Tories met geen pen te beschrijven

LONDEN, 18 FEBR. Ministers zijn omhooggevallen onbenullen of politieke windvanen die hun principes hebben ingeruild “voor een plaats aan de trog”. Parlementsleden laten zich koeioneren, intimideren en vernederen door machtsbeluste partijfunctionarissen. En de regerende partij is futloos, cynisch en verwaten geworden na een bewind dat al veel te lang heeft geduurd.

Michael Dobbs geeft in zijn laatste roman The Final Cut een weinig vleiend beeld van de Britse politiek. Geen verrassende karakteristiek voor Britse krantelezers die wekelijks hun portie politieke blunders en schandalen voorgeschoteld krijgen. Wel een opvallende zedenschets van een bestsellerschrijver die sinds de zomer ook de functie van vice-voorzitter van de Conservatieve partij bekleedt.

In afwachting van zijn bezoeker zit Michael Dobbs exemplaren van zijn laatste boek te signeren aan zijn bureau in het hoofdkantoor van de Conservatieven. De ramen van zijn kamer trillen door de drilboren waarmee de werklui buiten op Smith Square de zoveelste verstopping van het Victoriaanse rioleringssysteem te lijf gaan. Even verderop toeteren de auto's die zijn vastgelopen in het negentiende-eeuwse wegennet van Westminster.

Dit is het Groot-Brittannië dat Dobbs met zoveel zelfspot schildert in zijn politieke thrillers: een land dat “zelfs door zijn illegale immigranten wordt ontvlucht”.

De rust in het hoofdkantoor van de Tories is bedrieglijk. Dit is weer zo'n maand dat bij de Conservatieven alles mis gaat. Sinds zijn aantreden heeft Dobbs nog geen andere maanden meegemaakt. Op maandag schrijven de boulevardbladen smeuïg over de verhouding die premier Major dertig jaar geleden zou hebben gehad met een gescheiden buurvrouw. Op dinsdag slaan de kabinetsleden elkaar om de oren met hun verschillende meningen over de Britse toekomst in Europa. Op woensdag houdt de staatssecretaris voor openbaar vervoer een lofzang op de auto, omdat je daarin niet met die verschrikkelijke stinkende medemens zit opgescheept. Op donderdag moet de staatssecretaris voor Schotland ontslag nemen omdat hij met een pikhouweel naar actievoerders heeft gezwaaid. Op vrijdag constateert The Economist dat aan het geruzie binnen de regering nooit een einde komt. En in het weekeinde treedt de staatssecretaris van handelszaken af uit protest tegen het lakse immigratiebeleid van zijn eigen kabinet.

Pag.5: Een scheutje water bij de werkelijkheid

De wanorde bij de Conservatieven lijkt in werkelijkheid nog veel groter dan in de fictie die Dobbs zijn lezers voorzet. Hij zou op die vergelijking kunnen reageren met: “Dat kunt u best denken, maar daar kan ik onmogelijk commentaar op geven.” Dat is de zinsnede die premier Francis Urquhart, de nietsontziende hoofdfiguur uit zijn boeken, in Groot-Brittannië beroemd heeft gemaakt en die John Major in het Lagerhuis ook al heeft gebezigd. Maar Dobbs antwoordt liever met een omweg dan met een straatblokkade. Hij zegt dat het schrijven van politieke thrillers nogal simpel is. “Je neemt de werkelijkheid, en je doet er water bij. Zonder aanlengen zouden mijn boeken niet geloofwaardig meer zijn.”

bpHij stelt er een eer in om te melden dat zijn boeken “voor negentig procent aan de werkelijkheid zijn ontleend”. Maar hij haast zich te verklaren dat hij niet “dé werkelijkheid” beschrijft. Sommige eigentijdse politieke onderwerpen heeft hij alleen maar in The Final Cut verwerkt “opdat we er allemaal een beetje lol aan beleven”. De beledigingen die Britse kabinetsleden hun Europese partners in het boek naar het hoofd slingeren, zijn in het echt natuurlijk ondenkbaar. Zo'n opmerking van premier Urquhart dat 'Brussel de tering kan krijgen', “zou misschien nog net kunnen”. Dobbs zegt het spottend. Maar zo'n betoog van Urquhart in het Lagerhuis dat de Europese Commissie maar met het plan voor introductie van een Europese munt moet terugkomen als ze het Engels als Europese taal heeft ingevoerd “is alleen maar wishful thinking”.

xpDat Dick Clarence, “de jeugdige en ineffectieve leider van de oppositie” uit The Final Cut, in zijn Armani-pak verdacht veel weg heeft van de nieuwe Labour-voorman Tony Blair, beschouwt Dobbs als een wonderbaarlijk toeval. Hij had het manuscript al af toen John Smith, de vorige Labour-leider, overleed. Met heel zijn volle-maansgezicht lachend erkent hij dat het hem “heel gelukkig zou maken” als Blair zich net zoals Clarence “als een mislukkeling” zou ontpoppen. Bij wijze van aanmoediging heeft Dobbs de nieuwe Labour-leider alvast een presentie-exemplaar gestuurd.

