Houden van huizen

Voor mij, schrijft Mario Praz, zijn er twee soorten mensen: mensen die van hun huis houden, en mensen die dat niet doen. Het ergste dat over iemand gezegd kan worden vindt hij dat huizen hem koud laten. “Als ze zeggen: kijk uit, die man speelt vals met kaarten, vertrek ik geen spier; maar ik ben wel eens verbleekt als ik voor het eerst aan huis kwam bij iemand die ik al jaren kende.”

Er volgt een uitweiding over de horreurs die Praz is tegengekomen in de woningen van mensen met wie hij dacht bevriend te zijn. Het toppunt is de herinnering aan het appartement van een kunsthistoricus, dat uitpuilde van een ratjetoe van schilderijen, beeldjes, bric-à-brac - zelfs ingelijste prentbriefkaarten, verzucht Praz - verzameld door een vage bloedverwant, en mettertijd bedekt door een genadig waas van stof. Ergens in een afgesloten kamer stond 'als een kwaadaardig gezwel' nog het bed van die bloedverwant, een enorm, laat-negentiende-eeuws ledikant. En dat in de woning van iemand die een beschaafd man leek te zijn, en een gedreven geleerde!

Mij lijkt wat hier beschreven wordt nogal een grappig huis (dat niet de bewoner zelf, maar een ander de verzamelaar was is natuurlijk een retorische truc om het erger te maken). Bovendien is het wel buitengewoon flauw om vrienden af te schrijven omdat hun smaak je niet bevalt. Met leedvermaak bedenk ik dat Praz' elegante boek over de Europese binnenhuiskunst nu wordt gekoesterd in duizenden interieurs, inclusief het mijne, die de auteur zelf zouden hebben doen verbleken.

Praz, die over zijn eigen huis in Rome nog een tweede boek heeft geschreven waarin ieder meubelstuk, elk bonheur du jour liefdevol wordt beschreven, vertolkt op een wat extreme wijze iets dat je tegenwoordig uit de mond van iedere meubelwinkelier kunt horen: 'Zeg mij hoe je woont en ik zal zeggen wie je bent.' In onze tijd is dat denkbeeld zo'n cliché geworden dat veel Hollanders zich te pletter kopen aan bankstellen en behangetjes, alleen om op iemand te lijken die ze toch nooit zullen zijn.

Ik moest aan de oude Praz denken toen ik vorige week op bezoek was geweest bij iemand die ècht van zijn huis houdt. Want er schuilt wel een kern van waarheid in de uitspraken van deze estheet: het is iets heel moois om te houden van een huis, vooral als je er ook nog in mag wonen. Het huis in kwestie hoeft niet volmaakt te zijn, als het maar iets heeft dat ooit je gevoelens heeft wakker gemaakt.

Liefde voor de muren, de kamers, voor de kleur van de dakpannen en het hoekje bij het terras waar de pereboom staat. Voor wat je ziet als je de gang binnen komt, voor de meubels, het uitzicht, en het zonlicht op de planken vloeren. Het gevoel zit misschien tussen vaderlandsliefde en mensenliefde in; het is intiemer dan het één, en rustiger dan het ander. Alles wat nodig is is een gelukkige combinatie van mens en huis.

Hoog in het Groningse noorden vormt de schilder R. zo'n twee-eenheid met het huis waarin hij woont. Het is een negentiende-eeuwse boerderij. Het voorhuis heeft een brede marmeren gang en achter is een grote deel, waar balken als opengewaaide paraplus de wijde zoldering dragen. Alles is oud in R.'s huis, veel dingen zijn ernstig versleten. De kamer waarin wij bij de kachel zitten te praten heeft misschien geen gordijnen, en de keuken is een bende.

Maar R. is dan ook schilder, een echte. Een schilder wiens werk je doet beseffen dat driekwart van alle schilderen dat je wel eens ziet zinloos is, verspilde moeite. In zijn huis hangen overal schilderijen, van hemzelf en van vrienden. Hier en daar is een muur beschilderd met een blauw arcadisch landschap, of een stukje houtwerk met een vogel of viool.

Terwijl wij praten haalt de schilder zo nu en dan een boek uit een diepe kast met kunstboeken die in een alkoof is gebouwd. Hij is heel streng in wat in die kast wordt toegelaten, zegt hij, want eigenlijk is hij vol en er mogen dus alleen maar boeken bij die dat echt verdienen.

Als wij over reizen komen te spreken laat R. schetsboeken zien met tekeningen van heuvels in Engeland, en de oevers van de Tiber in Rome. Tekeningen hebben altijd iets tijdloos, en dat geldt voor deze zeker. Ik durf het niet te zeggen maar ze doen me denken aan die van achttiende-eeuwse kunstenaars die op hun Grand Tour zijn. Die van Goethe zijn schoolser, maar dat is het idee. Had je nooit zin om te blijven in die landen waar het zo mooi is, in Italië waar je zo graag bent? vraag ik. Nee, zegt de schilder, ik houd van deze plek, van mijn huis.

Bijna moet ik weer naar de bus, de zon straalt laag over R.'s merkwaardige tuin waar hij 's zomers voor zijn plezier van gevonden stenen paadjes plaveit. Ik wil zo graag nog iets zeggen over dat huis, over hem en dit huis. Niet iets van meteen-thuisgevoeld want dat is het niet. Het is meer het gevoel in de aanwezigheid van iets moois te zijn geweest, van een man die weet waar hij wil zijn, en vergroeid is met zijn huis. Maar het komt er wat ongelukkig uit, want ik begin over de niet-gedane concessies aan conventies en zo, en R. veinst niet te weten waar ik het over heb. 'Dit is toch een heel net huis?' vraagt hij met gespeelde verontrusting.

Het is een vreselijk lange dag, na de terugreis uit Groningen moet ik nog naar Hilversum. Pas na middernacht zet een collega die ik nog niet kende mij met de auto af voor de deur van mijn eigen huis, dat ook oud is en best aardig. In elk geval houd ik er veel van. En de collega, de schat, de lieverd, doet precies wat zij moet doen om mijn nacht goed te maken. Tjee, roept ze op bewonderende toon, is dat je huis? Ja, zeg ik schaamteloos tevreden: dat is mijn huis.