Huisnummer

Wat moet ik me voorstellen bij een nomadisch volk dat op kamelen door de woestijnen van Ethiopië en Somalië richting Kenia trekt? Droegen ze sierlijke tulbanden en lange sabels langs de heupen? Trots gezeten op de hoge bulten, onnabootsbare kreten naar de treurige kamelen uitend? Altijd op hun hoede voor snelle, moordzuchtige overvallers, Touaregs misschien, die uit waren op de weelderige kleden en het in zachtlederen zakken verborgen zilver? Abdinasser moet lachen, hij merkt bij mij de omweg via Hollywood. “Touaregs”, zegt hij met een zachte, beleefde stem, “de Touaregs trokken op duizenden kilometers van onze stam vandaan. Wij behoren tot de Ogaden, en de enige voor jullie bekende nomadische stam die onze route soms kruiste was de Masai, met wie we trouwens nooit moeilijkheden hadden. En we zaten niet op onze kamelen, we liepen voor ze uit. We respecteerden onze dieren, als waren ze mensen. Ze waren ons belangrijkste bezit, ons middel van bestaan.”

De wij-vorm die Abdinasser gebruikt is niet letterlijk bedoeld. Hij heeft het eigenlijk over de generaties van zijn betovergrootvader Isaak, geboren rond 1860, tot en met die van zijn grootvader Ibrahim, geboren in 1909. Ibrahim had een enorme kudde opgebouwd die uit vele honderden kamelen, schapen en geiten bestond. Vanuit oost-Ethiopië trok hij met zijn volgelingen in de richting van noord-Kenia, om dieren te verhandelen en inderdaad, om soms ook gevlochten kleden en tapijten te verkopen. “Maar ze droegen geen tulbanden en geen al te opvallende gewaden. De kleren van de Ogaden waren juist zandkleurig, ze hadden de kleuren van de aarde, zou je kunnen zeggen, soms versierd met blauwe en oranje strepen.”

Abdinasser weet opvallend veel over zijn voorouders: “Tegen zes uur 's ochtends begonnen ze te lopen, op zoek naar weidegronden en water. Als ze die hadden gevonden, lieten ze de dieren grazen en zaten de mannen onder een boom kamelenmelk te drinken en verhalen te vertellen. Dat was bij de Ogaden erg belangrijk, ze hadden een rijke verhaaltraditie en ze hebben de belangrijkste vertellers en dichters van Somalië voortgebracht. Hetzelfde verhaal werd steeds opnieuw verteld, maar telkens mooier, langer en gedetailleerder. Vooral de geografische en antropologische gegevens werden steeds nauwkeuriger. Eerst sloeg de held de vijand dood, de volgende keer sloeg de held de vijand dood met een kromme tak van een boom die alleen in noord-oost Kenia groeit, de daarop volgende keer sloeg de held de vijand zijn schedel in tweeën en dronk het bloed omdat dat de gewoonte was van de stam waartoe hij behoorde enzovoort. Deze verhalen werden later ook aan de vrouwen thuis verteld, die ze op hun beurt doorvertelden aan de kleinkinderen. Zo hoorde ik alle mythologische verhalen van mijn grootmoeder, die nu in Kenia woont.”

Grootvader Ibrahim moest het reizen en trekken opgeven toen de Europese machten noordelijk Afrika koloniseerden en de grenzen afbakenden. Hij vestigde zich in zuid-Somalië en stuurde zijn zoon Maxmood naar Italië om medicijnen te studeren: “Dat was minder vreemd dan je zou denken”, zegt Abdinasser, “Nomaden hebben van nature een ongebonden geest, ze staan open voor de wereld, ze hebben verschillende volkeren leren kennen, met soms heel rare levensstijlen. Mijn grootvader was een ongeletterde man, maar hij kende verhalen over volkeren in China en nog verder, de Bengalen in het oosten van India.”

