De Duitse leider en zijn gigantische taak; Het weggemoffelde politieke verleden van Pyke Koch

Museum Boymans-van Beuningen heeft zich kennelijk geen raad geweten met Pyke Koch. Hoe anders is het te verklaren dat in de catalogus, die vanzelfsprekend voornamelijk aan 's mans kunsthistorische betekenis is gewijd, zo schichtig wordt gedaan over de oorlog? Wat is, in een boek dat toch vooral een artistiek doel dient, de bedoeling van een openingshoofdstuk over de politieke gedachtenwereld van de schilder, waarin een opmerkelijk grote sprong van de jaren dertig naar de jaren vijftig wordt gemaakt? En waarom vertoont de biografische schets achterin het boek precies diezelfde lacune? Was er, volgens de samenstellers van tentoonstelling en catalogus, over het tussenliggende decennium niets te melden?

Blijkbaar werd de politieke kant van Pyke Koch relevant geacht - anders was de diplomaat mr P.F.C. Koch, zoon van de kunstenaar, niet gevraagd om erover te schrijven. Hij heeft zich op opmerkelijke wijze van zijn taak gekweten. Hij beschrijft zijn vader als iemand met een heilig geloof in de ongelijkheid van de mensen en dus als tegenstander van de parlementaire democratie. Koch hing een elitair gezagssysteem met aristocratische trekken aan. Zo werd hij in de jaren dertig enthousiast over Mussolini en Franco, aldus Koch jr., maar niet over Hitler: “Met Duitse agressie in westelijke richting had P.K. - ook als nationalist - uiteraard meer moeite.” Vervolgens slaat hij in zijn betoog de jaren veertig, inclusief de bezetting, over.

Dat is merkwaardig, want juist in die tijd liet Pyke Koch van 'moeite' met de Führer weinig merken. Integendeel. Op 30 januari 1941 schreef hij in het nationaal-socialistische blad De Waag een lofzang op de Duitse agressor: “Duitschland en Italië brachten in de beslissende ure van hun bestaan elk een geniaal leider op, en bovendien nog een aantal groote, onversaagde, overtuigde mannen, die hen bij hunne gigantische taken ter zijde stonden. Het behoeft wel nauwelijks betoog, dat zonder een man van op zijn minst groot kaliber het nationaal-socialisme zeker niet dien glans, dien reinigenden en bezielenden invloed zou hebben, welke het had in Duitschland; dit vloeit onmiddellijk voort uit het leidersbeginsel.”

En waaruit bestond dan die Duitse reinigingsoperatie? Koch zei het niet met zoveel woorden, maar in een voetnoot bij zijn artikel liet hij er iets van doorschemeren - in een passage over de wederopkomst van het woord gilde in plaats van vakbond, “daar aan dit woord de atmospheer kleeft van de door Joden gemanipuleerde, z.g. internationaal georiënteerde marxistische werknemersorganisaties.” Aan dit soort brandmerken had hij zich trouwens al eerder schuldig gemaakt: in een polemiek tegen kunstcritici in De Waag van 1 augustus 1940, toen de anti-joodse maatregelen nog maar nauwelijks waren begonnen, duidde hij Paul F. Sanders zonder enige noodzaak aan als “de Joodsche recensent aan Het Volk”.

Sinister

Pyke Koch was vóór de oorlog lid geworden van de sinistere splintergroep Verdinaso (Verbond van Dietsche Nationaal-Solidaristen) die na de Duitse inval gedwongen opging in de NSB. Als gevolg daarvan werd hij op 9 november 1940 ingeschreven als lid van de NSB. Hij zegde zijn lidmaatschap echter op 12 mei 1941 alweer op - niet uit verzet tegen de Nieuwe Orde, maar omdat hij de NSB beschouwde als een kleinburgerlijk stelletje angsthazen. Zelf stond hij een veel hardere lijn voor, net als zijn geestverwant Rost van Tonningen die om dezelfde reden in botsing kwam met Mussert en de zijnen. Het sprak dan ook vanzelf dat hij zich wel aanmeldde voor de Kultuurkamer.

