De illusie van Duivendrecht

Meer dan veertig jaar later is moeilijk te achterhalen waarom het voorjaar van 1952 werd beheerst door The River. Misschien kwam het door de vereenzelviging met de hoofdpersoon, een roodharig meisje dat de vreugde en de pijn van haar eerste liefde onderging. Misschien ook waren het de dromerige beelden van Bengalen, een ver en vreemd land waar de stroming van de rivier het ritme van het leven bepaalt. Zeker is alleen dat deze betoverende film de ogen opende voor de rol van de regisseur. Anders dan voorheen waren het niet de acteurs die de aandacht opeisten, maar degene die achter de schermen de leiding had. Het blad Picturegoer meldde dat hij Auguste Renoirs zoon Jean was: de eerste cineast die een plaats verwierf op de lijst met films die ik had gezien.

Binnen enkele maanden volgde Fritz Lang. Dat was te danken aan de hervertoning van Das Testament des Dr. Mabuse, het in 1933 voltooide relaas van een huiveringwekkende misdadiger die, nazi-leuzen verkondigend, in het krankzinnigengesticht zijn imperium draaiende hield. De derde regisseur op de lijst was Vincente Minnelli, een naam die al een bekende klank had dankzij zijn echtscheiding van Judy Garland. Zijn faam als filmer was hem vooruit gesneld door de verhalen die de ronde deden over An American in Paris. Ze namen in hevigheid toe nadat de musical Nederland had bereikt: dit is iets ongelooflijks, zei mijn pleegmoeder, zoiets zie je maar eens in je leven.

De avond voor het zover was, steeg de opwinding tot ongekende hoogte. In bed wilde de slaap niet komen, pas tegen de ochtend viel ik in een lichte sluimer. De dag daarna, dommelend doorgebracht boven een boek, kroop traag voorbij. Toen het eindelijk tijd was op weg te gaan, overheerste een dof gevoel: wat we straks zouden zien kon alleen nog maar tegenvallen. In de bioscoop hield dat idee eerst nog stand. De film ging over kunstenaars op Parijse zolderkamers waar zij, tussen hun beslommeringen door, nog ruimte vonden om te tapdansen. Dat laatste maakte veel goed, maar de reserves verdwenen pas tijdens het lange ballet aan het slot. Wat daar werd vertoond was ongekend: in combinatie met de muziek van Gershwin schiepen licht, kleur en beweging een wondermooie wereld waarvoor (onder anderen) Dufy, Renoir en Utrillo de inspiratiebron vormden. Ook decennia later nog brengt deze finale van twintig minuten me in een staat van vervoering. Maar dat is, in dit bijzondere geval, misschien minder te danken aan de regisseur dan aan zijn ster en choreograaf, Gene Kelly.

Het enthousiasme over dergelijke ontdekkingen vond op school weinig weerklank. Een uitlaatklep bood echter de Bussumsche Courant die, naar werd gezegd, behoefte had aan kopij. Deze informatie bleek juist: twee volgeschreven vellen die ik op een ochtend bij de krant in de bus stopte, stonden de dag erna afgedrukt op pagina vijf. De volgende keren was het resultaat niet anders, zodat het blad al gauw een vaste maar verder onbekende medewerker had. Sommige inzendingen handelden over films en boeken, nogal wat andere waren schaamteloze imitaties van de Kronkels van Carmiggelt. Daarnaast ontstonden er af en toe stukjes die zich voordeden als kleine reportages.

Als gevolg daarvan groeide de drang het werkterrein uit te breiden. Een mooie kans daartoe deed zich voor dankzij een familielid die een tijdlang werkzaam was in de Cinetone-studio. Hij regelde dat een vriend en ik een middag mochten komen kijken bij de opnamen van Sterren stralen overal, een produktie die - zoals elke nieuwe Nederlandse film in die dagen - sterk tot de verbeelding sprak. Het bezoek was vastgesteld op 5 november 1952, de dag nadat Eisenhower bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen zijn rivaal Stevenson had verslagen. De teleurstelling daarover verdween zodra aan het eind van de ochtend Duivendrecht in zicht kwam. De studio bleek een donker gebouw aan een vaart, maar de gedachte dat dit het Hollywood van Nederland was maakte alles goed.

De situatie binnen kwam overeen met mijn verwachtingen. Een grote hal was volgebouwd met decors, overal stonden lampen en ergens vooraan, temidden van een groepje mensen, zat de regisseur op een stoel met linnen rugleuning. Zijn naam was Gerard Rutten, maker van de voor de oorlog bekroonde film Dood Water. Op de achtergrond ijsbeerde producent Rudolf ('Der Rudi') Meyer, een Duitse immigrant die, net als zijn soortgenoten in backstage-musicals, nu en dan riep dat haast was geboden om de kosten te drukken.

Van een veilige afstand waren de verrichtingen te volgen van Johan Kaart, Peronne Hosang en Kitty Janssen, drie leden van een gezin dat zich in een Amsterdams binnenhuisje voorbereidde op emigratie naar Australië. Maar de meeste aandacht ging uit naar de regisseur die, het hoofd bedekt met een chique pet en zijn hand aan de megafoon, een sfeer van autoriteit uitstraalde. Dit was de man die de touwtjes in handen hield, dat bleek uit alles. Toen hij tussen de bedrijven door toch iets tegen ons zei, waren we sprakeloos. De gêne daarover maakte pas later in de kantine plaats voor trots: terwijl de kroketten werden rondgedeeld, hadden we het gevoel erbij te horen.

Die illusie werd nog versterkt toen vrij kort daarna de uitnodiging kwam voor de 'wereldpremière' in Tuschinski. Het werd, die 30ste januari 1953, een mooie avond. De details staan niet meer helder voor de geest, maar vast staat dat er veel bloemen en toespraken waren. Nadat het publiek er tenslotte getuige van was geweest hoe Johan Kaart met zijn gezin het land verliet, klonk bovendien een hartelijk applaus. Voor ons op de derde rij was dit een teken dat de film, onze film, een succes zou worden.

Nog geen twee dagen later, op 1 februari, braken de dijken door. Binnen enkele uren stond vast dat er sprake was van een Nationale Ramp. Ook voor Sterren stralen overal lag een catastrofe in het verschiet: wie was er nu nog geïnteresseerd in een nieuwe Nederlandse speelfilm? Van een artikel in de Bussumsche Courant kon in elk geval geen sprake meer zijn.

De gedachte dat hiermee een mooie kans was verspeeld, gaf me een schuldig gevoel. Maar de film zelf bood troost. In een bijna lege bioscoop deed hij, veertien dagen na de ramp, twee uur lang de buitenwereld vergeten.