De nachtelijke zwerftocht van de ziel

A. ALVAREZ: Night. An exploration of night life, night language, sleep & dreams

288 blz., Jonathan Cape 1995, ƒ 54,25

MICHEL JOUVET: Slapen en dromen. Analyse van een mysterie

205 blz., Contact 1994, vert. Walter Hünd (Le sommeil et le rêve 1992), ƒ 34,90

HILBERT KAMPHUISEN: Slapen, waken en dromen.

84 blz., Sea Press (Lakerveld, Den Haag) 1993, ƒ 29,50

Als kind werd de Britse schrijver A. Alvarez geplaagd door nachtelijke angsten. Later raakte hij aan de duisternis verknocht. Dromen zijn geen bijprodukten van de geest, schrijft hij, het zijn expressies van de ziel zoals kunst. Het is de vraag of dat juist is.

Wanneer ik denk: Mijn bed zal mij troost brengen, mijn legerstede mijn klacht verlichten, dan verschrikt Gij mij door dromen en beangstigt mij door gezichten, zodat ik verworging verkies, de dood boven mijn smarten.' (Job 7:13-16).

Voor mensen als Job die alles in hun leven kwijt zijn geraakt, biedt de nacht alles behalve vertroosting. De vraag of dat laatste wel het eigenlijke doel is van slapen en dromen is voor de meeste onderzoekers naar deze verschijnselen nog steeds geen uitgemaakte zaak. Gedurende de laatste vijftig jaar geniet het onderzoek naar waken, slapen en dromen internationaal grote belangstelling, maar de betekenis en de functie van slapen en dromen is nog altijd in grote duisternis gehuld. Terecht spreken sommige wetenschappers dan ook van het centrale mysterie van de evolutie.

Om die reden mag het zojuist verschenen boek Night. An exploration of night life, night language, sleep & dreams van de Britse literatuurcriticus A. Alvarez (65), die eerder met zijn studie over zelfmoord (The Savage God, 1971) faam verwierf, een waagstuk van de eerste orde worden genoemd. Als opwarmertje kan het in 1993 verschenen Slapen, waken en dromen dienen, het praktische boekje van de Leidse hoogleraar klinische neurofysiologie Hilbert Kamphuisen, of Slapen en dromen. Analyse van een mysterie van de Franse hoogleraar in de experimentele geneeskunde Michel Jouvet. Uit darwinistisch perspectief behandelt Kamphuisen de nieuwste inzichten op dit boeiende terrein, waarbij hij geestige of droevige anekdotes niet schuwt. Zo vermeldt hij de foto die in 1970 in een krant stond van de 56-jarige Mark Childs, een onovertroffen langslaper, die een kaart bij zich droeg met de mededeling: 'Ik kan dood schijnen, maar ik slaap alleen maar.' De man leed sinds zijn jeugd aan de slaapziekte narcolepsie. Overal was hij wel eens slapend aangetroffen - naast spoorrails, in ambulances, in ziekenhuizen en bij het toedienen van de laatste sacramenten.

Als voorbeeld van een slechte slaper voert Kamphuisen Charles Dickens op die van twee uur 's nachts tot zonsopgang fikse wandelingen placht te maken. Minutieus stelde Dickens zijn insomnia en diverse slaapstadia te boek in The uncommercial traveller. Zonder deze Britse kampioen van mist en nacht zou de geneeskunde het zonder het Pickwick-syndroom moeten stellen. Daarmee bedoelt men het vóórkomen van overmatige vetzucht bij mensen met hartklachten en ademhalingsmoeilijkheden (niet te verwarren met het 'slaap apnoe syndroom': ademstops bij zwaarlijvige snurkers).

