J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889); Een bizarre conservatief

MICHEL VAN DER PLAS: Vader Thijm. Biografie van een koopman-schrijver

644 blz., geïll., Anthos/Lannoo 1995, ƒ 79,50

Toen de zieke Jozef Alberdingk Thijm op zondag 17 maart 1889 worstelde met de dood, lag hij in zijn huis aan de Nieuwezijds Voorburgwal op bed temidden van gewijde kaarsen, het gelaat naar het oosten gekeerd. Zo'n oriëntatie (op Jeruzalem) had hij in zijn levensdagen niet alleen bepleit voor de katholieke kerken, maar ze moest ook zijn persoon verplichten. Geestelijke zusters van het oud-Amsterdamse Begijnhof kwamen na zijn (pijnlijk) sterven een dodenwacht houden. Tot na zijn laatste ogenblikken dus wist deze man, die zo doortrokken was van geschiedkundig zelfbewustzijn, zich omgeven door symbolen en bewijzen van een traditie die hij in zijn negentiende eeuw had opgeroepen.

Thijms sterfbed is een van de opmerkelijkste van wat er over dergelijke onderwerpen uit de Nederlandse negentiende eeuw is overgeleverd. Het moment van zijn sterven is door drie van zijn vier kinderen beschreven; door zijn oudste zoon, de jezuïet Jan, door zijn geliefde dochter Catharina en door de jongste, Karel alias Lodewijk van Deyssel. Deze noteerde onder andere: “De twee laatste tranen van hem, wie de schoonheid meer dan het leed in zijn leven had doen wenen, vloeiden over zijn wangen, terwijl zijn mond zacht glimlachte. Toen slonken de vormen van het gelaat met een bijna zichtbare snelheid en een zeer schone albasten tint verving de stervensglans”.

Thijms begrafenis werd een luisterrijke tocht door het oude Amsterdam, de stad die hij zo vaak historisch heeft verbeeld. Maar los daarvan is er een typerender reactie van zijn geestverwanten te melden; van pastoor Jan-Willem Brouwers, die zich in het Frans abbé liet noemen en die men zich niet kan voorstellen zonder de door Van Deyssel beschreven parafernalia van een gevulde wijnkelder en sigarenwalm alsmede een bombastische strijdbaarheid voor de 'roomsche zaak'. In zijn door de architect Cuypers, Thijms zwager, gebouwde neo-gothische kerk in Bovenkerk deed hij die zondagmiddag het Lof. Hij nodigde spontaan, zo schreef hij later aan Thijms oudste zoon, zijn parochianen uit te gedenken “den in dat oogenblik overleden broederlijken vriend, zoodat in Bovenkerk het eerst in het openbaar door eene geheele kerk vol biddenden in die eerste stonde na het overlijden gebeden is voor uw dierbaren overledene”.

Michel van der Plas, die zijn meesterproef als biograaf heeft afgelegd in een historisch portret van de Vlaamse dichter Guido Gezelle, had dus drie mogelijkheden om Josephus Albertus Alberdingk, sinds 1855 genaamd Alberdingk Thijm (1820-1889) te benaderen: de estheet en historicus; zijn karakter en talent; of de cultureel begaafde emancipator van een onderkomen katholiek volksdeel. Hij laat alle drie dimensies aan bod komen, maar is met hoofd en hart het meest bij de tweede, de persoon van Alberdingk Thijm, die hij uit een mengeling van achting en vertrouwelijkheid 'Thijm' is gaan noemen. Daarom betitelde hij zijn boek als Vader Thijm, daarmee tot uitdrukking brengend dat het hem vooral te doen is om de vader, zijn echtgenote, een monument van 'zelfvertroeteling', en zijn kinderen. Behalve Karel waren dat vrome doch onmiskenbare mispunten. Van der Plas houdt het perspectief vast, dat Lodewijk van Deyssel koos in zijn portret van Thijm, De wereld van mijn vader, maar Van der Plas schrijft op afstand en kritisch. Hij betwist Karel de bron van Thijms laatste tranen; niet uit een ontroering om schoonheid sproten ze voort - Van Deyssel zou wel willen - maar veeleer uit persoonlijk verdriet.

Vertrouwelijkheid

De biograaf heeft met zijn hoofdpersoon het feit gemeen, dat ze virtuoos zijn in de taal; het feit ook dat ze zich hun kennis op persoonlijke wijze hebben eigen gemaakt. De biograaf van Thijm is niet zozeer een historieschilder als wel in de eerste plaats een portrettist. Hij heeft de beoefenaren van de Nederlandse geschiedenis en letterkunde het nakijken gegeven door als eerste in een straf tempo het kolossale archief van Alberdingk Thijm door te werken (5630 mappen), dat in het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen wordt bewaard. Het is een van de belangrijkste collecties voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. En nog was het niet genoeg.

