Traan en baleinen

Toen de Groenlandse walvis bij Spitsbergen omstreeks 1700 door overbevissing bijna was uitgeroeid, weken Nederlandse walvisvaarders uit naar Straat Davis voor de kust van Canada. Hier werden in honderd jaar tienduizend exemplaren gevangen.

Jurjen R. Leinenga. Arctische walvisvangst in de achttiende eeuw. De betekenis van Straat Davis als vangstgebied. Uitg. De Bataafsche Leeuw, Amsterdam. ISBN 90-6707-365-2 ƒ 49,50.

De zeventiende eeuwse walvisvaart rond Spitsbergen is alom bekend en ieder kind kent de geschiedenis van het Behouden Huys en de barre overwintering op Nova Zembla. Minder bekend is dat in de achttiende eeuw naast Spitsbergen ook Straat Davis, het gebied tussen de Amerikaans-Canadese kust en de westkust van Groenland, druk bezocht werd door de Arctische walvisvaarders.

Wat bewoog de Hollandse zeelieden om zich zo ver van huis te wagen? Historicus Jurjen R. Leinenga (36) ploos vier jaar lang oude vangstlijsten en scheepsjournalen na. Vandaag promoveert hij in Groningen op een onderzoek naar de opkomst van Straat Davis als vangstgebied.

De zeevaart is Leinenga van huis uit vertrouwd. Zijn vader was kapitein op een kustvaarder en hij mocht vaak mee op reis, over de Noordzee, de Oostzee, naar IJsland en Groenland.

'Mijn promotieonderzoek,' zegt Leinenga, 'valt onder de grote paraplu van het klimaatonderzoek bij het Arctisch Centrum van de Rijksuniversiteit Groningen. Daar buigen biologen, fysisch geografen en historici zich over de vraag, hoe het klimaat zich de afgelopen eeuwen in de Poolstreken gedroeg. Walvissen zijn daar een prachtige maatstaf voor, omdat ze precies met de grens van het pakijs meetrekken. Toevallig bestaan er nu juist van de walvisvaart nog uitstekende statistieken uit die dagen.'

Straat Davis is vernoemd naar zijn ontdekker, de Engelsman John Davis (1585). Later brachten andere ontdekkingsreizigers, meestal op zoek naar een noordelijke doorvaart naar Azië, deze zeestraat in kaart. Ook zochten ze naar goud- en zilvererts. Daarbij kan het de zeelieden moeilijk zijn ontgaan, dat hier ook grote walvissen rondzwommen. Toch kwam de walvisvaart in Straat Davis pas laat op gang, vanaf 1719. Bij Spitsbergen was men al in 1611 begonnen.

Uit Leinenga's speurwerk blijkt, dat de eerste reders die zich richting Straat Davis waagden, Nederlanders waren. Hun schepen verlieten de thuishavens niet in april, zoals de Spitsbergenvaarders, maar al eind februari of begin maart. Pas begin mei hadden de schepen zich een weg door het zeeijs gebaand en arriveerden ze in het rijke vangstgebied.

In Straat Davis mengt de relatief warme West-Groenlandstroom zich met de zeer koude Labradorstroom. Daar waar beide zeestromen elkaar ontmoeten, ontstaat een opwerveling van voedingsstoffen, waarin plankton als basis van de voedselketen goed kan gedijen. Eind mei of begin juni liep de walvisjacht al weer ten einde, omdat de dieren dan vanuit de Disko Bocht wegtrekken naar het noorden. In de loop van de zomer eten ze zich vol in de Baffin Baai om vervolgens weer precies met de pakijsgrens mee naar het zuiden te trekken.

Vermoedelijk hebben de walvissen als reactie op de jacht in de negentiende eeuw hun zomertrek verder naar het noorden verschoven. Leinenga schat dat de populatie bij Straat Davis in de achttiende eeuw uit zo'n 5000 dieren bestond. In de hele achttiende eeuw werden 9720 exemplaren gevangen.

