Stank van suikerbietenstroop zal Wim Kok nooit vergeten

Ga zelf maar kijken hoe het er nu uitziet, zegt hij. We hebben het over zijn geboorteplaats Bergambacht. Een dorp aan de Lek in de Krimpenerwaard.

Vijftig jaar geleden was het groen en waterrijk, agrarisch land. Nu is er veel natuurgebied gekomen. Het deel van het dorp Bergambacht dat Bergstoep werd genoemd, lag onder aan de dijk. Daar woonden de arme en eenvoudige arbeidersgezinnen.

De meeste arbeiders werkten bij de timmerfabrieken. Mijn vader toen nog niet, zegt Wim Kok, die in het bevrijdingsjaar zes was en toen voor het eerst naar school ging. Uiteraard een openbare school.

“Vader zat vóór 1940 in de bouw. Als er tenminste werk was. In de oorlog moest hij onderduiken om aan de arbeidsinzet te ontsnappen. Hij deed dat in de transportsector over water. Dan bleef je voor een groot deel ongezien. En moest je je schuilhouden, dan kon dat door je op de boot te verstoppen. Vader was dus vaak weg. Af en toe kwam hij wel eens thuis, maar in de hongerwinter van 1944/1945 is dat maar weinig voorgekomen.”

“Die hongerwinter herinner ik me als iets dat heel lang duurde. Het was een heel donkere wereld waarin je echt honger leed en op de gaarkeuken was aangewezen. Die gaarkeuken kan ik nog steeds ruiken. Ik was toen nog te jong om die instelling als vernedering te ervaren. En dan het voedsel dat er vandaan kwam: het stilde de honger maar was helemaal niet voedzaam. Ik had weliswaar geen hongerziekte en geen hongeroedeem en ook geen pijnlijke winterhanden, maar wel van die kwabben onder mijn kin. In de tuin hadden we een paar wortelen en aardappelen, maar dat was al snel op. Suikerbieten hebben we niet gegeten, maar we hebben wel bietenstroop gehad. Om die te maken moesten de bieten gekookt worden. Wat daarvan overbleef liet mijn moeder door een paar theedoeken lopen.” Wim Kok trekt een vies gezicht. De stank van suikerbietenstroop zal hij nooit vergeten.

“Mijn moeder kon in die tijd alleen nog maar aan de kost komen door de buurt in te gaan voor voedsel. Daar woonden de boeren. Ze moest wel acht kilometer op een fiets zonder banden om aan één halve fles melk te komen. Dat was ruilhandel in natura. Kreeg ze voor één laken uit haar toch al niet erg grote uitzet zo'n flesje melk, dan mocht ze van geluk spreken. Op die manier heeft ze bijna alle lakens en beddegoed moeten verruilen om ons in leven te houden. En als ze dan met wat voorraad terugkwam, liep ze ook nog het risico dat het door de Duitsers in beslag genomen werd. Naast de honger herinner ik me ook het dynamotrappen.” De nu 56-jarige Wim Kok gaat schuin op zijn stoel zitten en maakt nu fietsbewegingen in de lucht.

“We hadden een fiets met zo'n dynamo tegen het voorwiel die ik dan de halve avond moest aantrappen om via de fietslamp een beetje licht in huis te hebben.” Dan weer heeft hij het over de boerenbevolking in de Krimpenerwaard. “Als je in die tijd geen goede connecties met boeren had, stond het er slecht voor.” Nog geen jaar geleden zei Kok in gesprek met NRC Handelsblad dat “veel christelijke boeren zich in oorlogstijd schandelijk misdragen hadden”, nu zegt Kok over die tijd: “Op het platteland waar ik toen leefde, kende men geen enkel gemeenschapsgevoel. Als we onder boeren goede kennissen hadden gehad, was het misschien veel beter met ons gegaan.”

Premier Kok, die kort geleden zei dat hij als geen ander onder de hongerwinter had geleden, zegt beslist niet in superlatieven over zijn oorlogservaringen te willen spreken. “Ik was maar een eenvoudige arbeidersjongen. Vooral de onzekerheid over het oorlogsverloop, dat pappa er vaak niet was en de angst die we met moeder moesten doorstaan, staan me nog bij. Als er vliegtuigen overkwamen, wilden wij ons altijd meteen verstoppen. Dat lawaai. Het gaf ons niet het gevoel dat het voor het goede doel - het bombarderen van Duitse steden - zou kunnen zijn. Het herinnerde mijn moeder steeds aan het bombardement op Rotterdam. Ik heb dat niet meegemaakt, maar zij wel. Van ons uit kon men duidelijk de vuurgloed zien van Rotterdam in de meidagen van 1940. Die angst voor herhaling, dat heb ik scherp beleefd. In die tijd voelde je - hoe jong je ook was - dat er van alles niet klopte. Dat er geen licht was, dat alles verduisterd moest worden, dat je bij alles zo spaarzaam moest zijn. Pas lang na de oorlog ben ik dat gaan begrijpen en inzien. Verder wil ik er niet op ingaan, want ik voel niets voor een half uurtje psychoanalyse.”