De werkelijkheid heeft de fictie in zijn boeken wel vaker achterhaald. In Play the King, deel twee uit de Urquhart-trilogie, beschreef hij hoe de koning door het machtsspel van pers en politiek tot aftreden werd gedwongen. Kort daarop stortten boulevardbladen het House of Windsor in een crisis waaraan het Britse koningshuis nog altijd niet ontstegen is.

Minder gelukkig vindt hij in zijn laatste boek de verwijzingen naar de financiële schandalen waarin de regeringspartij is verwikkeld. “Als er in deze bedrijfstak problemen zijn, gaat het altijd om vrouwen of geld, tenminste bij onze partij”, weet premier Urquhart. Op het moment dat Dobbs die woorden neerschreef, werden de Tories al geteisterd door een reeks van seks-affaires. Maar de bulk van financiële schandalen openbaarde zich pas later, voert Dobbs als verweer aan. Hij spreekt van “slechte timing”. Het laatste wat hij wil, is dat zijn boeken de Conservatieven last bezorgen. Daarom mijdt hij in zijn thrillers ook een aantal “interessante onderwerpen waar ik heel sterk over zou kunnen schrijven, maar waarmee ik de partij en de regering geen dienst zou bewijzen, zelfs schade zou kunnen doen”. Nee, voorbeelden noemt hij liever niet.

Zijn band met de politiek is al veel ouder dan zijn relatie met de literatuur. Als 27-jarig groentje, net afgestudeerd in Boston, liep hij twintig jaar geleden in spijkerbroek het hoofdkantoor van de Conservatieven binnen om informatie te vragen. Toen hij twee uur later weer buiten stond, had hij een baantje op de researchafdeling van de Tories. Tenminste volgens de onverdunde lezing van de schrijver. Uiteindelijk werd hij staf-chef van partijvoorzitter Norman Tebbitt. Totdat hij in 1987 bij de machtsstrijd tussen Tebbitt en Thatcher werd gemangeld. Intussen had hij het ook tot vice-voorzitter van het reclamebedrijf Saatchi & Saatchi gebracht nadat hij aan een of andere vent in de kroeg had gevraagd of die geen baantje voor hem wist waarmee hij veel geld kon verdienen en waarvoor hij weinig hoefde doen.

Zijn eerste boek schreef hij eind jaren tachtig na een weddenschap met zijn vrouw. House of Cards, de eerste thriller met Francis Urquhart in de hoofdrol, maakte hem onmiddellijk beroemd, hoewel dat volgens Dobbs meer aan de tv-bewerking dan aan het boek was te danken. Ook de verfilming van The Final Cut zal dit najaar weer bij de BBC zijn te zien. Heel de natie kent inmiddels de machtsbeluste premier wiens politieke motto door zijn initialen zo perfect wordt weergegeven: F.U., Fuck You.

John Major heeft al eens verzucht dat Urquhart het premierschap dezelfde slechte naam heeft bezorgd die het baantje van babysitter zou krijgen als Dracula daarvoor model had gestaan. Een grapje, natuurlijk. Maar Dobbs maakt zich er wel degelijk zorgen over of hij met zijn boeken het aanzien van de politiek ondermijnt. Ter verdediging voert hij aan dat hij “het cynisme in de politiek niet heeft veroorzaakt”. In zijn onbetaalde baan van vice-voorzitter van de partij probeert hij dat cynisme juist te bestrijden. “Ik had mezelf kunnen afsluiten als een goedbetaalde schrijver. Maar een van de meest smakeloze aspecten van het moderne leven vind ik het aantal mensen dat klagend langs de zijlijn blijft staan. Ik zal na de volgende verkiezingen in ieder geval kunnen zeggen dat ik mijn best heb gedaan.”

Hij wil met zijn boeken vermaken, niet beleren. Toch kan hij niet beletten dat zijn politieke onvrede soms doorsijpelt in zijn romans. Dat geldt onder meer voor zijn beschrijvingen van “het proces waarbij een doodgewoon Lagerhuislid wordt beroofd van zijn vermogen onafhankelijk te denken en te handelen, om hem op die manier geschikt te maken voor een regeringsfunctie”. Dobbs begint direct onstuimig te knikken. “Zo gaat het. Je hebt twee mogelijkheden als je een lastig parlementslid in het gareel wilt krijgen: óf je promoveert hem, óf je verplettert hem.”

En als hij in zijn laatste boek schrijft over die uitgebluste regeringspartij heeft hij het ook over zijn eigen moegestreden Tories. “Dat deze regering is opgebrand, lijkt me de belangrijkste beschuldiging die we vóór de volgende verkiezingen moeten weerleggen. Als politieke realist is het mijn taak om daarop te wijzen. Hoe sneller sommige van onze parlementsleden die realiteit onderkennen, hoe weldadiger dat zou zijn voor de partij.”