De oude idolen op het altaar; Magisch-realistische roman van Basha Faber

Basha Faber: De Maagdenmantel. Uitg. Meulenhoff, 238 blz. Prijs ƒ 37,90.

Fantasie, gevoel voor drama en spanning, plezier in vertellen en bedrevenheid in het met weinig woorden oproepen van een sfeer die blijft hangen: al deze kwaliteiten spreidt debutante Basha Faber (1941) ten toon. Haar roman De Maagdenmantel heeft allure en is behalve vlot en vaardig, ook verrassend mooi geschreven.

Maagdenmantel is de naam van een bergstreek in het fictieve Zuidamerikaanse land Antilia, waar grootgrondbezitter Don Guzmán de scepter zwaait. In de provincie-hoofdstad San Sebastian gebeuren dingen die alleen maar te vergelijken zijn met de lotgevallen van het stadje Macondo uit de romans van Márquez. Om te beginnen wordt de beeldschone zestienjarige maagd Marisa, dochter en oogappel van Don Guzmán, doodgereden en in het ziekenhuis weer tot leven gewekt. Zuster Margarita betrapt de geestelijk gestoorde berg-indaan Carlito-de-Kwijler met zijn broek op zijn enkels naast het zojuist verkrachte lijk, dat met een schreeuw tot leven komt. Ze is daarmee getuige van een mysterie, dat niet onderdoet voor de onbevlekte ontvangenis van die andere maagd.

Carlito's daad wordt niet opgevat als een een godswonder maar als een gruwelijk staaltje van necrofilie en de arme drommel zit de rest van het boek opgesloten in het politiebureau. Intussen wacht de bevolking van het stadje in spanning af wanneer de vader van Marisa zal opdraven om de geschonden eer van zijn dochter te wreken en de dader in zijn cel te vermoorden.

Het pakt anders uit. Marisa's herrijzenis (ze zal later ook nog ten hemel varen) is aanleiding tot een Umwertung aller Werte. Voor het eerst sinds de Spaanse verovering in 1520 komen de indianen, die Carlito willen bevrijden, in opstand. Aangevoerd door Carlito's vrouw rukken ze op naar San Sebastián, waar ze echter op een vergevingsgezinde Don Guzmán stuiten. In plaats van wraak, eist hij de vrijlating van de gevangen zittende indiaan.

Dat gaat de non Margarita echter te ver. Opgehitst door een Amerikaanse journaliste en gesteund door Marisa's klasgenotes marcheert zij als aanvoerster van een feministische demonstratie tegen seksueel geweld naar het politie-bureau. Als die slappelingen van mannen Marisa niet willen wreken, zullen de vrouwen dat wel doen. Ook in dit opzicht is Faber schatplichtig aan Márquez. Net als in diens romans zijn in haar boek alle mannen zwakkelingen, dromers of fantasten, terwijl de vrouwen standvastige, krachtige karakters hebben.

De Maagdenmantel behelst een protest tegen de aanranding van bevolkingsgroepen en culturen in Latijns-Amerika. De schrijfster heeft dat protest verpakt in een spannend magisch-realistisch verhaal, met als enige zwakte dat het - anders dan de romans van haar grote Colombiaanse voorbeeld - nogal nadrukkelijk allegorisch is. Door omdraaiing van situaties en personages uit het Nieuwe Testament wordt een nieuwe mythe gecreëerd, waarin de maagd Marisa trekken van Christus heeft, haar vader, landheer Don Guzmán, op God lijkt en Carlito die de messias tot leven wekt aan Maria doet denken. Andere personages treden op in de rol van apostelen, zoals Marisa's oudste broer die als een ware Judas zijn zusje voor een paar zilverlingen verloochent.

Deze bijbelse invalshoek is op zichzelf al een vorm van anti-westerse kritiek. Faber laat ermee zien dat er andere interpretaties van het evangelie mogelijk zijn, die overigens voor evenveel verwarring en onheil kunnen zorgen als de gangbare. Haar roman is een illustratie van de uitspraak die ze een afvallige franciscaner monnik laat doen over de zendingsarbeid van zijn soortgenoten in vroeger eeuwen. De tot indiaan bekeerde monnik hekelt het prediken van 'een monotheïsme dat vergezeld ging van een Heilige Drieëenheid en een hemel vol heiligen'.

Na hun kerstening plaatsten de indianen op hun oude altaren weer hun oude idolen, alleen werden die nu genoemd naar christelijke heiligen. Wat er uit naam van deze heiligen werd aangericht vertelt de bitter gestemde monnik ook: 'Na ongeveer een eeuw hadden mijn ordegenoten de Maagdenmantel van onder tot boven doorkruist, maar daarmee wel de toekomst van de bewoners onherroepelijk verwoest. Terwijl zij doopten en Gods lof zongen, hadden hun geiten de jonge bomen opgegeten en hun pokken en mazelen de indianen uitgemoord. Alleen in de meest afgelegen dalen waren ze veilig geweest voor de oprukkende missionarissen. Wat we nu overhebben is maar een fractie van de oorspronkelijke bevolking. En wat over is, is ontkracht, ontzenuwd, onteerd, en vormt in onze Antiliase samenleving de absolute onderkant van de sociale ladder.'

FRAGMENT UIT: BASHA FABER, DE MAAGDENMANTEL:

Alles wat voor 'geest' of 'ziel' stond, christelijk en indiaans, of hij erin geloofde of juist niet, dat alles rees nu uit Marisa omhoog. Hij zag vogels en engelen met zwanevleugels, boomgeesten van doorzichtig groen en popperige madonna's in het blauw, bliksemschichten en brandende braambossen. Hij zag Marisa als reizigster in de boogvormige boot, als het konijn in de armen van de indiaanse Maangodin heen en weer schommelen in de ronding van de nieuwe maan. Wat hield hij nu nog in zijn armen: stof en botten, aarde en geur?