Het boek eindigt met een citaat van Thijms oudste zoon, pater Jan, over het gebrek aan monumentenzorg: “Jan heeft, met de kunstliefde die de Jezuïeten kenmerkt, o.a. 900 pagina's van Vaders 'Memoires intimes' verbrand”. Deze opmerkingsgave komt toe aan Thijms dochter Catharina, die overigens het dagboek van haar moeder alsmede een uitvoerige briefwisseling met haar vader eveneens heeft doen of laten verdwijnen na er een eigen selectie uit te hebben gepubliceerd. Er bestonden gradaties van vertrouwelijkheid in de grenzeloze schrijfcultuur van de familie Thijm, maar op papier werden weinig gevoelens gespaard. Des te treuriger is deze posthume verheimelijking, die wat de jezuïet Jan betreft, vermoedelijk een uiting is van een scrupuleuze zorg om zijn vader van enige geloofstwijfel of ironie te zuiveren.

De biograaf van Thijm ziet zich genoodzaakt positie te kiezen in de oude en nieuwe beeldvorming van Thijm. Ten aanzien van de nieuwe is dat nogal geruisloos gegaan. Van der Plas heeft er klaarblijkelijk geen behoefte aan gehad zijn portrettering aan te vullen met een pleidooi voor herwaardering van de neo-gothische beweging in Nederland en haar ideële voorganger Thijm. De verering van getrouwen voor Thijm als emancipator is hem vreemd, hoewel als katholiek niet onbekend. Hij erkent in zulke 'jachttochten' van zijn held, 'dat zij nodig waren om die achterban historisch zelfbewustzijn bij te brengen, om hem te emanciperen'. Maar hem trof ook het 'bloedserieuze' in al die geschriften en polemieken en hij hoopte - meestal vergeefs - op de momenten, waarin Thijm zijn niet geringe talent tot spotternij in de strijd werpt om zijn standpunten enigszins te relativeren. “Gelukkig was Thijm geen fanaticus”, schrijft zijn biograaf. “Maar de afstand die hij had kunnen nemen tot zijn eigen geheide meningen komt toch geregeld als te beperkt over”.

In de ondertitel van het boek worden de koopman en de schrijver gecombineerd. Van der Plas houdt zich nadrukkelijk bezig met de besognes van deze Amsterdamse burger, die - zo kenmerkend voor zijn tijd en zijn stad - de stoutmoedigheid van zijn ideeën verdeelde tussen de handel en de schone kunsten. Thijm ontving in 1835 van zijn vader het beheer over een handel in 'verduurzaamde levensmiddelen' genaamd 'De XIX Zwitsersche Cantons'. Bijna dertig jaar later had hij er zoveel geld verzameld, dat hij de drukkerij Van Langenhuysen kon opkopen waar het dagblad De Tijd werd gedrukt. Zo kon hij ook de materiële voorwaarden voor zijn kunstliefde verwezenlijken. In 1876 werd hij benoemd tot hoogleraar in de esthetica en de kunstgeschiedenis aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam.

Anti-revolutionair

Als werkgever van twaalf drukkers raakte Thijm betrokken bij een staking. Wat de oorzaak van het conflict was, vermeldt Van der Plas niet. Hij vermeldt wel het resultaat: een acte van onderwerping van het drukkerspersoneel. Zij erkenden “en belijden, dat de behandeling, hun steeds van dezen hunnen patroon wederervaren” hem tegen een staking had behoren te waarborgen. “Zij betuigen hunne dankbaarheid dat hij hun veroorloofd heeft zich bij hem weder aan den arbeid te begeven”. Dat is dan even de keerzijde van de man, die het prototype was van een culturele volksopvoeder zoals deze in de negentiende eeuw in Europa meer werd aangetroffen. Thijm bezat een verbazingwekkende historische en literaire eruditie en bediende zich daarvan in zijn Dietsche Warande voor de geletterden en in zijn Volksalmanak voor de 'gewone', maar wel in het bijzonder katholieke lezers. Even belangrijk is zijn plaats in de geschiedenis van de Nederlandse taal; in zijn ijveren voor een culturele uitwisseling met Vlaanderen.

De held gaat consequent te keer en het is soms vermoeiend te moeten lezen over weer een nieuwe strijd tegen de draak. Thijm was in zijn oordeel over de geest van zijn eeuw een overtuigd anti-revolutionair. De veroordeling van het liberalisme door paus Pius IX in 1864 stemde hem gelukkig. Hij barstte uit een poëzie: “Wees gezegend, Heilige Vader, voor dat Heilig, heerlijk woord! Met wat gloed in hart en ader, heb ik 't uit uw mond gehoord”. Het was zulke slechte poëzie, dat het door de redacteur van een bloemlezing werd teruggestuurd en dat ook Van der Plas het 'met plaatsvervangende schaamte' citeert. In 1875, in Rome een Heilig Jaar, organiseerde hij samen met de architect Cuypers een Nederlands huldeblijk aan Pius IX. Het werd een vertaling van de bulla, waarin het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis was verwoord: een vertaling 'in de beide hoofdtalen van Nederland: het Hollandsch en het Friesch' maar ook in zestien Nederlandse dialecten alsmede 'in het Javaansch en in het Maleisch, in het Neger-Engelsch en Neger-Spaansch, om op deze wijze ook Neêrlans bezittingen buiten Europa aandeel aan het gedenkteeken te geven'. In de bibliotheek van het Vaticaan moet deze bizarre uiting van een ongewoon veeltalig Nederland zijn terug te vinden.

