Beklemmende visioenen van Lucebert

Tentoonstelling: Lucebert, een eerbetoon. Facetten van een veelzijdig oeuvre. Museum Kranenburgh, Bergen. T/m 23/4. Openingstijden di-zo, 13-17u.

Op het feloranje omslag van Luceberts eerste, beroemde bundel Verzamelde gedichten uit 1965 staat de dichter/schilder in zijn atelier als een geheimzinnige priester, een glas geklemd tussen de slanke vingers van zijn rechterhand. In de linker wellicht een sigaret of penseel. Het zwarte haar golvend achterover. Hij lacht - en dat lachende gezicht van Lucebert, met daarin de ogen gefixeerd op iets wat wij niet kunnen zien, heb ik altijd als het raadsel van Lucebert beschouwd.

Want wie de bundel opslaat en begint te lezen, kan niet anders dan geraakt worden door de grimmige, sombere verbeeldingskracht van Lucebert (pseudoniem van L.J. Swaanswijk, 1924-1994). Het is een verbeeldingskracht die haar bronnen vindt in de nachtmerrie, in het onheilspellende en 'het foeilelijke' zoals hij het zelf noemde. Hij schrijft dat hij de taal in 'haar schoonheid' opzocht, maar dat de taal niets 'menselijks' meer heeft. Voor Lucebert moet, behalve de taal, ook de schilderkunst haar 'menselijkheid' hebben verloren. Het ironische is, en vandaar ongetwijfeld Luceberts lachende gezicht, dat hij, werkzaam in de vroegere toonzaal van de Bergense verzamelaar Boendermaker, juist hier zijn anti-esthetische taferelen schilderde. Want Boendermaker was aan het begin van deze eeuw de collectioneur en mecenas van schilders van de Bergense School. En de kunstenaars van deze richting wilden niets dan warmte, schoonheid, al dan niet gemengd met melancholie, diepe menselijkheid. Waar eens in Boendermakers toonzaal pure weelde hing, creëerde Lucebert zijn hoogst-persoonlijke, beklemmende visioenen. Alsof hij polemiseerde.

In Museum Kranenburgh aan de Hoflaan in Bergen, niet ver van Luceberts voormalige atelier, is onlangs een waardevolle tentoonstelling geopend, Lucebert, een eerbetoon. Omdat zowel vroeg als laat en zelfs het allerlaatste werk vertegenwoordigd is, krijgt de bezoeker alle kans Lucebert in zijn ontwikkeling te volgen. Dat levert meteen een verbijsterend resulaat op: Lucebert ontwikkelde zich nauwelijks. Wat hij in de jaren zestig maakte, sluit wonderwel aan bij wat hij zo'n dertig jaar later schilderde.

Het is een goed idee van de samenstellers om bijvoorbeeld het schilderij De sfinx uit '68 pal naast De onbarmhartige fortuna uit '83 te hangen. Dan valt meteen op hoe de beide werken met elkaar sporen. Bij Lucebert is geen vooruitgang, er is uitsluitend die meer dan veertig jaar durende weergave van wezens ergens tussen fabeldier, demon, geestesverschijning, misvormde mens, gebochelde, kreupele en krankzinnige in.

De ruimschoots belichte, witte zalen van Kranenburgh hangen vol. De kleuren en voorstellingen springen op je af. Dat heeft het gevolg dat je je in Luceberts pandemonium waant. Zoals de gestalten in zijn koortsachtige brein hem geen rust gunden, zo schenken ze de bezoekers evenmin rust. Kijk je naar de ene olieverf, dan schreeuwt de ander in je ooghoek om aandacht. Net of een van die duiveltjes op je schouder springt en aan je oor trekt. Het in helblauw en geel uitgevoerde doek De indiaan (1963) vind ik een van de hoogtepunten van de expositie. Het combineert de onbevangen blik van de Cobra-schilders met de voor Lucebert kenmerkende strakke lijnvoering. Lege plekken zijn er niet te vinden; horror vacui alom. Zo kunnen ook angstdromen zijn; geen seconde rust, het raast en raast verder. Een fascinerend later werk is het van '83 daterende In de muzieksferen. Een piano die oogt als de opengesperde muil van een monster drijft de bezoekers van een tingeltangelbar weg van het alledaagse, niet naar poëtische sferen maar naar besef van volstrekte eenzaamheid. Toch spreekt er veel deernis uit Luceberts werk, ondanks de vaak akelige atmosfeer. De ouders (1990) geeft zonder opsmuk weer hoe ouders, zij links, hij rechts, met andere dan gangbare gevoelens van vertedering naar hun kind kunnen kijken. Bij beiden is de schrik in de ogen af te lezen. Denken ze aan de wrede toekomst, aan alles wat er gebeuren kan? Evenals de uitdrukking van hun gezichten zijn de kleuren hard en onontkoombaar: rood, blauw, vleeskleurig, geel, roze. Misschien moet dit schilderij wel een door Lucebert geliefde uitspraak van Goethe illustreren: 'Die Irrtümer der Menschen machen ihn eigentlich liebenswürdig.'

Elke Lucebert is onvervreemdbaar van zijn hand. Zelfs als hij zich in de jaren negentig toelegt op keramiek, moeten we geen lieflijke Wedgewood verwachten, maar opnieuw Luceberts carnavaleske figuranten. Hij ontwierp, in wit, felgeel en zwart, theeserviezen en schalen. Lucebert liet de dichter in zich spreken toen hij in '91 een lezenaar maakte, aan de voorzijde beschilderd met een uil. Bovenop is plaats voor drie inktpotjes. Ernaast ligt de Duitse vertaling van een van zijn mooiste gedichten, over kinderen en dichters: 'Wie Kinder sind die Dichter nicht genesen.' Ze zijn niet genezen van de liefde, zegt de dichter, en wie dat wel is, dwaalt in duisternis. Dat gedicht kan als motto gelden voor de hele expositie, want Luceberts eigen woorden uit zijn latere poëzie temperen en temmen de demonen die hij op zijn schilderijen met huiveringwekkende inzet blijft oproepen.