaf 1600 minder belangrijk wordt en de 'verstening' van de stad begint, blijft hout nog in allerlei elementen terugkeren in de huizen.

In de geschiedenis van het bouwvak toont zich opnieuw de burgerlijke traditie van Amsterdam. Zonder hof, zonder militaire functie, zonder kerkvorst moest de stad wel leunen op de patriciërs. De stadsfabriekmeesters, die boven de stadstimmerman en de stadsmetselaar stonden gesteld, waren direct verantwoording verschuldigd aan de burgemeesters en de raad van de stad. De bouwactiviteiten zien we dan ook schommelen in perioden waarin de stad uitbreiding zocht, niet op momenten dat deze of gene rijke eigenaar eens even een nieuw huis wilde neerzetten. Bouwen in Amsterdam is door de eeuwen heen steeds een zaak van losjes geplande projectontwikkeling geweest.