Het verdriet van Vlaanderen

Aviel Verbruggen (red.), Leren om te keren, Milieu en Natuurrapport Vlaanderen, Garant, Leuven/Apeldoorn, 1994, ISBN 90-5350-308-0

Sinds kort heeft Vlaanderen een evenknie van het fameuze 'Zorgen voor Morgen': 'Leren om te keren'. Dit rapport beschrijft wat er bekend is van de natuur- en milieusituatie in Vlaanderen. Het brengt de druk op de natuur en milieu in verband met menselijke activiteiten. En het geeft een overzicht van de mogelijkheden om de druk op natuur en milieu in Vlaanderen te beperken.

Hoewel de toestand van natuur en milieu in België beduidend slechter is onderzocht dan de Nederlandse pendant ervan, kan veilig worden gesteld dat de verschillen tussen Vlaanderen en Nederland niet groot zijn. Ook de tendensen in de Nederlandse en Vlaamse milieuproblematiek vertonen sterke overeenkomsten. De biologische verscheidenheid neemt in Vlaanderen net als bij ons af, terwijl de bodemvervuiling toeneemt.

De kwaliteit van het Vlaamse oppervlaktewater vertoont een bescheiden verbetering, maar de lawaaihinder die onze zuiderburen ondervinden neemt toe. Het bebouwde oppervlak in Vlaanderen groeit als kool, al doet men bij de uitbreiding van de vervoersinfrastructuur minder dan in Nederland alsof de duivel op de hielen zit. De zomersmog blijft in Vlaanderen een onverminderd groot probleem. Ondanks alle roerende beloften om de kooldioxyde-uitstoot te verminderen blijft deze stijgen en 75 procent van het Vlaamse bos is er niet goed aan toe.

Soortgelijke fenomenen kan men ook in Nederland waarnemen. De thematiek die 'Leren om te keren' behandelt vertoont voorts een sterke overlap met de onderwerpen van 'Zorgen voor Morgen'. Niettemin is er op onderdelen ook een aantal opvallende verschillen.

Elektromagnetisch

Zo gaat 'Leren om te keren' in op erosie, de problematiek rond laagfrequente en radiofrequente elektromagnetische velden en op (hinderlijke) trillingen. Deze onderwerpen schitteren in het Nederlandse milieubeleid door afwezigheid. Of dat terecht is valt te bezien.

De blootstellig aan radiofrequente elektromagnetische velden bijvoorbeeld vertoont thans in Vlaanderen en Nederland een sterke stijging. De toename hangt met name samen met de sterke groei in het gebruik van mobiele telefoons (en het bijpassende GSM-net). 'Leren om te keren' merkt op dat er onderzoeken zijn volgens welke reeds bij geringe blootstelling aan zulke radiofrequente velden biologische effecten optreden. Ruwweg ligt het niveau, waarboven biologische effecten worden waargenomen bij veldsterkten van 1 Volt per meter. De onderzoeken in kwestie zijn echter omstreden. Wel komt er volgend jaar een richtlijn van de Europese Unie die beoogt veldsterkten voor radiofrequente velden onder de 3 Volt per meter te houden.

De basis voor deze norm is de storing van elektrische apparatuur. Boven veldsterkten van 3 Volt per meter kan het functioneren van elektrische apparaten als gehoorapparaten, alarminstallaties en telefoons worden verstoord. Anders dan in Vlaanderen heeft het Nederlandse milieubeleid een blinde vlek voor radiofrequente elektromagnetische velden. Minister Alders van Milieubeheer heeft zelfs het bestaan om de bouw van de Zenderwijk pal onder de radiozenders van IJsselstein goed te keuren. In deze wijk zullen veldsterkten van 3 Volt per meter worden overschreden.

Bij de Nozema, die het zenderpark van IJsselstein beheert, heeft men al visioenen van bij tij en ontij afgaande inbraakalarms en openzwaaiende (elektronisch bediende) garagedeuren. De daaruit voortvloeiende sterke bezwaren van Nozema tegen de Zenderwijk hebben echter niet mogen baten.

Erosie

Ook erosie is een belangrijk onderwerp. Water- en winderosie zijn in België verantwoordelijk voor aanzienlijke verliezen van vruchtbare grond. Winderosie is met name belangrijk in zandige gebieden zoals de Kempen. Watererosie vormt vooral in het heuvelige midden-België een probleem. Bij een maximale bodemvorming van 13 ton per hectare lopen de bodemverliezen door watererosie op tot ongeveer 100 ton per hectare per jaar. Soortgelijke verliezen treden op in Zuid-Limburg. Daarnaast is erosie naar alle waarschijnlijkheid in aanmerkelijke mate verantwoordelijk voor het rondsmeren van een aantal bezwaarlijke stoffen, waaronder bestrijdingsmiddelen. Kortom er zijn goede redenen om in Nederland qua onderwerpskeuze te leren van 'Leren om te keren'.

Ook op andere punten kunnen wij in het milieubeleid best eens iets van onze zuiderburen overnemen. België is bezig met de invoering van een aantal ecotaxen (aanmerkelijke belastingen op milieuschadelijke produkten). Op de lijst van produkten waarop een ecotax zal moeten komen staan onder meer bestrijdingsmiddelen en PVC flessen. Hoewel de invoering van de ecotaxen in België niet van een leien dakje gaat, is men daar op dit punt verder dan in Nederland.

Anderzijds zijn er ook nogal wat onderwerpen waarbij Nederland voor Vlaanderen nog altijd als een gidsland kan dienen. Een goed voorbeeld daarvan is de bodemsanering. België kampt met grote oppervlakten ernstig vervuilde bodem. Alleen al de met zware metalen en arseen verziekte bodem rond de (voormalige) nonferro metaalfabrieken in Balen, Beerse, Dilsen, Lommel en Overpelt is goed voor een verschrikkelijke, tientallen miljarden guldens kostende hoofdpijn.

Aan de daadwerkelijke bodemsanering is in Vlaanderen echter nog nauwelijks iets gedaan en ook de bodembescherming stelt bij onze zuiderburen weinig voor. Ook op een punt als afval- en emissiepreventie gebeurt er in Nederland belangrijk meer dan in Vlaanderen.

In zijn inleiding merkt Aviel Verbruggen op dat de totale druk op het Vlaamse milieu nog steeds toeneemt. Als het beleid in Vlaanderen niet wordt aangepast dan neemt de druk op natuur en milieu in de periode 1990-2010 met 30-40 procent toe. Hoewel het onderwerp milieu in Vlaanderen minder uit is dan in Nederland is het nog maar de vraag of de Vlaamse regering voldoende moed en middelen kan opbrengen om de groeiende belasting van natuur en milieu te keren.