Watervogel heeft nog steeds last van DDT

ROTTERDAM, 22 FEBR. Het insektenbestrijdingsmiddel DDT, dat ruim twintig jaar geleden in Nederland werd verboden, heeft zich hardnekkig in het milieu genesteld. Nog altijd brengt het schade toe aan dieren, in het bijzonder aan watervogels.

Dit blijkt uit een serie ecotoxicologische onderzoeken die in opdracht van Rijkswaterstaat (directie Zuid-Holland) zijn uitgevoerd in het gebied van de benedenrivieren. Samen met andere, soortgelijke studies zijn ze gebundeld in het zojuist verschenen boekje Zichtbare effecten van onzichtbare stoffen.

Vooral aalscholvers in de Dordtse Biesbosch hebben te lijden onder DDT en andere chemische stoffen, die de voortplanting afremmen. Eieren breken snel doordat de schaal dunner is dan normaal. Het gevolg is dat embryo's vaak niet tot leven komen of dat jongen voortijdig sterven.

De giftige verbindingen, waaronder ook polychloorbifenylen (PCB's), komen voor in rivierslib dat jarenlang is bezonken in Biesbosch, Hollands Diep en Haringvliet. Via kleine organismen en vis hopen de stoffen zich op in bijvoorbeeld aalscholvers, die veel vis eten en aan de top van de voedselpiramide staan. In eieren van deze vogels zijn eind jaren tachtig nog hoge concentraties DDE (een zogenoemd omzettingsprodukt van DDT) gevonden: ruim vijf milligram per kilo gewicht. Later is dat gehalte gedaald tot circa twee milligram. Nadien bleven er ook meer jongen in leven.

Sinds 1980 heeft de aalscholverstand in Nederland zich sterk uitgebreid. Er zijn, verspreid over de waterrijke delen van ons land, diverse bloeiende kolonies bijgekomen, soms tot ergernis van beroepsvissers die de grote, donkere vogel als hun concurrent beschouwen. Maar de kolonie in de Dordtse Biesbosch bleef achter bij de algemene groei. Een achterstand die wordt toegeschreven aan de geweldige hoeveelheden vervuild slib in deze omgeving.

“De legselgrootte”, aldus het onderzoeksrapport, “was in de Dordtse Biesbosch weinig afwijkend, maar veel eieren kwamen niet uit. Bovendien was er een aanzienlijke jongensterfte kort na het uitkomen van de eieren.” Alles wees op schadelijke gevolgen van chemische stoffen in het slib.

De insektendodende werking van DDT werd in 1942 ontdekt, waarna het middel tot omstreeks 1965 op grote schaal in land- en tuinbouw werd toegepast. Later rezen er bezwaren tegen DDT, omdat het zeer slecht afbreekbaar is en zich ophoopt in organismen en voedselketens. Aan het eind daarvan werden zelfs dieren vergiftigd die men per se niet wilde bestrijden. Daarom kwam er in de jaren zeventig in de meeste westerse landen een verbod op DDT; het wordt nog wel in de tropen gebruikt.

Hoe persistent dit gif is, bleek omstreeks 1990 in de bollenstreek tussen Leiden en Haarlem. Daar werd het verboden middel aangetroffen in boezems en poldersloten: een erfenis uit het verleden, al sloot men niet uit dat sommige kwekers de stof nog incidenteel gebruikten.

Intussen is de voortplanting van aalscholvers in de Dordtse Biesbosch ook jarenlang vertraagd door PCB's in het slib. De onderzoekers in opdracht van Rijkswaterstaat hebben hiervoor het onomstotelijke bewijs geleverd, nadat eerder was aangetoond dat zeehonden in het waddengebied door toedoen van dit gif minder jongen wierpen.

PCB's zijn chemische verbindingen die tot voor kort veelvuldig werden toegepast als 'weekmakers' in kunststoffen, in verf en lak, in boor- en smeerolie, in transformatoren en condensatoren van TL-buizen. Sinds 1987 is het gebruik van deze stoffen in Nederland verboden, omdat ze moeilijk afbreekbaar zijn en zich ophopen in vetweefsels. Voor de Europese Unie wordt zo'n verbod op z'n vroegst dit jaar van kracht. Nog altijd lekken PCB's weg uit bestaande installaties, waarna de stoffen zich aan rivierslib hechten en daarmee op de bodem bezinken. Verder is ook hier sprake van een schadelijke erfenis uit het verleden.

Hoe nadelig de invloed van chemicaliën in het algemeen op watervogels kan zijn, bleek ook uit onderzoek met kuifeenden door TNO in Den Helder. De organisatie selecteerde twee groepen van acht kuifeenden (mannetjes en vrouwtjes), die in afzonderlijke kooien werden ondergebracht. De ene groep werd gevoed met driehoeksmosselen uit het sterk vervuilde Haringvliet; de andere met mosselen uit het betrekkelijk schone Markermeer.

Het dieet van Haringvlietmosselen veroorzaakte bij de eenden een iets lager lichaamsgewicht vergeleken met eenden uit de Markermeergroep.

Ook in de broedperiode traden verschillen op: “De vrouwtjes uit de Haringvlietgroep waren beduidend slordiger. De eieren werden veelal niet in een nest gelegd en niet bebroed.”

TNO-medewerkers haalden de eieren weg om ze vervolgens onder gelijksoortige omstandigheden in een broedmachine te laten uitbroeden. Maar vaak zonder dat er een levend jong te voorschijn kwam.