Dan ga ik nu de hond halen

Kwart over zeven. We stappen met poes de dierenarts binnen. De wachtkamer zit al stampvol. Er worden wat begroetingen gemompeld en we nemen plaats op een ongemakkelijk plastic stoeltje. Een bejaard echtpaar naast ons troost een schurftige herder, die angstig om hun benen draait. Af en toe piept en gromt hij naar een zwarte kat in een soort vogelkooi. Vlakbij de deur van de behandelkamer zit een timide meisje. Ze heeft een mandje op haar schoot dat ze af en toe bemoedigend toespreekt. Tegenover haar zitten twee mannen die duidelijk niets met elkaar te maken hebben. Hun enige overeenkomst is dat ze geen van beiden een dier bij zich hebben.

De ene lijkt een beetje op Woody Allen. Hij is kalend, draagt een bril met dikke glazen en kijkt verlegen naar de grond. De man naast hem is een jaar of vijftig, heeft een verweerde kop en een drankneus. Zijn stem schalt door de kleine ruimte alsof hij dwars tegen een storm in moet schreeuwen: “En toen donderden die katten zo van tien hoog naar beneden. Ja, ze zeggen dat die beesten altijd op hun poten terechtkomen, maar deze vielen toch mooi te pletter.” Woody Allen knikt beleefd. “Ze zaten gewoon vastgekoekt op het asfalt, meneer, zo hard waren ze gevallen. En overal bloed, de hele straat was rood.” Hij steekt een verse sigaret op.

We speuren tevergeefs naar bordjes met VERBODEN TE ROKEN. Er zijn alleen reclameposters die middelen tegen vadsigheid, vlooien en schurft aanprijzen. En kleine briefjes, dikwijls in een ongeletterde hand geschreven: Wie heeft onze Karel gezien? Hij is rood en nog niet gecastreerd. Op de deur van de praktijk hangt een officieel aandoend affiche over 'herhuisvesting'. Het woord roept bureaucratische taferelen op. Boze siamezen op het hoofdkantoor van de Dienst Woonruimtezaken protesterend tegen geluidsoverlast, lekkages en betonrot.

De zwarte kat is inmiddels verdwenen en het timide meisje zit alweer een tijdje bij de arts. Onder de nieuwkomers bevinden zich een goed verzorgde vrouw op leeftijd met een ruigharige tekkel en twee opgedirkte namaakblondines met bontmanteltjes, skibroeken en glimmende laarsjes. Ze houden allebei een witte dwergpoedel in hun armen en wiegen de hondjes als pasgeboren baby's. De poedels popelen om de omgeving te verkennen. De brutaalste rukt zich los en rent van de schurftige hond naar onze van angst verlamde poes. Maar de ruigharige tekkel is veel interessanter. Rellerig begint de poedel naar de tekkel te keffen. “Hier Snowy!” schreeuwt zijn bazin. Ze trekt het spartelende hondje aan zijn lange riem en haalt hem in alsof het een snoek is.

Het timide meisje keert terug. Zonder mandje. Er staan tranen in haar ogen. De mensen kijken haar meewarig na als ze de deur zachtjes achter zich sluit. De drankneus blijkt slechts voor een of ander medicijn te komen en steekt de hand op naar zijn geduldig gehoor voordat ook hij van het toneel verdwijnt.

Regelmatig kijken de wachtenden tersluiks naar de man die opvalt door zijn onopvallendheid. Wat voor huisdier hoort er bij Woody Allen? Een cavia, een witte muis? Wie weet heeft hij wel een goudvis in zijn jaszak, in een plastic zakje gevuld met leidingwater.

Alsof Woody voelt dat hij nu ieders aandacht heeft, gaat hij rechtop zitten. “Ben ik zo aan de beurt?” Zijn stem klinkt zacht en bescheiden. Hier en daar wordt geknikt. Dan duwt hij zijn bril op z'n neus en staat op alsof hij een belangrijk besluit heeft genomen. “Goed, dan ga ik nu de hond halen.” Hij loopt naar buiten.

Men kijkt elkaar peilend aan. Hij gaat nu de hond halen... Wat is dat voor hond dat hij hem moet halen? Waarom kan hij het dier niet zoals iedereen gewoon bij zich houden? Zit die hond soms opgesloten in de auto of is hij vastgebonden aan een boom met een stevig stuk touw? Onwillekeurig vormt zich in ons collectief bewustzijn het beeld van een agressief, totaal onberekenbaar kalf, dat met het schuim op de bek wild om zich heen hapt. Dit werpt een nieuw licht op de stille man met de dikke brilleglazen. Wat zou er achter hem schuilgaan? Even heerst er een gespannen stilte.

Dan klinkt er opeens een onrustig geschuifel op de gang en getik van hondepoten. Woody verschijnt in de deuropening en trekt aan een lange ketting. Na een tijdje verschijnt tegen wil en dank 'de hond'. Het is een kleine, bibberende chihuahua die, de tong uit de bek, zijn baas smekend aankijkt. “Hij is ontzettend bang voor de dokter”, zegt deze ter toelichting. “Daarom haal ik hem altijd pas uit de auto als hij aan de beurt is. Kom maar jongen.” De hond kruipt bij hem op schoot en zucht eens diep.