Na zes weken jacht was het scheepsruim meestal nog maar voor de helft gevuld. De commandeur die, onderweg opgehouden door tegenwind, zeemist of ziekte aan boord, te laat in het hoge noorden aankwam, moest niet zelden met een leeg schip huiswaarts keren. Overigens werden in koude jaren vaak meer walvissen gevangen. De dieren zijn dan kwetsbaarder, omdat ze samendrommen in de laatste overgebleven wakken als 'ademgaten' tussen het zeeijs.

Net als bij Spitsbergen joeg men in Straat Davis op de Groenlandse walvis (Balaena mysticetus). Deze dikke, trage, 'ouderwetse' walvis leeft alleen in het Arctisch gebied. Hij bezit een zeer dikke speklaag en lange baarden, waarmee hij zijn voedsel, plankton, uit het water zeeft. Voor de harpoeniers in hun kleine, wendbare sloepen was dit dier een gemakkelijke prooi. Leinenga: 'Door zijn speklaag is hij extreem goed geïsoleerd. Als je hem voortdurend opjaagt, kan hij zijn lichaamswarmte niet kwijt en begint hij van binnen zowat te koken. Daardoor raakt het dier snel uitgeput en valt de jager in handen.'

Het geharpoeneerde dier vocht soms een half uur, soms wel twee uur voor zijn leven. Kwam er bloed uit de spuitgaten, dan waren de longen doorboord en was het dier ten dode opgeschreven. Op 6 mei 1781 had de bemanning van het Deense schip Geheym Raad Baron Kragh Juel Wind volgens het scheepsjournaal liefst zeven uur nodig om een geharpoeneerde walvis te doden, maar dat was uitzonderlijk.

Door zijn dikke speklaag blijft de Groenlandse walvis na zijn dood op zijn rug in het water drijven. Dit in tegenstelling tot andere walvissoorten, die zinken en daarom sinds ongeveer 1860 met lucht worden opgeblazen om ze niet kwijt te raken. Door de intensieve jacht is de Groenlandse walvis zeldzaam geworden.

Oude vangstlijsten van wat er zoal aan traan werd binnengebracht, zijn keurig bewaard gebleven. De traan diende als lampolie, als smeermiddel voor machines en om kleren waterafstotend te maken, balein kwam in hoepelrokken en corsetten terecht. De meeste vangstlijsten zijn, ook door de bevolking van de Duitse en Deense eilanden, in het Nederlands geschreven. Een enkel exemplaar is in het Duits. Bij onderlinge vergelijkingen blijken ze goed met elkaar overeen te komen. Een bekende, zeer informatieve vangstlijst, die in Haarlem werd gedrukt, was die van de Zaanse makelaar Gerret van Sante. Daarnaast verdiepte de promovendus zich in Duitse, Deense, Engelse, Schotse en Amerikaanse bronnen. Vooral die eerste drie waren voor het promotieonderzoek van belang. De Schotten echter blijken niet in dit gebied te hebben gevaren, de Amerikanen joegen er vooral op de Potvis, terwijl het Leinenga speciaal om de Groenlandse walvis te doen was.

Hij becijfert dat daarvan in Straat Davis gemiddeld 119 exemplaren per jaar werden gevangen, al traden wel schommelingen op. Een betere maatstaf, die rekening houdt met het wisselend aantal schepen, is het vangstcijfer per reis. 'In Straat Davis ging dat in de loop der tijd zelfs nog iets omhoog', merkt Leinenga op. 'Bij Spitsbergen daarentegen is men veel te lang doorgegaan. Door overbejaging kelderen de vangstcijfers, van 5,8 gemiddeld in het jaar 1701 naar nog maar 1,1 gemiddeld in 1728, al zaten daar wel betere perioden tussen. Zowel de lengte van de dieren als de spekopbrengst gaan steeds meer achteruit. Op den duur ving men blijkbaar alleen nog jonge dieren, die zich nog niet hadden voortgeplant.'