Alvarez' studie heeft veel weg van een odyssee waarin plaats is voor imposante beschrijvingen van zijn nachtelijke angsten als jongetje in een groot Londens huis. Hij is bang voor de kelder, de zolder en bovenal voor spinnen, wat hij zelf duidt als angst voor castratie, en ook voor de zeven vrouwen in dat huis, waarvan hij alleen zijn nanny vertrouwt. Die spinnenfobie heeft hem overigens tot de middelbare leeftijd parten gespeeld. Hij groeit als jongste op in een joods middenklasse-gezin en portretteert zich in dit boek als een vervelend ventje met ouders die zich nauwelijks met hem bemoeiden. Er was een dagelijks terugkerende strijd tussen het personeel uit de keuken en de kinderkamer, 's nachts hoorde hij zijn ouders vaak ruzie maken. Zijn angsten waren afkomstig uit zijn dreigende binnenwereld, zegt Alvarez, maar ook uit de dagelijkse werkelijkheid, want de sfeer in het ouderlijk huis kun je moeilijk veilig noemen.

Op zijn elfde ziet hij de onheilspellende verandering van Dr Jekyll in Mr Hyde in de film van Spencer Tracy (1941), waarna hij maanden lang last van nachtmerries houdt. Sindsdien vertrouwt hij geen enkele dokter meer. Omstreeks zijn dertigste krijgt hij last van slaapstoornissen door een depressie na een echtscheiding. Sinds de middelbare leeftijd is hij hartstochtelijk verknocht aan de slaap. Tegenwoordig houdt hij zelfs van het duister.

Net als zijn zelfmoordstudie biedt Night meer dan een persoonlijk verslag. Mooi beschrijft Alvarez de geschiedenis van de (straat-)verlichting, die hij toepasselijk laat beginnen met het bijbelse Genesis-verhaal, waarin God het licht tot aanzijn roept en scheiding aanbrengt tussen dag en nacht, die hij beide van een naam voorziet. Met gevoel voor journalistiek tekent hij zijn indrukken op tijdens een paar nachten in het slaaplaboratorium van het Atkinson Morley's Hospital in Wimbledon, die hij lardeert met de feiten die de wetenschap inmiddels heeft opgeleverd. Even geslaagd is zijn beschrijving van de nachtelijke tochten die hij met de surveillerende politie van Londen en New York maakte. Datzelfde beschreef Dickens de vorige eeuw, die met inspector Field van Scotland Yard op pad ging. Wat Dickens daar in de sloppen van Londen zag, leek sterk op de scène in The Bull's Eye van Gustave Doré. In één oogopslag is prachtig te zien hoe licht, recht en orde het 's nachts met elkaar op een akkoordje gooien, schrijft Alvarez terecht.

Het overgrote deel van het boek gaat over de droom en daarin hoor je af en toe een valse toon. Op ongeveer tweederde van het boek, waar de schrijver een vloeiende overgang van droom naar kunst probeert te maken met aparte hoofdstukken over de Engelse dichter Coleridge, de Franse dichter Gérard de Nerval en de schrijver R.L. Stevenson (schepper van Jekyll en Hyde), die in zijn jeugd een broos kereltje was en door talloze koortsdeliria werd geplaagd, begin je als lezer de draad van het betoog te verliezen. De overgang van zelfmoord naar kunst was in The Savage God overtuigender. Misschien heeft de auteur het hier net iets te mooi willen maken, met als gevolg dat hij bij de bespreking van het werk van de schizofrene dichter Nerval droom- en waanwereld voortdurend met elkaar verwart. Het slot met als apotheose het gekrijs van een nachtuil klinkt daarentegen weer prachtig.

Nog geen twee eeuwen geleden werd de nacht als bron van gevaar gezien. Hoe onheilspellend de nacht is, illustreert de auteur met bekende passages bij Shakespeare. 's Nachts begint èn eindigt Othello, wordt King Lear krankzinnig en worden Clarence en Polonius vermoord. In de nacht spookt eveneens de geest van Hamlets vader rond.

Voor schurken van het type Don Giovanni is de nacht van groot voordeel. Het publiek in Mozarts tijd, dat met lampen en kandelaars naar de schouwburg toog, vond Giovanni's talloze ontsnappingen volkomen geloofwaardig. Het was de tijd dat straatverlichting ontbrak. Omstreeks het begin van de negentiende eeuw kwam daar verandering in, toen de straten van de grote steden in Europa voor het eerst met gaslicht werden beschenen, maar door de komst van elektrische straatverlichting in 1882 veranderde de wereld pas werkelijk. De nachtzijde van de menselijke ziel was daarmee echter nog geenszins verdwenen, schrijft Alvarez, nu kwam het aan op het behéérsen van de duisternis. Dan proclameert Freud de overwinning van driften door het ik: 'Waar het Es was, moet Ik komen.'

