Das maakt pieperboy van taxichauffeur

De buitenwacht merkt er weinig van, maar binnen de Amsterdamse taxiwereld is het weer hommeles. Twee partijen staan tegenover elkaar: één met en één zonder stropdas. De stropdasdragers, 120 in getal, zijn in de minderheid. Maar hun tegenstanders, 510 taxichauffeurs, voelen zich wel degelijk in het defensief gedrongen. “Dieven mevrouw, dieven zijn het”, bast chauffeur F. van Duinen - sportief gekleed, chrevolet caprice met linnen overtrek, gewassen, geschoren “en ik ruik ook lekker”. Maar Van Duinen draagt geen stropdas. En dus hoeft Van Duinen niet te rekenen op de betere klant. “Allemaal hun schuld.”

Hun - dat zijn de stropdasdragers die zich hebben verenigd in een nieuwe club 'De pieperboys'. Zij spelen in op de volgens hen steeds groter wordende behoefte bij de klant aan een mooie auto, goed voorkomen en nette manieren. Ze hebben allemaal een pieper, en de chique kantoren en dure hotels maken steeds vaker gebruik van hun diensten. Volgens de statuten van het centraal bureau voor taxi's is het chauffeurs toegestaan een eigen klantenkring op te bouwen. Maar mr. H.J. Grijpink, verbonden aan het openbaar lichaam taxivervoer Amsterdam/Zaanstreek, begrijpt zeer goed dat een deel van de Amsterdamse taxiwereld het optreden van de pieperboys beschouwt als broodroof. “Aan de andere kant zeg ik: de pieperboys voorkomen dat klanten een taxibedrijf van buiten Amsterdam bellen omdat ze weten dat ze dan waar voor hun geld krijgen.”

De kern van het probleem ligt volgens hem bij de verouderde mobilofooncentrale van het Amsterdamse taxibedrijf. Wie een taxi wil bestellen moet maar afwachten wat voor auto voor komt rijden en wie achter het stuur zit. “De centrale is niet in staat een gedifferentieerd produkt aan te bieden”, zegt Grijpink. En dat is waar hotels en kantoren vaker om vragen. De auto's zijn meestal in orde, een beetje chauffeur rijdt een Mercedes, maar wat te vaak ontbreekt is het bijbehorend pak compleet met stropdas.

Ook dat nog, zal menig taxi-chauffeur denken. Sinds 1987 is elke chaufeur die een vergunning wil, verplicht een psychologische test af te leggen. De reden was destijds een groeiende stroom klachten over het gedrag van de taxichauffeur die te weinig dienstbetoon aan de dag legde. De Amsterdamse GG & GD ontwikkelde een speciale test en sindsdien zijn honderden aspirant chauffeurs psychologisch onderzocht. Sinds begin jaren negentig worden de tests uitgevoerd door het Waterink-instituut voor beroepskeuze. Maandelijks meldden zich daar 40 geïnteresseerden, jaarlijks valt 30 à 40 procent af. Behalve kritiek op het gebrek aan dienstbetoon van de taxichauffeur wilden klanten ook dat in de wagen de radio minder vaak aanstond en moest de bestuurder gaan letten op zijn taalgebruik. Ook te lange haren werden niet op prijs gesteld. En nu wil de klant een chauffeur in een net pak. Als dat niet via de centrale kan worden geregeld dan piept hij hem wel op.

Maar volgens Van Duinen zijn de pieperboys “wolven in schaapskleren”. Geldwolven wel te verstaan. “Ze worden opgepiept door de portier van een hotel. Die vraagt 12,50 of vijftien gulden voor zijn bemiddeling. Stel dat de klant naar Schiphol moet. Wat doet de pieperboy? Die maakt een lange omweg want het bedrag voor de portier moet uit de ritprijs komen. Weet de klant veel dat hij nodeloos lang in de wagen zit.”

Pieperboy M.J. Matthijsen vindt het allemaal nogal overtrokken. Volgens hem is er geen sprake van oorlog en is het gebruik van de pieper uit nood geboren. Zolang de mobilofooncentrale niet wordt aangepast aan de eisen van de tijd zal de taxiwereld uit twee kampen blijven bestaan. Maar dat hoeft volgens hem niet want “iedereen kan met ons meedoen”. “Het enige wat nodig is, is een nette auto en een net pak.”