Daalder, dollar

Dat in 1516 in het Joachimsdal in Bohemen buitengewoon rijke zilveraders werden gevonden, zal de meeste mensen tegenwoordig een zorg zijn. Ten onrechte, want nog dagelijks vinden wij de gevolgen van deze ontdekking in onze portemonnee. En niet alleen wij, maar ook de inwoners van onder meer Australië, Brunei, Canada, Fiji, Guyana, Hongkong, Jamaica, Liberia, Maleisië, Nieuw Zeeland, Singapore, Taiwan, de Verenigde Staten en Zimbabwe. Daarnaast staat de hele internationale valutahandel bij de mijnwerkers van Joachimsthal in het krijt.

De vondst in Joachimsthal, tegenwoordig Jáchymov in Tsjechië, was voor het koninkrijk Bohemen een godsgeschenk. Sinds de 13de eeuw was Bohemen grotendeels aangewezen op de zilverhandel. Maar de Hussietenoorlogen hadden het land in het begin van de 15de eeuw in een diepe economische crisis gestort. De zilvervondst in Joachimsthal bracht hierin op slag verandering. Duitse banken en handelshuizen trokken royaal de beurs open om in de mijnbouw ter plaatse te investeren. Binnen de kortste keren verrees in de voorheen onbewoonde vallei een plaats van enige betekenis. Woonden er in 1520 nog 4.963 mensen, vijf jaar later waren dit er 13.411.

Overal in het westelijke gedeelte van het Ertsgebergte werd plotseling zilver gevonden, en dorpen schoten als paddestoelen uit de grond. Maar Joachimsthal bleef het belangrijkst. In 1524 waren hier al 613 mijnen geopend, een getal dat uiteindelijk zou groeien tot 944. Een kleine tienduizend mijnwerkers brachten er tussen 1520 en 1533 - de grootste bloeiperiode - jaarlijks ruim tienduizend kilo zilver naar boven.

Van een deel van dat zilver werden munten geslagen, voor het eerst in 1519. Op de keerzijde stond een steigerende Boheemse leeuw, het wapen van de graven van Schlick, de eigenaars van Joachimsthal. Op de voorzijde een beeltenis van Sint-Joachim, de vader van Maria en de naamgever van de vallei.

De munten waren zwaar, zo'n 25 tot 30 gram, en zeer betrouwbaar. Ze stonden onder verschillende namen bekend: Schlickenthaler (naar de graven van Schlick), guldengroschen, maar vooral Joachimsthaler. Dit laatste werd al spoedig verkort tot thaler. De Noordduitsers maakten daar dahler van, een woord dat wij leenden als daler. Tot ver in de 19de eeuw geven onze woordenboeken 'daler' als de correcte vorm, maar in de spreektaal trok men zich daar niets van aan. Zoals poller tot 'polder' was geworden, en keller tot 'kelder', zo werd daler tot 'daalder'.

De thaler uit Joachimsthal werden internationaal als voorbeeld genomen. In Nederland werden de eerste daalders in 1538 geslagen, door Gelre, Nijmegen en Deventer. De Fransen leenden het begrip als daldre, de Spanjaarden als daeldre.

Ook de Engelsen namen de nieuwe muntnaam over. Aanvankelijk schreven ook zij dal(l)er (1540), maar al voor 1600 werd dit verbasterd tot dollar. Hiermee werden allerlei buitenlandse munten aangeduid, maar vooral de Spaanse peso.

Ondertussen bleven de geldmunters van Joachimsthal enorme hoeveelheden zilveren munten slaan. Tussen 1516 en 1545 brachten ze in totaal ruim 3,2 miljoen thaler in omloop.

Dat de graven van Schlick daar flink aan verdienden, zat de Boheemse koning niet lekker. Al in 1528 ontnam hij de Schlicks het muntrecht. In 1545 ging hij nog een stap verder: hij ontnam de graven alle bezittingen in en rond Joachimsthal, zogenaamd omdat zij de mijnwetten hadden overtreden.

Veel wijzer werd de Boheemse vorst niet van dit alles. In 1545 waren de meeste zilveraders in Joachimsthal namelijk al uitgeput. Het mijnwerkersdorp stroomde leeg, en ook met belastingverlagingen, overheidssubsidies en gunstige vestigingsvoorwaarden lukte het de Boheemse vorst niet de mijnwerkers naar Joachimsthal terug te lokken. In 1594 waren er nog maar zo'n tachtig over. Dat daalder en dollar zich tegen die tijd internationaal een vaste plaats hadden verworven in het monetaire vocabulaire, zal voor het Boheemse vorstenhuis een schrale troost zijn geweest.