Hierna stapt Alvarez over op het intrigerendste chapiter van het boek, de geschiedenis van de droom, waarin Sigmund Freud centraal staat. Helaas laat hij hier een paar duistere nissen onbeschenen, zoals de opvatting van Aristoteles (vierde eeuw v. Chr.), die de goddelijke oorsprong en voorspellende waarde van dromen ontkende; volgens Aristoteles waren dromen puur fysiologische verschijnselen. Wel noemt Alvarez het Gilgamesj-epos uit het derde millenium v. Chr. met talloze dromen en nachtmerries die daarin onmisbare schakels zijn. Zijdelings citeert hij de Romeinse dichter Lucretius (eerste eeuw v. Chr.), die dromende honden en paarden beschreef met verschijnselen die wij kennen als paradoxale of REM-slaap (De rerum natura, IV, 962-1036). Soms schudt een hond even zijn lichaam en springt hij op alsof hij vreemde personen en vreemde gezichten ziet, schrijft Lucretius daar.

Vreemd genoeg is Alvarez' uitleg van de huidige stand van zaken over waken, slapen en dromen juist op het punt van de REM-slaap erg summier. Hij zegt wèl dat zo'n periode vier tot vijf keer per nacht optreedt, maar niet dat bij mannen dan een erectie en bij vrouwen een verhoogde doorbloeding van de clitoris optreedt. Het is onbegrijpelijk dat Alvarez deze feiten niet vermeldt, te meer omdat ze aansluiten bij de ideeën van Freud over het erotische (wens-)karakter van dromen.

Verder wordt de antieke droomuitlegger Artemidorus (tweede eeuw na Chr.) door de schrijver wat onderbelicht. Van de honderden dromen die Artemidorus in Oneirocritica verzamelde, pikte Alvarez er alleen een paar erotische dromen uit. Artemidorus leefde in Efeze en behoorde tot de subtop van de maatschappij waarvan de top bestond uit rijke handelaars. Opmerkelijk tolerant was in die tijd het oordeel over dromen die over incest met kinderen gingen (onder de zes mocht echter niet), die bijna altijd als teken van voorspoed werd geduid.

Geestig genoeg ziet Artemidorus van de andere dromen in Oneirocritica in onze ogen de seksuele betekenis stelselmatig over het hoofd. “Droomt iemand dat zijn achterhoofd kaal is, dan zal hij in de ouderdom armoede en bitterste nood lijden.” Niks angst voor impotentie of castratie, een kaal hoofd duidt op armoe. Ook leuk is deze: “Zich door een barbier laten scheren is voor iedereen in dezelfde mate gunstig. Dat spreekt vanzelf, want van 'geschoren te worden' (karènai) krijgt men 'zich te verheugen' (charènai) door één letter te vervangen. Stellig gaat niemand in povere omstandigheden of in toestand van ellende naar de barbier..”

Gelukkig staat Alvarez wat langer stil bij Die Traumdeutung (1900), het opus magnum van Freud wiens genialiteit hij volgens mij onderschat. Helder legt Alvarez het verschil uit tussen antieke droomuitleggers en Freud. Bij Freud moet de dromer zelf op zoek naar de betekenis van zijn droom, die niets over de toekomst zegt, maar alles over het verleden en het onbewuste. Bij Freud mag de dromer zijn associaties de vrije loop laten. Alvarez noemt dromen beeldend 'vishaakjes naar het innerlijk van de ziel'. Als voorbeeld neemt hij de droom over de botanische monografie van Freud zelf (de 'cyclamendroom'), waar Freud bladzijden lang door-associeeert, onder meer over het feit dat hij bloemen 'vergat' te kopen voor zijn vrouw.

