Studie 'misbruikt' in discussie over ontwikkelingshulp

LONDEN, 16 FEBR. De Britse ontwikkelingseconoom Peter Boone, die zich in wetenschappelijke publikaties kritisch heeft uitgelaten over de effectiviteit van ontwikkelingshulp, vindt dat de resultaten van zijn onderzoek in Nederland worden misbruikt.

Volgens Boone, die verbonden is aan de London School of Economics, heeft de ontwikkelingshulp in de afgelopen twintig jaar niet geleid tot een toename van de economische groei in de ontvangende landen en heeft zij ook de positie van de allerarmsten niet verbeterd. Boone, wiens kritiek door onder anderen VVD-leider Bolkestein als argument wordt aangevoerd om vraagtekens te zetten bij de omvang van de hulp, ontkent echter dat hij pleit voor vermindering van ontwikkelingshulp. “Het enige wat mijn onderzoek aantoont, is dat de hulp van de laatste twintig jaar geen effect heeft gehad. Over de omvang die die hulp zou moeten hebben, heb ik me niet uitgelaten en ik heb al helemaal nooit gezegd dat ontwikkelingshulp per definitie zinloos is. Als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan kan hulp mijns inziens namelijk zeker een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de landen die haar ontvangen.”

Boone baseert zijn scepsis over het effect van de hulp in de laatste twintig jaar op econometrisch onderzoek. “Aan de hand van officiële statistieken heb ik een vergelijking gemaakt tussen landen die hulp kregen en landen die die hulp moesten ontberen. Mijn conclusie is dat de hulp met name werd aangewend voor consumptie en niet voor investeringen.” Volgens Boone hebben de allerarmsten zeker niet van de hulp geprofiteerd. “Je ziet dat door te kijken naar indicatoren als de omvang van de kindersterfte. Uit mijn onderzoek blijkt dat de landen die hulp ontvingen, het bij vermindering van de kindersterfte niet echt beter hebben gedaan dan de andere landen. De kindersterfte - en hetzelfde kun je zeggen van de andere grote problemen op het gebied van de gezondheidszorg in de Derde wereld - kan namelijk het beste worden teruggedrongen door speciale programma's op te zetten. Het komt er daarbij op aan dat het de regering van het betrokken land ernst is om zulke programma's, die helemaal niet zoveel hoeven te kosten, een succes te laten zijn. De omvang van de hulpgelden is minder relevant.”

Boone zegt niet verbaasd te zijn door de resultaten van zijn onderzoek. “Volgens de economische theorie leidt een permanente toename van het inkomen van een individu, of in dit geval van een land, automatisch tot een permanente toename van de consumptie. Dat die consumptie met name heeft plaatsgehad door de elite van die landen, is ook nauwelijks verbazingwekkend. Volgens de politicologie eigenen degenen die de sterkste positie op het politieke strijdtoneel innemen, zich ook de meeste economische voordelen toe.”

Pag.4: 'Ontwikkelingshulp kan effectiever'

Ontwikkelingsgelden zouden veel effectiever aangewend kunnen worden, aldus Boone. “Het inentingsprogramma van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) zou als voorbeeld kunnen dienen. Reden voor het succes van dat programma is dat het nauwelijks een gezondheidsinfrastructuur vereist. Je hoeft alleen maar één keer per jaar naar de dorpen te gaan om kinderen in te enten.”

De kern van het probleem, aldus Boone, is of de regeringen in de Derde wereld de bereidheid tonen of in staat zijn om bij het opzetten van zulke low key-programma's behulpzaam te zijn. “Sommige regeringen zien het verbeteren van het welzijn van hun bevolking niet als een prioriteit. Je zou hierbij kunnen denken aan een land als Zaïre. Daar heeft het absoluut geen zin om ontwikkelingshulp te geven. Wat donoren daarom zouden moeten doen, is om de tafel gaan zitten met de regering van het Derde-wereldland dat ze willen helpen en overleggen over duidelijk gedefinieerde hulpprogramma's, met name op het gebied van de gezondheidszorg en het onderwijs. Elk programma zou duidelijk omlijnde doelstellingen moeten hebben op een zeer beperkt gebied, bijvoorbeeld het terugdringen van de kindersterfte met een zeker percentage, en een tijdspad om die doelstellingen te halen. Elk jaar zou een commissie van onafhankelijke experts uit het ontvangende land de voortgang van het programma moeten evalueren. Als door tegenwerking van de autoriteiten van het betrokken land het programma niet voldoende voortgang maakt, zou dan besloten kunnen worden om het stop te zetten.”

De Britse econoom vindt dat ook niet-gouvernementele organisaties in de rijke landen zich zijn kritiek moeten aantrekken. “Ook zij zouden zich moeten richten op duidelijk gedefinieerde projecten met een vast omschreven tijdschema. Hun hulpprogramma's zijn nu te diffuus, ze willen alles overal doen. Het is jammer dat de ontwikkelingslobby deze discussie niet aan wil en kritiek op de effectiviteit gelijk als reactionair terzijde schuift.”

Volgens Boone is er zelfs voor de armste landen, ook in Afrika, hoop op een duurzame economische groei mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. “In de eerste plaats moet er in het land sprake zijn van good governance. Het land moet politiek stabiel zijn, privé-bezit moet worden gerespecteerd, al te logge overheidsbureaucratieën moeten worden afgeslankt, overheidsfunctionarissen moeten redelijk snel en efficiënt hun werk doen en ga zo maar door. Daarnaast moet het land zijn economie openstellen voor de wereldmarkt. Het moet niet bang zijn zijn munteenheid te devalueren als die overgewaardeerd is en zeker niet proberen om via importrestricties de concurrentie met andere landen te ontlopen. Als aan al deze voorwaarden wordt voldaan, is volgens de huidige inzichten van de economische wetenschap groei welhaast verzekerd.”

Boone ziet weinig heil in programma's om de prijzen van grondstoffen te stabiliseren zoals het Stabex-programma dat vastgelegd is in de akkoorden van Lomé. “Ik heb zelf nooit van dat programma gehoord. De gedachte achter zulke projecten is dat Derde wereld-landen afhankelijk zijn van een beperkt aantal produkten voor hun exportopbrengsten en dat je die inkomsten niet al te zeer moet laten schommelen. Zulke programma's kosten veel geld. Volgens mij is het veel zinvoller dat die landen een goede economische politiek voeren zodat ze hun exporten kunnen diversifiëren.”

Boone gelooft niet dat de 'onderontwikkeling' in het armste continent, Afrika, te wijten is aan culturele factoren. “Dat argument werd vijftien jaar geleden te pas en te onpas gebruikt om de stelling te ondersteunen dat Latijns Amerika nooit echt economisch een stap vooruit zou kunnen zetten. Nu hoor je het niet meer omdat een land als Chili zich inmiddels sterk heeft ontwikkeld. Dat zou ook in Afrika kunnen gebeuren mits aan de noodzakelijke voorwaarden wordt voldaan.” Boone erkent dat het “gemakkelijker is om de diagnose te stellen dan om de aanbevelingen in de praktijk te brengen”. “In een land als Rwanda is de politieke instabiliteit momenteel zo groot dat het moeilijk voor te stellen is hoe daar binnen afzienbare tijd aan de basisvoorwaarden zou kunnen worden voldaan. Maar in Ghana lukt het sinds een jaar of tien wel dus er is geen reden waarom het in andere landen niet zou kunnen lukken.”