Ergens tussen weerzin en verlangen; James Nachtwey, winnaar World Press Photo 1995

Niet lang geleden zat in een gammele boerenwoning in het Tsjetsjeense dorpje Goiti een goed verzorgde heer bovenop een rijtje jerrycans vol benzine te zwijgen. Tussen de luidruchtige persfotografen die in kogelvrije vesten opgewonden in- en uitliepen viel hij bepaald uit de toon.

De woning was de tijdelijke basis van waaruit de persagentschappen Associated Press en Agence France Presse hun foto's via de satelliet de wereld in zonden. De heer was de fotograaf James Nachtwey. Zijn foto van een met kapmessen verminkte Hutu, vorig jaar in Rwanda genomen, won gisteren in Amsterdam de hoofdprijs van het jaarlijkse internationale concours World Press Photo.

In Tsjetsjenië, zoals in elke oorlog, voelen sommige verslaggevers zich soldaten. Ze vertellen elkaar hoe zij onder vuur hebben gelegen, hoeveel bloed zij hebben gezien en scheppen een hiërarchie van verbaal heldendom. In deze hiërarchie staat James Nachtwey (1948) onderaan. Hij maakte zich alleen maar bezorgd. En nog niet eens over zijn leven, maar maar over zijn vervoer terug naar Grozny. Zijn chauffeur, een jongen die net zo weinig Engels sprak als Nachtwey Russisch, moest vier keer beloven dat hij de volgende morgen om acht uur weer present zou zijn. Daarna stond Nachtwey op en zei: “Ik ga even naar de markt, brood kopen voor de jongens”. Hij doelde op de fotografen die wel het risico hadden genomen om de nacht door te brengen in de schuilkelders van Grozny. En weg was hij.

Het is de tweede keer dat een foto van Nachtwey wordt uitgeroepen tot 'Foto van het Jaar'; het gebeurde al eens in 1993, met zijn foto van een Somalische vrouw die haar kind begraaft. Als aanmoediging of blijk van erkentelijkheid was die prijs ook toen al overbodig, want in een andere hiërarchie staat hij bovenaan: de oorlogsfoto's die hij sinds de jaren tachtig maakt, zijn klassiek. Ze tonen incidenten die om de een of andere onberedeneerbare reden meer zijn geworden dan alleen een losse mededeling. Ze zijn onverbrekelijk bij de oorlog gaan horen - bij één bepaalde oorlog, en ook bij oorlog-in-het-algemeen. Ze zijn het kleinste gemene veelvoud van de oorlog, het enige wat overblijft als de herinneringen van de overlevenden zijn verdwenen.

Wie aan de Tweede Wereldoorlog denkt, ziet voor zijn geestesoog automatisch die ene grofkorrelige soldaat verschijnen, tot aan zijn nek in de Normandische branding. Vietnam is dat napalmmeisje. De Falkland-oorlog een ontploffend Brits fregat. En de burgeroorlog in Nicaragua is vooral die foto van James Nachtwey uit 1982: een jongetje dat kopje duikelt rond de loop van een pantserwagen. Of het moest toch zijn foto van een halfnaakte dode soldaat zijn die, zo lijkt het, door zijn maten van het kruis wordt afgenomen.

Zulke beelden zijn vogelvrij. Elke fotograaf die op het juiste moment op de juiste plaats was geweest, had ze kunnen maken. Toch gebeurt dat maar weinig, zoals de dagelijkse stroom oorlogskiekjes van de grote fotopersbureaus laat zien. Nachtwey behoort echter tot de kleine groep fotografen die er wel in slagen om blijvende beelden uit de fog of war te voorschijn te toveren.

Veel kranten en fototijdschriften bezitten een zekere schroom om de bloedige chaos van de oorlog te laten zien. Zij sparen de lezers maar liever het allerergste. Hun maakt Nachtwey het niet eenvoudig. Zijn lijkwassingen in Bosnië, de moorden in Rwanda en de allergruwelijkste gruwelen van Grozny zijn in het Westen daarom nog niet op veel plaatsen te zien geweest. Geen krant wilde in 1982 zijn foto van een Nicaraguaanse guerrillero zonder gezichtshuid afdrukken. Over die foto zei Nachtwey een paar jaar geleden: “Ik was zo vol afschuw toen ik hem zag, dat ik eerst wegliep. Het was ondenkbaar dat mensen elkaar dat konden aandoen. Maar ik kwam weer bij zinnen en besefte ineens dat ik voor die man gekomen was. Het zou niet eerlijk zijn geweest om naar een oorlog te gaan en hem niet te laten zien. [...] Foto's moeten laten zien wat mensen over elkaar weten.”

Die dubbelzinnige positie, ergens tussen weerzin en verlangen, is het kenmerk van veel leden van het prestigieuze fotoagentschap Magnum, waaraan Nachtwey sinds 1986 is verbonden. Oprichter Robert Capa stapte in Frans Indochina op een mijn, toen hij de weg verliet om een plek te zoeken van waaruit hij beter kon fotograferen. Honderden oorlogsfotografen hebben hun nieuwsgierigheid inmiddels met dezelfde prijs betaald. In Tsjetsjenië was Nachtwey enige dagen zoek. Zijn collega's vreesden dat de 46-jarige geheelonthouder en vegetariër, die al tweemaal ernstig gewond raakte, nu in het harnas was gestorven. Dat hij er - in zijn eigen woorden - nu eens niet in was geslaagd “het evenwicht te houden tussen overleven en scheppen”.

Grozny ligt in puin. Nachtwey is weer in New York. Zijn recente werk staat hiernaast.