Maxmood, de vader van Abdinasser, kwam te werken in het militair hospitaal van Mogadishu en hij schreef in de avonduren alle herinneringen aan zijn voorouders op. “Hij werkte als een bezetene aan de geschiedenis van de nomadische volkeren, omdat ze tot dan toe alleen door Italianen waren gedocumenteerd, en dat was vaak onnauwkeurig, onvolledig of ronduit vals. Mijn vader wilde de geschiedenis en de verhalen van de Ogaden redden, hij wilde de beelden levend houden die na hem vergeten zouden zijn. Als kind speelde ik in de bibliotheek die hij had aangelegd, en kreeg ik de verhalen te horen van Isaak tot Ibrahim.”

Abdinasser leerde de kracht van het nomadendom kennen: de nieuwsgierigheid en de avontuurlijkheid die altijd naar buiten was gericht. Daarom besloot hij kunstenaar te worden. Hij studeerde in Mogadishu en Damascus, hij reisde door oostelijk Afrika en klein-Azië, hij leerde Engels, Frans en Arabisch, en kwam terug naar Somalië, waar hij een baan kreeg in het museum. “Het was een bizarre ervaring om elke ochtend keurig naar het museum te gaan om de kunstcollectie te inventariseren, terwijl er op straat doden vielen in de burgeroorlog die gruwelijke vormen begon aan te nemen. Daarom vroeg ik een beurs aan om een jaar in Parijs te studeren, wat de meest opwindende tijd van mijn leven werd.”

Abdinasser wrijft in zijn handen, grote handen met vingers van bijna vijftien centimeter. Hij is nog kort, vergeleken bij andere stamgenoten, hij is maar een 1.94 meter. Zijn grote Omar Sharif-achtige ogen lichten op bij de herinnering aan Parijs: “Ik was nog nooit in een stad geweest waar er zoveel eerbied bestond voor de kunst. En ook was ik nooit in een stad geweest met zoveel Afrikanen uit zoveel verschillende streken.”

Maar terwijl hij in Europa van de Westerse cultuur genoot, werd de weg terug afgesneden: “In 1991 moest mijn familie naar Kenia vluchten, het huis met de bibliotheek van mijn vader werd in brand gestoken. Op die bewuste avond, toen mijn vaders historische manuscripten en zijn collectie boeken over Afrika in vlammen opgingen, heb ik in alle onwetendheid nog geprobeerd vanuit Parijs naar huis te bellen.”

Abdinasser begon door West-Europa te zwerven en hij kwam tenslotte terecht in een atelier in Leeuwarden - je moet alles in het leven proberen. Hij schildert in bruine tinten, de kleuren van de aarde, zou je kunnen zeggen, met hier en daar een blauwe of oranje streep. “Nee, het is niet mijn bedoeling om 'nomadische kunst' te bedrijven”, verweert hij zich, “het irriteert me juist als ik alleen daarop word aangesproken. Afrikaan, Somaliër, nomadisch, moslim. Ik heb geen bezwaar om Somaliër te zijn, begrijp me goed. Maar ik erger me als men dat van grotere betekenis acht dan mijn kunstenaarschap. Natuurlijk ben ik bereid mezelf te presenteren vanuit mijn rijke en romantische achtergrond, maar als die achtergrond belangrijker wordt dan ik zelf, had ik liever dat ik helemaal geen achtergrond had. Ik wil worden beoordeeld op wat ik maak, niet op wat ik ben.”

Op een groot schilderij met abstracte vormen die lege, terneergeslagen gezichten lijken te suggereren, staat in felrode kleur het cijfer 1450. “Dat is mijn huisnummer in Mogadishu geweest.”

Ik vraag of het niet gek is dat een huisnummer van belang moet zijn voor een afstammeling van een nomadisch volk. “Juist voor nomaden is een huisnummer misschien significant”, zegt Abdinasser bedachtzaam. “Het is het bewijs van een groot besluit, het besluit om je ergens te vestigen. Het zegt zoiets als: hier ben ik gevestigd, zelfs als ik niet aanwezig ben.”