Het boek gaat nooit verloren

Wie heeft nooit eens stiekem achterin een spannende detective gekeken om te zien wie de dader was, of liefdevol zijn hand over de rug van een mooi gebonden boek laten gaan? En wie houdt er niet van lekker lezen in bed? Doemdenkers houden ons voor dat dit over enige tijd tot het verleden zal behoren. In de gedigitaliseerde bibliotheek van de naaste toekomst komen geen fysieke, laat staan aaibare boeken meer voor, maar alleen nog elektronische pagina's. Battus heeft eens in de Volkskrant voorgesteld een Literair Netwerk op te zetten met de subsidie die nu aan de afzonderlijke literaire tijdschriften wordt gegeven. Wie zich op dat netwerk abonneert, kan alle gewenste informatie op een eenvoudige manier en zeer goedkoop op het beeldscherm lezen.

Deze mogelijkheid is er natuurlijk niet alleen voor tijdschriften, maar ook voor boeken. Op het inmiddels alom bekende Internet zijn al bestanden met volledige teksten van klassieke werken te vinden. Betekent dit dat het boek in zijn gedrukte vorm uit de bibliotheek zal verdwijnen en dat vasthouden of doorbladeren van een boek afstervende handelingen zijn?

Tijdens de Dies-viering van de Rijksuniversiteit Leiden van zaterdag 11 februari - gewijd aan 'het boek' - werd over dergelijke vragen gesproken. Ze werden niet allemaal opgelost. Wel werd duidelijk dat er aan lezen verschillende kanten zitten; enerzijds het informatieve lezen, anderzijds het lezen ter vermaak.

Prof.dr. G.A.M. Kempen, hoogleraar functieleer en theoretische psychologie, stelde in zijn lezing 'Van leescultuur en beeldcultuur naar Internetcultuur' dat leescultuur altijd in hoger aanzien heeft gestaan dan beeldcultuur. Zo weigert het Franse dagblad le Monde, befaamd om zijn inhoudelijke kwaliteit, al sinds jaar en dag foto's te plaatsen en worden stripverhalen in het algemeen niet bevorderlijk geacht voor het lezen.

Aan lezen wordt, misschien wel sinds de ontdekking van het schrift, een bijzondere culturele waarde toegekend. Maar tussen die waardering en het lezen zelf gaapt een kloof. Het Sociaal Cultureel Planbureau komt tot de conclusie dat in de vrije tijd steeds minder wordt gelezen en steeds meer voor de buis wordt gezeten. Beleidsmakers achten dit ongewenst en flinke sommen gelds worden dan ook besteed aan landelijke campagnes ter bevordering van het lezen als culturele activiteit. Maar daarbij wordt, aldus professor Kempen, niet ingecalculeerd wat mensen tijdens hun werk aan leesactiviteit verrichten. Een onderzoek in opdracht van de Europese Commissie wees enkele jaren geleden al uit dat de Europese beroepsbevolking zich gemiddeld zo'n 20 procent van de werktijd bezighoudt met het geschreven en gedrukte woord: lezen, schrijven, typen, opbergen, opzoeken, vertalen, etc. Een eenvoudige rekensom leert dat dit bij een 40-urige werkweek neerkomt op 8 uur per week.

Volgens prof. Kempen zijn lezen en het begrijpen van gesproken taal grotendeels op dezelfde begripsprocessen gebaseerd. Lezen, dat is: het begrijpen van geschreven taal, loopt, zoals het in vakjargon heet, langs hetzelfde taalpsychologische traject als het begrijpen van gesproken taal. Het enige verschil is gelegen in de manier waarop de informatie wordt ontvangen: in het eerste geval wordt het visuele, in het tweede wordt het auditieve zintuig aangesproken. De geschreven tekst (een boek bijvoorbeeld) heeft voordelen boven gesproken tekst. De lezer is niet afhankelijk van de aanwezigheid van een spreker en kan een tekst op ieder moment, op iedere plaats tot zich nemen. Bovendien kan elke passage zo vaak herlezen worden als voor een goed begrip nodig is. Apparatuur voor geluidsdragers (de walkman bijvoorbeeld) vereist technische handelingen en behoeft elektrische voeding (zoals batterijen).

De term beeldcultuur wordt voornamelijk geassocieerd met de consumptie van televisiebeelden. De buis is het veel aandacht vragende middelpunt van de huiskamer geworden. Een tienjarige kijkt per week gemiddeld 11 uur televisie en leest gemiddeld 40 minuten, zo blijkt uit een artikel in de Volkskrant van vorig jaar november. Ook hier moet, aldus prof. Kempen, een positieve nuancering worden aangebracht: de verhouding zou veel voordeliger voor het lezen zijn uitgevallen als de leestijd op school zou worden meegeteld.

