'De informatiemaatschappij erkent geen grenzen'

BRUSSEL, 27 FEBR. Dr. Helmut Oswald van het Hart-instituut in Berlijn heeft geregeld contact met collega's in het Canadese Ottawa. Met behulp van een kleine camera en microfoon boven hun beeldscherm zien en spreken ze elkaar via de computer alsof ze niet op duizenden kilometers afstand van elkaar werken. Het grootste deel van hun beeldscherm is gevuld met röntgenfoto's en tekeningen van een hart die ze gelijktijdig bekijken en bespreken. Indien nodig kunnen ze patiëntengegevens of andere data uit de bestanden van hun instituten erbij oproepen. “Een snelle en efficiënte manier om kennis te bundelen”, vindt Oswald.

Afgelopen weekeinde demonstreerde hij het systeem in de marge van de vergadering over de 'informatiemaatschappij', die de Europese Unie en de ministers van de zeven grootste geïndustrialiseerde landen (G-7) in Brussel hielden. En hoewel de conferentie vooral in het teken stond van mooie intentieverklaringen en niet-verplichtende oproepen, voelde Oswald zich er als dagelijks gebruiker van de elektronische snelweg niet misplaatst.

“Het gaat er immers met name om dat politici ervan overtuigd raken dat dit soort systemen gewoon nodig is”, verklaart hij. “Het is een kwestie van bewustwording. Nu wordt vaak gedacht dat de gezondheidszorg met brieven sturen en telefoneren toekan. Daarbij vergeet men dat de kosten niet zitten in het tikken van een brief en de postzegel, maar in het verzamelen van kennis. Dat kost ook de meeste tijd en leidt tot omslachtige procedures en verspilling. Computernetwerken kunnen dat terugdringen. Als politici de mogelijkheden en waarde inzien van computer- en telecommunicatietechnieken, zullen ze de ontwikkeling en verspreiding ervan stimuleren.”

Het systeem van Oswald is maar één van de circa 140 voorbeelden van moderne informatietechnologie die het verzamelde bedrijfsleven in Brussel liet zien; wat de computer-, amusements- en telecommunicatie-bedrijven betreft is de toekomst inmiddels aangebroken. Maar de politieke vertegenwoordigers van G-7 en Europese Unie moeten nu wel een klimaat scheppen waarin die technologie zich optimaal kan ontwikkelen. Dat was althans de boodschap van een ronde-tafelconferentie van zo'n veertig top-industriëlen, samen goed voor 500 miljard dollar omzet en 2,5 miljoen werknemers. Alleen in zo'n klimaat is het mogelijk om zoveel mogelijk mensen tegen zo laag mogelijke kosten zo'n groot mogelijk keuze te bieden. En zo ontstaat ruimte voor economische groei en nieuwe werkgelegenheid. Volgens de veertig business leaders zijn open markten, eerlijke concurrentie en deregulering daartoe de belangrijkste voorwaarde.

Ze vonden daarbij in Brussel de Amerikaanse vice-president Al Gore aan hun zijde. In de Verenigde Staten is Gore het politieke boegbeeld van de 'nationale informatie-infrastructuur', die “nog deze eeuw elk klaslokaal, elke bibliotheek en elke kliniek” elektronisch moet verbinden met de buitenwereld.

Een dergelijke netwerk moet ook op wereldschaal ontstaan, zo betoogde de vice-president. Daarvoor is het nodig dat overbodige regelgeving wordt geschrapt, zodat concurrentie kan ontstaan die een wereldmarkt creëert waarin iedereen toegang krijgt tot elke gewenste dienst. Daarom ook zullen de VS, aldus Gore, haast maken met de verdere liberalisering van zijn eigen telecom-markt. Buitenlandse ondernemingen zullen zelfs volledige belangen in Amerikaanse telecombedrijven mogen nemen, mits sprake is van volledige wederkerigheid.

Op dit moment staat veel nationale regelgeving vrije concurrentie, buitenlandse participatie open uitwisseling van informatiediensten in de weg. Kabelnetwerken en telefoonnetten staan in de meeste landen nog onder strikte controle van de overheid. Nationale monopolisten missen daardoor de druk om technologische innovaties snel door te voeren, waardoor burgers en bedrijven de maximale voordelen van de mondiale informatiemaatschappij wordt onthouden.

Daarmee doen ze zichzelf tekort, betoogde Carlo de Benedetti, topman van het Italiaanse computerbedrijf Olivetti. Hij verwees tijdens de bijeenkomst van zakenmensen naar de 1,7 miljoen extra banen die in 1993 in de VS ontstonden, waarvan tweederde in elektronica en verwante sectoren. In dat zelfde jaar onstonden in de Amerikaanse auto-industrie, een van 's lands grootste werkgevers, slechts 35.000 banen. Eerder al haalde de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Santer, schattingen aan dat over vijftien jaar de 'multimedia-sector' in Japan voor meer werkgelegenheid zorgt dan de nationale auto-industrie.

De Benedetti: “De digitalisering en het samengaan van beeld, geluid, tekst en data is een revolutionaire ontwikkeling. Tegelijk zien we de economie globaliseren. Die processen versterken elkaar en veranderen de grondslagen van economie en maatschappij.” De keuze is tussen defensief reageren of de uitdaging aangaan, aldus De Benedetti. Wat hem betreft is er geen keuze: “Protectionisme werkt niet. Je kunt ideeën niet aan grenzen binden. De Amerikanen hebben de nieuwe tijd begrepen en de regelgeving versoepeld.”

Toch is het Amerikaanse model niet voor iedereen acceptabel. De ontwikkeling van standaarden, die voor ongestoorde koppeling van apparaten en netwerken zorgt, wordt in de VS overgelaten aan de markt. En zo hoort het ook, aldus voorzitter Michael Spindler van de Amerikaanse computerfabrikant Apple: “We moeten risico's nemen, experimenteren. Dan wordt vanzelf duidelijk wat aanslaat.” Maar de Europese Commissie wil liever zelf invloed uitoefenen op de nieuwe standaarden, zodat geen verwarring ontstaat. Dat voorkomt discussies, zoals in de jaren '80 over de standaard voor digitale televisie (HDTV), waarover in verschillende delen van de wereld afwijkende ideeën bestonden.

Een conflict over standaarden op een economisch invloedrijk gebied als informatietechnologie kan echter snel ontaarden in handelsoorlogen, zo menen betrokkenen. Bovendien kan een al te vrije ontwikkeling van technologieën, zo wordt binnen de EU gevreesd, nog wel eens een machtig wapen blijken in de handen van telefoniebedrijven, die met eigen systemen hun markten ontoegankelijk maken.

Politiek en zakenleven in Brussel waren het er in elk geval roerend over eens dat haast is geboden bij de uitwerking van de grondslagen voor de informatiemaatschappij. Volgens De Benedetti zou een werkgroep uit het bedrijfsleven conrete voorstellen moeten doen aan de komende G-7-top te Halifax (Canada). Ook Jacques Delors, tot voor kort voorzitter van de Europese Commissie en voorzitter van de industriële ronde-tafelconferentie, acht een snel vervolg op de Brusselse conferentie nodig: “De ontwikkelingen staan niet stil. Elke vertraging in regelgeving veroorzaakt schade aan industrie, werknemers en gebruikers”, aldus Delors.