Het idee van een 'vangstmoratorium' was de achttiende eeuwersvreemd. Ze wisten niet beter dan dat er ontzettend veel walvissen waren. Zag men ze niet, dan nam men aan dat de dieren waren weggetrokken. De walvispopulatie bij Spitsbergen heeft zich nooit meer hersteld. Dit moet een reden zijn geweest waarom de belangstelling naar Straat Davis verschoof, ook al was men dan zo'n twee maanden langer van huis. Vergeleken met bijvoorbeeld de tochten naar Indië (waarbij misschien wel de helft van de bemanning niet levend terugkeerde) was de walvisvaart niet echt riskant. Maar wie omsloeg met zijn sloep en dik ingepakt in wollen kleren in het ijzige water belandde, vertelde dat meestal niet na.

Bovendien is het weer in de Poolstreken veranderlijk. Leinenga: 'Meestal draait de wind voortdurend, maar als hij uit dezelfde hoek blijft waaien, sluit zich het ijs. In het rampjaar 1777 werden bij Spitsbergen 14 schepen gekraakt in het ijs. Bij Straat Davis speelde dit gevaar minder omdat men beschutting vond in de vele fjorden.'

In dit nieuwe vangstgebied waren tussen 1719 en 1740 zo'n 50 tot 100 schepen per jaar actief. Na 1740 namen de aantallen af, tot hooguit een tiental schepen jaarlijks in de jaren tachtig.

Soms kreeg de bemanning toestemming om de wal op te gaan en dat moet het gezelligste deel van de reis zijn geweest. Voor de thuisreis sloeg men zoet drinkwater en vers vlees in, eenden of eieren, en plukte zoveel mogelijk van het vitaminerijke lepelblad dat hier in de Poolstreken overal groeit. Met de Eskimo's werd - al was dat door de Deense autoriteiten strikt verboden - tabak geruild tegen fraai bewerkt bont, of misschien wel een complete kajak. De Eskimo's hadden enorme behoefte aan vishaken, harpoenpunten en andere ijzerwaren. In een onbewaakt ogenblik konden ze razendsnel alles wat van ijzer was van het dek van een afgemeerd schip afstropen.

Soms ook was er gelegenheid voor een amoureus avontuurtje. Volgens Leinenga was de kans daarop zeker in de eerste helft van de achttiende eeuw niet groot. 'Toen waren de Eskimo's schuw en uiterst vijandig', stelt hij. 'Zo'n 150 jaar eerder hadden de eerste ontdekkingsreizigers Groenlanders met drank bedwelmd en ontvoerd als leuk kadootje voor hun geldschieter, de koning. Zelfs in de Haagse Hofvijver hebben Eskimo's in kajaks rondgepeddeld om het schieten van eenden en meeuwen te demonstreren. Zo'n ontvoering wordt in zo'n hechte gemeenschap maar heel langzaam vergeven en vergeten.'

Toch gaan er wildwestverhalen over hoe de Nederlandse walvisvaarders hier huishielden. Ze zouden de Eskimo's dronken voeren, de mannen beroven en de vrouwen verkrachten, waarna men ze ladderzat en van hun kleren beroofd poedelnaakt achterliet op de rotsen. Leinenga gelooft daar weinig van. 'Vaak zijn zulke verhalen louter propaganda van de Deense autoriteiten, eenvoudig omdat zij de Nederlanders uit het gebied wilden weren.'

Toch ontstond er in de tweede helft van de achttiende eeuw geleidelijk meer contact tussen walvisvaarders en lokale bevolking. De geïsoleerde Eskimogemeenschappen hadden belang bij seksuele contacten met buitenstaanders, dit om inteelt te vermijden. Vaak ook deelden de Eskimo's in de jachtbuit. Zij wisten de walvis vrijwel geheel te benutten, waarbij ze speciaal de smakelijke romige staart, die rijk aan vitamine C is, waardeerden.