Volgens Kempen berust de vrees dat audiovisuele media de leescultuur zullen verdringen op een misplaatste tegenstelling. Beeldverwerking en taalbegrip zijn nauw met elkaar verweven, ja, ze vullen elkaar zelfs aan. Beeldverwerking kan niet zonder taalverwerking, taalbegrip kan niet zonder beelden. Om beelden en beeldreeksen te begrijpen is vaak, wederom in jargon, talige uitleg nodig; vrijwel geen film of documentaire is begrijpelijk zonder gesproken woord.

Tv-beelden, aldus Kempen, hebben wegens hun sterk dynamische karakter voor veel mensen een hoge attentiewaarde en attractiviteit. Gedrukte teksten kunnen zich daarmee ternauwernood meten. Televisie is een medium met een lagere drempel dan het boek of het tijdschrift. Die lage drempel en de verleidelijkheid van de tv zijn, zo liet Kempen weten, juist sterke punten. Zij “schreeuwen om benutting bij het onderwijs, de informatievoorziening, de cultuurspreiding en - jazeker - het lezen”. Een verschijnsel dat zich des te sterker zal voordoen doordat de grafische en audiovisuele media in toenemende mate in elkaar opgaan. Dit gebeurt via de elektronische snelweg, bijvoorbeeld op Internet. Hier kunnen beeld, geluid en tekst worden gecombineerd en tegelijkertijd worden aangeboden, wat een schat aan informatie kan opleveren. De tegenstelling tussen beeld en tekst komt hierdoor te vervallen. De nagenoeg oneindige mogelijkheden zullen positief werken op de motivatie van de gebruiker en lezen in het algemeen zal, volgens Kempen, juist leuker worden.

Door de beschikbaarheid van grote hoeveelheden informatie zullen we ons geheugen echter minder hoeven aan te spreken, want alles wordt al elektronisch 'onthouden'. De technologische ontwikkelingen vereisen wel nieuw aan te leren vaardigheden. Het efficiënt zoeken naar informatie vergt meer creativiteit en inzicht en stelt hoge eisen aan het taalbegrip van de gebruiker, zowel auditief als visueel. Het lezen van elektronisch opgeslagen teksten wordt dus meer een denk- dan een geheugenoefening. Kempen ontkent de grote culturele waarde van lezen niet, maar acht het begrijpen van gesproken taal en het begrijpen van beeldinformatie niet minder belangrijk. De informatietechnologie zal volgens hem de gelijkwaardigheid en samenhang van deze drie vormen van geestesarbeid alleen maar onderstrepen.

Drs. P.W.H. Gerretsen, bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek Leiden en regelmatig gebruiker van gedigitaliseerde informatiebronnen, hield een gloedvol betoog ten gunste van het boek. Het boek in gedrukte vorm, wel te verstaan: “Een boek moet je in je handen kunnen houden. Slechts dan kan een lezer door de tekst in het hart geraakt worden. Lezen is een eindeloze ervaring. Het is meer dan alleen het met de ogen opnemen van teksten. Lezen, ècht lezen behoort tot het privé-domein. Het is de ontdekking van het eigen inzicht, het unieke, het onvervangbare. Het geeft te denken en te voelen,” zei Gerretsen tijdens de Leidse Dies-viering.

Dit geldt echter niet altijd, aldus de bibliothecaris èn voormalige Lyceum-rector. In het literatuuronderwijs zouden leerlingen niet moeten worden afgeschrikt door het geven van cijfers. Cijfers zouden in dit geval zelfs moeten worden afgeschaft. Aan een leerling moet ook niet gevraagd worden: 'Wat bedoelt de schrijver?' want dat zou de spontane, emotionele ervaring die jonge mensen zouden moeten ondervinden bij het lezen van een boek, onderdrukken.

Samengevat, en met het betoog van de beide heren voor ogen, komt het erop neer dat een synthese zou moeten ontstaan tussen de klassieke en de elektronische bibliotheek. Zo zou het boek of tijdschrift als informatiebron geheel gedigitaliseerd kunnen worden, maar zou het als genotmiddel in zijn fysieke vorm kunnen blijven bestaan. Wie graag over de rug van een boek aait, hoeft zich voorlopig geen zorgen te maken.