Dubbele nationaliteit

HET VERDIENT de voorkeur dat zo weinig mogelijk personen die permanent in Nederland willen wonen de status van vreemdeling behouden. Het is dus belangrijk dat zoveel mogelijk hier permanent blijvende buitenlanders Nederlander worden. Maar is dit zo belangrijk dat er meteen maar ruim baan moet worden gemaakt voor een dubbele nationaliteit?

Een dubbele nationaliteit ondergraaft het sociale contract waartoe landgenoten zich jegens elkaar hebben verplicht. Uiteindelijk zet het ook vraagtekens bij de context waarbinnen burgers hun loyaliteit en gevoel voor verantwoordelijkheid beleven. Het principe van een eenduidige nationaliteit is de moeite van het behouden waard.

Nu botst dit principe tegelijkertijd voortdurend met de praktijk. Het wetsvoorstel van het kabinet wil derhalve de formele belemmering voor een dubbele nationaliteit schrappen. Niet omdat de regering zich verzet tegen het principe van de eenduidigheid van nationaliteit, maar eenvoudigweg omdat er zoveel praktische problemen zijn die om praktische oplossingen vragen.

Zo erkennen sommige landen het afstand doen van de eigen nationaliteit niet, zodat er weinig keuze is. Bovendien is een dubbele nationaliteit in een aantal gevallen juridisch gezien alleen maar de juiste uitdrukking van de overgangspositie waarin veel allochtonen die zich tot Nederlander laten naturaliseren, zich bevinden.

TOCH HEEFT DE Tweede Kamer danig aangehikt tegen de wettelijke erkenning van de dubbele nationaliteit. Ook al vormt de voorgestelde wetswijziging in feite alleen maar een legalisering van de naturalisatiepraktijk zoals die na een in 1991 aangenomen motie over afschaffing van het afstandsvereiste is gegroeid. Deze praktijk strookt met de ietwat wegwerpende wijze waarop Nederland zich pleegt te verhouden tot het verschijnsel nationalisme. Of is dit slechts een water dat diepe gronden verbergt? Er is de laatste tijd een opmerkelijk reveil te bespeuren van het debat over het nationaal bewustzijn.

Zo is de opkomst van de islam als belangrijke religie in dit land een kwestie die de nationaliteit beroert. Nederland dacht de scheiding tussen kerk en staat voor de christelijke denominaties eindelijk afgewikkeld te hebben, maar er bestaat ten opzichte van de moslim medelanders op zijn minst een behoefte om dit punt opnieuw te ordenen. De knuppel die VVD-leider Bolkestein enkele jaren geleden in het hoenderhok wierp is op typisch Nederlandse wijze ingepakt, maar de vraag blijft of het pakketje zich verdraagt met dubbele nationaliteit.

In 1991, vlak voordat zij het nieuwe naturalisatiebeleid hielp inzetten, luidde CDA-woordvoerder Soutendijk de noodklok over het gevaar van een “loyaliteitsconflict” als gevolg van een onbekommerde toekenning van de dubbele nationaliteit. “Zou een Irakees die de Nederlandse nationaliteit erbij heeft gekregen als soldaat zijn meegegaan in de recente oorlog?”, zei zij met een verwijzing naar het Golfconflict. Ze had ook een dichter bij de hand liggend voorbeeld: Marokko zal een Marokkaanse wetsovertreder niet uitleveren, hetgeen normaal gesproken met een Nederlander wel het geval zal zijn.

DIT IS MATERIAAL voor goede vragen. Deze zijn echter praktisch gezien een gepasseerd station. Is dit pragmatisme ook niet kenmerkend voor Nederland? Toch blijft er iets knagen. Een minimum aan inburgering mag toch worden verlangd. Maar dat doet de wet al, en dat staat niet ter discussie. Een overgangsperiode dan, zodat de 'naturalisandus' - zoals het in de officiële stukken heet - althans na een gewenningsperiode voor een werkelijke keuze wordt gesteld? De regering heeft al enkele jaren geleden uiteengezet dat zoiets alleen al administratief en juridisch niet valt te behappen. Al blijft het alles bij elkaar de meest aantrekkelijke gedachte.

Als politiek compromis is nu de eerdere bezweringsformule van “het individuele keuzemoment” uit de bus gekomen. In de wettelijke vragenlijst wordt de naturalisandus expliciet gevraagd de oude nationaliteit op te geven. Maar toetsing van het besluit dat niet te doen wordt praktisch en principieel ondoenlijk geacht. Zakelijk gezien heeft deze formule geen enkel nadeel, is het redelijke argument van pleitbezorger Dittrich (D66). Toch blijft een gevoel van ongemak over zo'n redelijke praktijk.