De schepen maten zo'n 200 tot 400 ton. De bemanning, doorgaans zo'n 45 koppen, kwam uit allerlei streken. De eilanden voor de kust van Sleeswijk-Holstein (waaronder Föhr) leverden walvisvaarders, evenals het gebied ten noorden van Bremen. 'Gebieden met een heel laag algemeen prijspeil', oordeelt Leinenga. 'Je moet bedenken dat de gages in 150 jaar tijd niet veranderden. De officieren kregen een prestatieloon al naar gelang het aantal walvissen of het aantal vaten spek, en dat kon aardig oplopen. Maar een matroos kreeg zo'n 20 gulden per maand - een bedrag waar je in die dagen in een stad als Amsterdam weinig mee kon. Daardoor zie je de herkomst van de bemanning in de loop der jaren steeds meer verschuiven van de stad naar armere, oostelijker streken. Vaak had de walvisvaarder naast zijn seizoenswerk op zee een marginaal boerenbedrijfje dat 's zomers door zijn vrouw werd gerund.'

Voor de reders gold dat ze hun geld - naar onze moderne maatstaf gemeten - nogal versnipperd investeerden. 'Het was veel te riskant om alles op één kaart te zetten', aldus Leinenga. 'Ze investeerden in een schip, of een deel daarvan, maar daarnaast in aandelen of een boerderij. Vaak waren ze daarnaast ook scheepsleverancier - een reden om de walvisvaart in stand te houden, ook al was die eigenlijk niet lucratief.

Mettertijd taande de Nederlandse invloed. Vanaf 1750 ging de Engelse regering ertoe over haar eigen walvisvaarders flinke premies te betalen om voor de marine een flinke reservebemanning paraat te houden. Bovendien wierpen de Britten hoge tariefmuren op voor de invoer van traan en balein. Daarmee was de concurrentiestrijd voor de Nederlanders definitief verloren. In het jaar 1798 werden de meeste Hollandse schepen door de Britse marine naar Engelse havens opgebracht, waar ze op basis van het oorlogsrecht verbeurd werden verklaard. In de Napoleontische tijd, tijdens de korte vrede van Amiens, in 1802, zijn nog enkele Nederlandse walvisvaarders uitgevaren, maar daarna was het vrij snel afgelopen.

Analyses van klimaatsveranderingen in Straat Davis laat de historicus liever over aan klimatologen. 'Dat is mijn vakgebied nou eenmaal niet. Wel kun je vermoeden dat het klimaat begin negentiende eeuw een stuk warmer moet zijn geweest. Dan zie je de vangstcijfers ineens omhoogschieten van twee tot hooguit zes naar wel 28 tot 36 walvissen per reis. Dat kan alleen maar betekenen dat jonge dieren onder schot zijn geweest. Vooral in een wat warmer klimaat, als ze niet onder pakijs kunnen duiken, hebben ze geen enkele dekking.'

Van het proefschrift verschijnt een meeslepende en beeldschoon uitgevoerde handelseditie bij uitgeverij De Bataafsche Leeuw. 'Het onderwerp spreekt nog altijd tot de verbeelding,' zegt Leinenga, inmiddels werkzaam als leraar geschiedenis in Emmen. 'Er zijn nog mensen in ons land, ondermeer op Schiermonnikoog, die in 1948 op de Willem Barentsz hebben gevaren. Anderen lopen warm voor het onderwerp omdat ze walvisvaarders in hun familie hadden, soms al drie of vier eeuwen geleden, maar die reputatie leeft voort. Om de een of andere reden spreekt een walvisvaarder als voorvader meer tot de verbeelding dan bijvoorbeeld iemand uit de koopvaardij. Ook mijn uitgever is iemand met walvisvaarders onder zijn voorouders, zijn familie komt van Föhr.'