In de eeuw vol van vaderlands-historische herdenkingen keerde Thijm zich tegen de Nederlandse Opstand, tegen de opstand als zodanig. Hij was zelfs bereid 'zijn vaderlijke en moederlijke voorouders' alsnog te veroordelen voor hun (katholieke) aandeel in de Bataafse omwenteling van 1795. “Ik vind geen vrijheid ooit revolutie te maken, en allerminst op grond van rechten van den mensch, over wier mindere of meerdere waarheid steeds zeer uiteenlopende meeningen door achtenswaardige personen worden aangekleefd”. Zo bleef hij in eigen vaderland een bizarre conservatief, die het Wilhelmus als partijlied weigerde mee te zingen. Van dergelijke historische opvattingen bieden de mede door hem gekozen buitendecoraties van het Rijksmuseum een treffende illustratie: van Willem van Oranje ontbreekt elk spoor in dit nationale museum, van de hofcultuur van stadhouder Frederik Hendrik is des te meer afgebeeld. Thijm kreeg, zo besluit Van der Plas, zijn schets van een doelbewust aanstootgevende strijder, chronische buien waarin hij in de aanval moest. “Het was alsof er op een bepaalde vroege morgen op een hoorn geblazen werd en dan was het jachtseizoen weer geopend; op een snuivend ros ging hij op het wild af”.

Eng mens

Twee persoonlijke lotgevallen doorkruisen het gehele boek: Thijms verhouding tot zijn kinderen, in het bijzonder tot Catharina en Karel, en Thijms huwelijksmisère met Mina Kerst. Een van de zeldzame momenten, waarop de biograaf en zijn lezers kennis kunnen nemen van het huwelijksgeheim van Thijm, biedt een brief uit 1867. Daarin beklaagde Thijm zich in een proza, waarvan de deftigheid een nauw verholen woede maskeerde, over de koelheid en verwijdering tussen hen beiden. “Ik noodig u niet uit - bij de uitmuntende geestelijke leidslieden, die u in uw jalousie, heerschzucht en zelfgenoegzaamheid schijnen te steunen - uw gedragsregel te veranderen; maar ik wil u toch wijzen op de naaste gevolgen van uw bedrijf. Gij moet weten, dat het onmogelijk wordt ook maar een greintjen liefde in het hart te bewaren voor eene vrouw, die altijd blijken geeft van een totaal manque de dévouement, van eene zelfvertroeteling, die maakt dat zorgen en oplettendheden voor anderen altijd te laat komen, van eene vrij hoog opgeklommen minachting voor de opiniën van haar man”.

De ideale vrouw voor Thijm was een denkbeeldige: de historische figuur van Tesselschade bij voorbeeld, “voor vrienden en vreemden het liefste gedevoeërde schepsel, dat gij denken kunt”. Zij was werkelijkheid in de persoon van Louise Sterck-Kervel, de echtgenote van de kunstlievende koopman A.B.J. Sterck. Voor haar ging Thijm verzen in het Engels schrijven. “Men krijgt sterk de indruk”, zo meldt de biograaf met opvallende behoedzaamheid, “dat Thijm in gezelschap niet naliet zijn verering te tonen, en dat zij zich deze van haar kant als min of meer vanzelfsprekend liet welgevallen, op een voor sommigen voortdurend flirtachtige wijze, waaraan een zekere hooghartigheid niet vreemd was”. Thijms kinderen mochten mevrouw Sterck, een erkende schoonheid in die dagen, niet. 'Eng mens', schreef Karel aan zijn broer. De ideale vrouw tenslotte was zijn dochter Catharina, met wie Thijm, zodra zij kostschool en klooster betrad, een levenslange intieme correspondentie heeft gevoerd. Het is jammer, dat Van der Plas, die zoveel weet van Van Deyssel - of zich door de beheerder van zijn nalatenschap Harry Prick zo heeft laten voorlichten - het opmerkelijke leven van deze vrouw na de dood van Thijm zo laat rusten.

Al met al heeft van der Plas een boek geschreven, dat de reikwijdte en eruditie van de hoofdpersoon Thijm evenaart. Zo hoort het ook. Bovendien heeft hij een portret geschetst, dat 644 bladzijden lang zijn kleur bewaart en nieuwsgierigheid blijft wekken. Daarmee evenaart hij het literaire vaderportret van Thijms zoon. Het zou niet verbazen als dat ook de bedoeling is geweest.