In januari 1941 nam Pyke Koch deel aan een kunstenaarsreisje naar Berlijn, onder leiding van de collaborerende schilder Ed. Gerdes. Ze ontmoetten er niemand minder dan propagandaminister Goebbels. In diezelfde maand stond in De Waag te lezen hoe hoopvol Koch gestemd was over de mogelijke invloed van de nazi-ideologie op de kunst: “De Nationaal-socialistische revolutie heeft een generatie voortgebracht, bezield van zelfopoffering, daadkracht en militaire heroïek. Dit zijn de eigenschappen, welke, indien ze langzamerhand de geheele geestelijke atmospheer van de volken, die bij deze revolutie betrokken zijn, gaan doordringen, op de kunst van grooten en bezielenden invloed kunnen zijn.”

Weliswaar betwistten Gerdes en Koch elkaar in die periode een leidende rol bij het opzetten van een Rijkscollectie van beeldende kunst, maar dat heeft hun betrekkingen niet blijvend geschaad. In de loop van 1942 ging Gerdes, als hoofd van de afdeling beeldende kunst van het Ministerie van Volksvoorlichting en Kunsten, immers over tot aankoop van de befaamde tekening Het Wachten, omschreven als een 'grisaille in tempera en krijt'. Het departement betaalde er ƒ 5.000 voor, een aanzienlijke som gelds in die tijd. Op 22 januari 1943 bevestigde Koch dat hij de tweede cheque van ƒ 2.500 had ontvangen.

Als eervol moet hij ook de opdracht van de PTT hebben ervaren om een nieuwe serie postzegels te ontwerpen. Ze verschenen halverwege 1943 en waren geheel in de geest van de Nieuwe Tijd: zonnerad, ruiter te paard, slangenboom, twee Saksische paardjes, twee zwanen en andere Germaanse symbolen.

Het waren de postzegelontwerpen die Pyke Koch na de oorlog een veroordeling door de Centrale Ereraad voor de Kunst bezorgden. Hij werd 'schuldig verklaard aan het als kunstenaar tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa opzettelijk zijn beroep op zodanige wijze te hebben vervuld dat mede daardoor nationaal-socialistische beginselen of denkbeelden ingang zouden hebben kunnen vinden'. Het vonnis luidde 'verbod van beroepsuitoefening in het openbaar' gedurende een jaar.

Het moet voor Koch extra pijnlijk zijn geweest dat het voorzitterschap van de Ereraad werd bekleed door zijn oude schoolvriend jhr. mr. M. van der Goes van Naters, met wie hij in de gymnasiumtijd aan de oever van de Waal menige boom had opgezet. “Het zó proberen je volk te laten wennen aan de diabolische ideologie die daaraan onmiddellijk ten grondslag ligt, vonden we afschuwelijk en hij is daarvoor dan ook gestraft,” schreef Van der Goes later in zijn memoires. Hij voegde eraan toe dat het college op dat moment geen kennis droeg van de artikelen in De Waag - suggererend dat de straf anders wellicht nog zwaarder was uitgevallen. Zelf heeft Koch in de naoorlogse jaren niet in het openbaar laten blijken dat zijn houding tijdens de bezetting apert onjuist was geweest. En ook zijn zoon spreekt zich daar, in de catalogus, niet duidelijk over uit.

Op zichzelf is het niet noodzakelijk in een boek-bij-een-tentoonstelling stil te staan bij de politieke opvattingen en levensloop van de schilder. Boymans hinkt hier echter op twee gedachten: de fascistische sympathieën van Pyke Koch worden wel aangestipt, maar tegelijk vervaagd, vergoelijkt en verdraaid - en waar ze toe leidden, werd weggemoffeld. Dat is onbegrijpelijk.