Nadat Alvarez ons een vluchtige blik in de spreekkamer van de moderne psycho-analyticus heeft gegund, verliest zijn betoog aan scherpte, omdat hij voortdurend heen en weer slingert over de grens van wetenschap en psycho-analyse. Freud was, zo schrijft Alvarez, helemaal niet in dromen per se geïnteresseerd: hij gebruikte ze slechts om het karakter, de drijfveren, neurosen en afwijkingen van de dromer te kunnen vaststellen. Alvarez schaart zich liever aan de kant van de onderzoeker Hobson, die wel vindt dat je dromen kunt duiden, maar dat je ze moet nemen zoals ze zijn, alsof het kunst betreft - een droom betekent precies wat hij zegt. Alvarez is er niet helemaal uitgekomen, want ergens anders noemt hij de droom een bibliotheek voor de dromer en de psycho-analyticus waar het hele leven van de dromer op de plank staat.

Een ander probleem betreft een zekere Otto Gross, die Alvarez opvoert als voorbeeld van een begaafde en originele figuur, die door Freud uit de psycho-analytische beweging is gezet. De man zou in ongenade zijn gevallen, omdat hij in München de vrije liefde predikte die hij zelf in praktijk bracht. Hij raakte verslaafd aan verdovende middelen, belandde in de goot en stierf een ellendige dood. Mogelijk doelt Alvarez op de Oostenrijkse schizofrene kunstenaar Otto Gross, die zowel bij Stekel als Jung in analyse is geweest en bepaald geen discipel van Freud kan worden genoemd. Ook als het om iemand anders zou gaan, is het een ongelukkig voorbeeld en gaat het hier hoogstens om een perifere figuur. Controle is onmogelijk, want er staat geen literatuurverwijzing bij.

Hoewel Night. An exploration of night life, night language, sleep & dreams in de schaduw blijft van The Savage God, is het een rijk en inspirerend boek dat een breed en kritisch lezerspubliek verdient. Misschien zullen we de nachtelijke zwerftocht van de ziel en de betekenis van de droom wel nooit helemaal kunnen doorgronden, maar om ze daarom maar af te doen als 'overtollige bijprodukten van de geest', zoals sommige natuurwetenschappers doen, gaat Alvarez te ver. Zijn verheerlijking van de droom als vorm van kunst vind ik een tikje overdreven.

Iedereen droomt, maar niet iedereen onthoudt precies wàt hij droomt. Wie in psycho-analyse is, in de nesten zit zoals Job, of een geliefd persoon verliest zoals Freud toen zijn vader stierf, wordt meer met zijn dromen geconfronteerd. Zou dat allemaal zonder betekenis zijn? Bij Job wordt duidelijk dat je met tijd, geduld en gesprekken uit het dal kunt klimmen. Zulke tobberijen gaan dag en nacht door. Achteraf ziet men zo'n depressie vaak als één grote boze droom. Uit het openingscitaat blijkt hoe hevig Job naar de dood verlangde. Job heeft het zonder psychiatrische hulp gered. Wellicht ten overvloede zij gezegd dat mensen die in een dergelijke 'droom' gevangen zitten in onze tijd door de moderne psychiatrie uitstekend behandeld kunnen worden met gesprekken en adequate psychofarmaca.

Te minste één zekerheid is Alvarez definitief kwijt: dat het licht altijd overwint en de duif de uil verdringt. Het was de assiolo die hem uit deze droom hielp. In de bergen in het noorden van Toscane, waar twintig jaar geleden nog geen elektriciteit was, brengt hij de nacht door in een eenvoudige boerderij. Telkens schrikt hij wakker van het geluid van een uil die zich krijsend op zijn prooi stort. Als stadsmens had Alvarez altijd gedacht dat je het bestaan van de nacht door het licht kunt ontkennen. Bij de politie kwam hij al tot een ander inzicht: de misdaad wordt steeds brutaler en trekt zich weinig meer aan van het verschil tussen dag en nacht. Ook de nacht waarin de uil schreeuwt is niet uit te bannen, zelfs niet door massa's elektrisch licht, weet hij nu. Het is de nacht van de doodsuil, die ons allemaal eens te grazen neemt.